LES NUITS: Savages :: 13 mei 2013, Botanique

Rond deze tijd van het jaar ritselt er traditiegetrouw heel wat interessant volk in het gebladerte van de Brusselse Kruidtuin. Maandag was het de beurt aan het Londense viertal Savages dat ons eerder deze maand trakteerde op het uitstekende debuutalbum Silence Yourself. Hooggespannen verwachtingen? Nee hoor.

Hoe serieus de groepsleden de albumtitel wel niet nemen, blijkt onder andere uit volgend verzoek dat subtiel maar kordaat in hoofdletters te bewonderen viel in de Orangerie: “Dear audience, our goal is to always discover better ways of living and experiencing music. We believe there are still new ways to be found. We believe the use of phones to film and take pictures during a gig prevents all of us from totally immersing ourselves. Only with full experience will the words we speak be true. Let’s make each evening special. Silence your phones.”
Nou, daar word je wel even stil van. Afgezien van die ene analfabeet en de Sirius Black lookalike naast ons hield het publiek zich daar trouwens verrassend braaf aan.

Opwarmer Johnny Hostile deed nog het meest denken aan een experimentele en minder verkilde versie van The Soft Moon. Hostile zou oorspronkelijk door gitariste en stichtend lid Gemma Thompson gevraagd zijn als frontman van Savages. Thank God dat dit plan niet doorging: een livesessie staat of valt immers met het charisma van de persoon die achter de microfoon staat. In dit geval is Hostiles echtgenote Jehnny Beth een ware droom en ultieme troef als frontvrouw van Savages. Dun als een riet, met een strenge Mia Farrow coupe en felrode lippen kijkt ze de toeschouwer onbevreesd en recht in de ogen. Waar ze het ene moment beweegt in de epileptische stijl van Ian Curtis, lijkt ze op andere ogenblikken te staan schaduwboksen of de nieuwste cardio workout uit te beelden. Met haar Siouxsie Sioux stemgeluid bezweert, slaat en zalft ze tegelijkertijd. Beth overtuigt dusdanig dat wanneer ze “I’m the one who truly saw your soul” zingt, je haar ook daadwerkelijk wil geloven.

De rest van de band houdt zich daarbij eerder op de achtergrond. Thompson verbergt zich ostentatief achter haar zwarte bles, Fay Milton mept de cimbalen en drums verrot als waren ze haar ergste vijanden en bassiste Ayse Hassan speelt elk nummer consequent met de ogen dicht. Niet dat er veel behoefte is aan interactie of overbodige gimmicks wanneer je de nummers voor zich kan laten spreken met verschroeiend harde gitaren, een retestrakke bas, teksten die de kracht van herhaling begrijpen en een frontvrouw die de rest van het werk doet.

Met een aandoenlijke kwajongensblik en zichtbaar plezier kondigde die “Fuckers” aan, over — u raadt het nooit — “fuckers” die op dit eigenste moment misschien pal naast je staan. Geheid een clubhit met de woorden “don’t let the fuckers get you down” die als een mantra doorheen de song lopen. Jammer dat dit niet op de plaat terug te vinden is, net als de single “Flying To Berlin”, die live een pak strakker en luider klinkt dan de studioversie.

Wie zich op voorhand zorgen maakte dat de energieke post-punk aan kracht zou inboeten door een slappe, levensloze performance hoeft niets te vrezen. Live klinkt het duistere kwartet heerlijk agressief en explosief zonder daarbij af te schrikken. Ook valt op hoe belangrijk de prominente baslijn van Hassan wel niet is: in “Shut Up” weerklinkt er een heerlijke knipoog naar groepen als Bauhaus en Joy Division, terwijl diezelfde bas eerder je botten door elkaar rammelt in het rauwe “City’s Full”. De hoekige gitaren klauwen je kapot in tracks als “I Am Here” en “She Will” maar wat het meest indruk maakt, zijn de vocale uithalen van Beth die op hun hysterische hoogtepunt Karen O benaderen. Fijn ook dat de teksten enige diepgang vertonen. Het ongenadig snerende “No Face” is een must voor iedereen aan wie het aan een eigen smoelwerk ontbreekt. Het tot op het laatste moment opgespaarde “Husbands” sloot op intense en adembenemende manier de set af. Petje af voor wie erin slaagt het dwingende “husbands, husbands, husbands, husbands” uit de hersenpan te weren.

Op enkele rustige nummers na — “Waiting For A Sign” en het slepende “Strife” waarbij het publiek even een collectief dutje leek te doen — was dit een hondsbrutale, razende doortocht van een dynamische band waarop je zat te wachten zonder dat je het zelf besefte.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − een =