COLUMN :: Slijpschijf #63

Journalist DIRK STEENHAUT snijdt zich tweewekelijks aan de scherpste kantjes van de rockmuziek.

Een van de grote voordelen van een showcasefestival als EuroSonic in Groningen (en sinds kort ook van GLIMPS in Gent) is dat je er de gelegenheid krijgt muziek te ontdekken uit Europese landen die bij ons zelden een plek in de schijnwerpers krijgen en door de media meestal stiefmoederlijk worden behandeld. Onze radiomakers en scribenten voor kranten en magazines zouden best wat meer exploratiegeest kunnen gebruiken. Dat was tenminste wat ons door het hoofd flitste terwijl we ons lieten overrompelen door Dva, een elektro-akoestisch avant-popduo uit Praag, en prompt het woord “revelatie” in ons notitieboekje krabbelden. Want dit moest je horen en zien om het te geloven.

Dva is een prettig gestoord Tsjechisch echtpaar (de groepsnaam betekent ‘twee’) dat blijk geeft van een grenzeloze verbeelding en voor wie muziek een speeltuin is waar alles kan en alles mag. In het verleden schreven Jen en Jenna -pseudoniemen, uiteraard- al soundtracks voor film en theater, maar ook op de drie reguliere platen die ze sinds 2005 uitbrachten leggen ze een tomeloze experimenteerdrang aan de dag. Hun vorige cd, Fonók, omschreven ze nog als “folklore van onbestaande naties”; op hun jongste, HU, serveren ze, naar hun eigen zeggen “dertien songs, geschreven in onbestaande talen, en bedoeld om te worden uitgezonden door onbestaande radiostations.” De cd-titel verwijst zowel naar Hongarije en het oud-Egyptische woord voor god als naar een van de meest voorkomende familienamen ter wereld. Absurdistisch? Zeker. Maar ook geestig, speels en onderhoudend. Het zal u niet verbazen dat Dva ooit een cd uitbracht vol zelfverzonnen ringtones, waarna zijn muziek werd gebruikt in een reclamespot van Deutsche Telekom.

De zangeres, die sax, klarinet, melodica en speelgoedpiano speelt en zich ook nog eens aan allerlei klanknabootsingen en dierengeluiden waagt, straalt op het podium zoveel spontaneïteit en kinderlijke charme uit, dat je er onmogelijk onverschillig voor kunt blijven. Haar wederhelft beroert niet alleen een gitaar, banjo en beatbox, maar is verantwoordelijk voor de veelheid aan samples en loops die in het geluidsbeeld opduiken. Op zijn vorige cd liet Dva zich voornamelijk inspireren door culturen uit de noordelijke hemisfeer. Op HU gebruikt het stel veldopnamen die het maakte tijdens een reis naar de tropen, al worden die dan wel ingrijpend bewerkt en in een onverwachte context geplaatst.

Jen en Jenna nemen hun liedjes het liefst op in een huiselijke sfeer en samen met de Berlijnse producer Jayrope koesteren ze een voorliefde voor oude technologieën. Zo gebruiken ze een microfoon uit 1948 en leggen ze hun uitbundige liedjes, uit principe, vast op analoge tape. De “happy melancholic popsongs” van het duo steunen op een bizarre mengeling van folk, jazz, tango, bossanova, cabaret, elektro en circusmuziek en klinken volstrekt uniek. Wat maar weer eens bewijst dat de aangenaamste verrassingen soms op de onverwachtste plekken te rapen vallen.

Joasihno is het alter-ego van Christoph Beck, een Duitse doe-het-zelver die onlangs, slechts begeleid door een drummer, een goede beurt maakte in het voorprogramma van The Notwist. De man is afkomstig uit een Beiers dorpje in de omgeving van Eichstätt, maakte een poosje deel uit van de band Missent to Denmark en volgde een opleiding klassiek slagwerk in Münster, waar hij in de ban raakte van het werk van Philip Glass en Steve Reich. Hij componeerde muziek voor film en theater en ontwikkelde intussen de rijkgeschakeerde indietronicasound die nu centraal staat op zijn debuut-cd We Say “Oh Well”.

Op die plaat manifesteert Joasihno zich als een begaafde multi-instrumentalist. Hij bouwt zijn songs op met behulp van een loopstation en weet zijn partijen op gitaar, toetsen, elektronica en allerlei percussietuigen (vibrafoon, xylofoon, glockenspiel…) met verve te manipuleren. Op die manier ontstaan even dromerige als ideeënrijke songs, type “A Secret Eye”, de single “Excited” of het door warme strijkers omzwachtelde “Dark Night Will You Ever Come”. ‘s Mans muzikale aanpak vertoont duidelijke verwantschappen met die van IJslandse bands als múm en Sigur Rós, of groepen uit de Duitse Weilheim scene (The Notwist, Console). Enkele jaren geleden trok Christoph Beck door Afrika en ook zijn verblijf op dat continent heeft in zijn muziek subtiele sporen nagelaten. Hij experimenteert volop met klanken en ritmen, weet behoorlijk wat effect te sorteren met mimimale middelen, maar verliest de essentie van het liedje nooit uit het oog. In “In a Deep Lake” staat de piano centraal, terwijl het melodieuze “This is Just an Accident” steunt op trefzeker gitaarwerk in combinatie met borrelende en bubbelende laptopsounds.

We say “Oh Well” laat zich nog het best vergelijken met een exotische bloem die zich, na enkele luisterbeurten, sierlijk openvouwt zodat je ze eindelijk in haar volle kleurenpracht kunt aanschouwen. Laat je dus niet afschrikken door Becks moeilijk uitspreekbare nom d’artiste en leen hem even een luisterend oor. Wellicht mag hij daarna voorgoed in je platenkast komen wonen.

Een type autoband? Een draadloze computermuis van Logitech? Tweemaal goed gegokt. M185 (spreek uit Em-eins-acht-fümf) verwijst echter ook naar een goed uit de kluiten gewassen gitaarband uit Oostenrijk, die ons onlangs van de sokken blies in Groningen en in ons hoofd meer dan één vertrouwd decibelletje aan het rinkelen bracht. Als we hun bio mogen geloven, vonden de vijf muzikanten elkaar in 2005 tijdens een optreden van de Pixies, maar dat valt alleszins niet meer af te leiden uit hun onlangs verschenen, derde cd Let The light In. Het is een plaat waarop de heren een stevige geluidsmuur optrekken, met bouwmaterialen die eerder al werden gebezigd door Amerikaanse leftfieldgroepen als Pavement, Television, Sonic Youth en aanverwanten. Voeg daarbij enkele scheutjes Krautrock, een flard psychedelia en een pluk garage en je krijgt een idee van het soort muziek dat je van M185 kunt verwachten.

De songs klinken melodieus, dynamisch en gespierd, doen tegelijk arty en rechtlijnig aan en zijn vooral ingegeven door het leven in de grootstad. De teksten van zanger-gitarist Wolfram Leitner zijn filmische observaties die perfect aansluiten bij stuiterende nummers als ‘V.S.’ of ‘Strange Weather’. In ‘The City and the Beat’ wordt zelfs verwezen naar The Velvet Underground, de New Yorkse Factory scene en de moordpoging op Andy Warhol.

Leitners voordracht, op het snijpunt tussen spreken en zingen, herinnert af en toe aan die van Lee Ranaldo. Alleen klinkt M185 iets poppier en schrikt de groep er niet voor terug haar sound wat op te smukken met laagjes keyboards en gastbijdragen op trompet (in het epische ‘The Rift’) of sax (‘Space Bum Rocket Kid’). Het kwintet bewandelt zeker geen nieuwe wegen, maar dank zij zijn strakke samenspel, puike songs en opwindende live-show krijgen we alsnog zin om ook zijn vorige cd’s (de instrumentale ep Soundscapes & Coincidences en het drie jaar oude Transformers) te ontdekken. Ga beslist kijken wanneer M185 nog eens ons land aandoet.

Oudere jongeren denken bij het horen van de naam Peggy Sue waarschijnlijk aan een oude hit van Buddy Holly. Het zij hen vergeven, zolang ze hun harde schijf maar herprogrammmeren en voortaan onthouden dat zich onder dat pseuduniem ook een uitermate boeiend trio uit Brighton verschuilt. Toen Peggy Sue in 2010 debuteerde met Fossils and Other Phantoms, werd dat nog gelinkt aan de Britse nu-folkscene. Met opvolger Acrobats maken de gitaarspelende zangeressen Katy Beth Young en Rosa Slade, samen met en drummer Olly Joyce, echter een reuzensprong voorwaarts. Ze ontwikkelen zich zowaar tot een rockband-met-weerhaakjes, die grossiert in donkere, onbehaaglijke sferen en rauwe emoties.

Op het broeierige “Funeral Beat” na hebben de akoestische gitaren nu plaats geruimd voor elektrische exemplaren, waardoor Peggy Sues expressiemogelijkheden aanzienlijk zijn vergroot en de intensiteitsgraad van haar songs over liefde en lust aanzienlijk is gestegen. in dat opzicht mag je de dreigende, zes minuten durende opener “Cut My Teeth” gerust als een nieuwe beginselverklaring zien. De stemmen van de twee chanteuses zijn zo complementair en met elkaar verstrengeld dat ze in “All We’ll Keep”, “Ruthie” en het beheerste “Parking Meter Blues” één lijken te worden. De gitaren gaan dan weer tekeer als roofdieren die bloed hebben geroken. Nu en dan wordt het dramatische gehalte van de songs onderstreept met viool, cello of, in het geval van ‘Boxes”, trefzekere blazers. “Changed and waiting” steunt zelfs op een drone uit één van de mijnschachten van The Velvet Underground.

Zoals blijkt uit de songstructuren van Peggy Sue, zijn de folkinvloeden nog niet helemaal verdwenen. Alleen vult de band die op Acrobats aan met bluesuitstapjes, zoals die ook op platen van PJ Harvey, Sixteen Horsepower of Captain Beefheart worden georganiseerd. Geen wonder dus dat de plaat is opgenomen met niemand minder dan John Parish achter de knoppen. Gelukkig heeft Peggy Sue voldoende talent in huis om het gewicht van die voorbeelden van zich af te schudden en haar eigen route uit te stippelen. Bezwerend plaatje.

  • Dva:: HU, Indies Scope. http://dva2.bandcamp.com/
  • Joasihno:: We Say “Oh Well”, Red Can Records. http://soundcloud.com/joasihno
  • M185:: Let The Light In, Speed of Light. www.myspace.com/m185
  • Peggy Sue:: Acrobats, Wichita. www.myspace.com/peggywho

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf − 1 =