Harvey Milk :: 9 juni 2012, DOKkantine Gent

Als ons gevraagd wordt om het fenomeen ‘cultband’ uit te leggen, dan grijpen we daarvoor steevast naar Harvey Milk. Een band die er sinds z’n oprichting in 1992 een onwaarschijnlijk parcours op heeft zitten, met een discografie waar geen touw aan vast te knopen valt, een grote periode van non-activiteit, een merkwaardige houding en bijna-onzichtbaarheid op Europese podia. Dit was in al die tijd nog maar het tweede reguliere concert op Belgische bodem (festivalverschijningen en voorprogramma’s niet meegeteld — verbeter ons gerust) en zoiets mag je gewoonweg niet missen.

Als er, na de te verwachten verwarring over de naam, gevraagd wordt hoe Harvey Milk eigenlijk klinkt, dan is “Zoals The Melvins, maar anders” het vaste antwoord. En daar is iets van aan: de muziek is loodzwaar, zwalpt tussen indierock en sludgemetal aan een soms pervers traag tempo, er is de eigenzinnige humor en een fixatie op 70’s hardrock. Als die van The Melvins een zwak hebben voor Kiss, dan is dat bij deze band een andere legende. In de liner notes van bandklassieker Courtesy And Good Will Toward Men (1996) vond je al de slogan “ZZ Top is the best” terug, terwijl een plaat als The Pleaser (1997) eigenlijk niets minder is dan een eerbetoon aan de gespierde bluesrock van de jaren zeventig.

Maar Harvey Milk is ook meer dan dat. Zelden krijg je een band te zien die zo genadeloos komaf durft te maken met z’n eigen werk. Na het bescheiden doorbraaksucces van Life… The Best Game In Town (2008), dat de band voor het eerst in contact bracht met een iets groter publiek, beweerde zanger/gitarist Creston Spiers dat hij dat eigenlijk een miskleun van een plaat vond. Het gevolg: A Small Turn Of Human Kindness (onze #1 van 2010) werd een monolithisch, amper te verteren blok, dat komaf maakte met variatie, refreinen en herkenbaarheid. Harvey Milk was teruggekeerd naar het maagomkerende heavy gesleep. En zwaar is dan ook zwaar: weinig bands beuken met zo’n botte, slopende intensiteit, zelfs als je ze te zien krijgt in de kleine DOKkantine.

Ook typisch Harvey Milk: eindelijk nog eens in Europa zijn en je recente werk zo goed als volledig links laten liggen. Op “Motown” uit Life… na, werd er geen enkel nummer van de laatste vijf jaar gespeeld. In plaats daarvan kreeg het publiek een reis door het oudere werk, waarbij de nadruk vooral lag op redelijk toegankelijk materiaal van de band, met een resem uptempo songs en songs die benadrukken dat Harvey Milk, en dat is wat hen misschien nog het meest van al onderscheidt van The Melvins, eigenlijk een pure bluesband is. “Anybody singing the blues is in a deep pit yelling for help”, zei Mahalia Jackson, en dat is op weinigen zo van toepassing als op Spiers, bij wie elke oerbrul gepaard gaat met een ontredderde bluessnik.

Een song als “Crush Them All”, met z’n logge tempo, jankende gitaar en granieten uitspattingen, veegt moeiteloos de vloer aan met de exploten van de meeste metalbands. Harvey Milk speelt die songs met een woeste intentie die vanuit het middenrif en lager komt. Veel hangt daarbij ook af van de fantastische ritmesectie: bassist Stephen Tanner en drummer Kyle Spence (niet zo lang geleden nog achter de vellen bij Dinosaur Jr.), die met een opvallende precisie en timing door de nummers sluipen. Harvey Milksongs, en dan vooral de trage, zetten de luisteraar voortdurend op het verkeerde been, grooves onderbrekend met een vreemde timing en kolossale power. Spence bewandelt daarbij voortdurend de grens tussen Dale Crover en John Bonham, technisch compleet, maar vooral met een enorme kracht.

Bijna een greatest hits-sessie dus, waarin regelmatig geplukt werd uit The Pleaser, met het vette gebeuk van “Shame” (Led Zeppelin is nooit veraf), de powerakkoorden van “What I Want” (The Who!) en de wurgende blues van “Lay My Head Down” met z’n verschroeiende catharsismoment. Dan valt op dat er werkelijk geen touw vast te knopen is aan het oeuvre van Harvey Milk, waarin redelijk catchy songs als “Motown” hand in hand gaan met geschift spul als “The Anvil Will Fall”, waarvoor Spiers Susan Boylegewijs stond te zingen met het bombastische patriottenlied “I Vow To Thee, My Country” op de achtergrond. Afsluiter “I’ve Got A Love” was een verpletterende triomf, de sound en obsessies van de band uitvergroot tot epische proporties in een song die toch resoluut minimalistisch blijft. Bisnummer “In The Ground” sloot aan bij die slakkenkant van de band.

Met concerten zoals dat van gisteren is het helemaal niet zo verwonderlijk dat Harvey Milk zelfs binnen kennerskringen een onbekende blijft. De eigenzinnige stijl zal er altijd voor zorgen dat het trio luisteraars zal blijven verdelen, maar zij die erbij waren, kregen de band in z’n meest verteerbare vorm te zien, waarbij een knap evenwicht gevonden werd tussen de lompe power en opwindende energie die al twintig jaar haasje-over speelt op die platen. “Thank you very much,… you might’ve seen our very last show”, zei Spiers terwijl hij z’n versterker uitzette. Ook dat is Harvey Milk. Maar nu zitten we ermee, de schrik om een van de meest bijzondere heavy bands van de voorbije twee decennia te verliezen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 − elf =