jj :: V

De hype van 2009 heeft vijf jaar na datum eindelijk het geluid verworven dat ze destijds nodig hadden om hun claim to fame waar te kunnen maken. V is over het algemeen een verfrissende indiepopplaat geworden, maar of er nog een publiek is om ze te ontdekken?

Vijf jaar geleden kwam dit Zweedse duo uit het niets opduiken met een ep die door Pitchfork meteen als belle du jour opgepikt werd. Hun debuutplaat jj n° 2 bundelde een collectie frisse alternopopsongs, wat hen kort tot de referentie maakte van al wie graag een voeling met de muzikale onderstroom etaleerde. Achteraf bekeken was al dat lof voornamelijk op het nog steeds fantastische “Ecstacy” van toepassing. De rest van de nummers zijn ondertussen al in diepe plooien van de hersenkelders beland. Het veel te snel erna uitgebrachte jj n° 3 wist maar weinig aan hun oeuvre toe te voegen en bleef vooral veel te lang hangen in makke hippieballades in plaats van popfrisheid. De hype rond het project bleek een pak intrigerender dan het materiaal zelf en dus leek jj een stille dood gestorven aan het begin van dit decennium. Een onopgemerkt gebleven single release later is jj terug met een vijfde hoofdstuk in de vorm van een derde langspeler. De hype is intussen volledig overgewaaid, maar hun geluid is uitgediept en dus is een tweede kans verdiend.

De etherisch enigmatische intro trapt de plaat een pak spannender af dan de voorgangers en de anticipatie wordt meteen beloond met de hemelse dreamwave van “Dynasti”, dat zich na een digitaal pastorale aanloop tot een catchy staaltje elektronica ontpopt. Het roept een gevoel van zomerse zaligheid op, dat doorheen de plaat nog verschillende keren terugkeert, bijvoorbeeld op het tragere “Inner Light”, dat als een wolk doorheen je oren lijkt te passeren alvorens zich met een zwaardere outro te verankeren. Op V kiest jj immers resoluter voor elektronica; een troef die op de vorige platen te weinig uitgespeeld werd.

De plaat toont meer zin voor experiment. Het extreemst in “Hold Me”, dat begint met een hiphop-dubsegment en van daaruit naar duistere wavepop overhelt. Het is dé aandachtstrekker van de plaat die doorheen tig muzikale sferen vaart maar consistent de aandacht blijft vasthouden. Even verderop begint “All Ways, Allways” als een eighties poprocknummer dat in electropop overvloeit, een lichtjes kitscherig tussendoortje dat het album met een vette knipoog afsluit.

Ook het tragere materiaal is voller uitgewerkt. De ballad “When I need You” bouwt mooi op en speelt met een contrast tussen zware strijkers en digitale effecten. In de rustige sequenties wil de stem van Elin Kastlander echter niet altijd mee. In het begin geeft haar krakende timbre een poreuze kant aan het elektronische wiegelied “All White Everything”, maar hier en daar hoor je in de toononvastheid een zweem Els Pynoo in ballad-modus.

Hier en daar hoor je nog een weinig memorabel nummer (“Full”) of een uitschuiver ( “Dean & Me”, dat zichzelf vol lucht blaast om er een athematisch refrein uit te persen, maar in iets ronduit irritant uitmondt). In zijn geheel is V echter het beste studioproduct dat jj al uitbracht. Het is maar de vraag of ze zo lang na het baren van de hype nog steeds relevant genoeg zijn om aandacht te trekken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien + 18 =