Ictus :: ‘The Wayward’ :: 19 januari 2012, Handelsbeurs

Hoewel Harry Partch (1901-1974) de obscuriteit nooit oversteeg, is hij in vele opzichten een van de boeiendste en meest originele componisten van de twintigste eeuw. Een delegatie van het veelzijdige Ictus ensemble ging in de weer met Tim Mariëns bewerking van de vierdelige ‘The Wayward’, een cyclus uit de jaren veertig die liet horen dat de muziek nog altijd even verwarrend en uniek is.

En voor u beweert dat hier normaal geen plaats is voor klassieke muziek: Partch reduceren tot de term ‘klassiek’ zou hem tekortdoen, want zoals Partch-biograaf Bob Gilmore al vertelde in de inleiding, heeft de wereld van het Amerikaanse genie vaak meer gemeen met die van de rock-‘n-roll van pakweg Tom Waits dan met de klassiek van zijn tijdgenoten. De componist, instrumentenbouwer, dropout, outcast en excentriekeling verwierp de klassieke twaalfdelige toonschaal en was een voorloper/grondlegger van microtonale muziekleer. Tot op de dag van vandaag is dat systeem een eerder obscure stroming in het Westerse muziekdenken, wat ervoor zorgt dat zijn muziek nog steeds erg excentriek is en vaak ontoegankelijk (want ‘vals’) lijkt.

Componist en instrumentenbouwer Tim Mariën bewerkte ‘The Wayward’ om het te laten uitvoeren door het vijfkoppige Ictus. Een uitvoering op de originele, door Partch gebouwde instrumenten was nooit een optie, want er bestaat maar een set van, die door de erfgenamen zorgvuldig afgeschermd wordt. Bovendien zouden transport en verzekering pakken geld kosten. Het alternatief: op zoek gaan naar nieuwe instrumentatie, aangepast aan de principes van Partch en vervolgens een draai geven aan de muziek van de componist. Je kreeg dus geen getrouwe uitvoering van Partch te horen (bij voorbaat uitgesloten), maar een interpretatie door de ogen van een hedendaagse componist, die bovendien een eigen stuk toevoegde dat verwantschap had met de Partchwereld.

Er werd echter van start gegaan met een kort stuk van een andere componist, Thomas Smetryns. Voor ‘A Portrait of Harry Partch’ baseerde die zich op een van de centrale obsessies van Partch: de menselijke stem. Hij was immers bezeten door intonaties, die niet de reproduceren viel met de reguliere toonschaal, maar wel met zijn eigen systeem. Smetryns verwerkte dat op dubbele manier: door muziek te componeren die enerzijds gebaseerd was op de intonatie van Partch’ eigen stem, en door ook nog eens op vinyl geperste geluidsfragmenten van de componist te laten horen (helaas waren die zelden verstaanbaar). De muziek, die uitgevoerd werd op trombone, contrabasfluit, citers en geprepareerde gitaar, was ongrijpbaar en vrij van conventionele ideeën over melodie en ritme. En dat zou enkel nog escaleren.

Voor ‘The Wayward’ zou de instrumentatie nog uitgebreid worden met microtonale piano en harmonium, banjo, fluit, percussie en marimba. Ook opvallend: het verrassend theatrale musicalgehalte van de performance. Een stuk als “Barstow”, dat oorspronkelijk gebaseerd was op graffiti en gespreksfragmenten die Partch omzette in muziek, bevatte regelrecht nonsensicale zinnen die met de nodige flair én aangedikt accent gedeclameerd werden door fluitist Michael Schmid. De muziek, die soms een goederentreinkadans aannam, bleef doorgaans onvoorspelbaar, grillig hortend en stotend en haast wereldvreemd. Zoals Gilmore en Mariën aangaven is dit muziek die niet gemaakt werd voor een festival, niet in opdracht van een mecenas, niet voor het geld of de roem, maar door een kunstenaar die wars van trends en regels z’n instinct volgde en theorie in de praktijk omzette. Het zorgde voor eclecticisme met een weerbarstige puurheid.

Hier en daar, vooral in de stukken met marimba, werd aansluiting gezocht met de experimentele muziek van Tom Waits, maar meest van al deed het wat denken aan primitieve, ragtimegetinte oerjazz of een radicaal ontspoorde versie van Kurt Weills theater, met een weids gesticulerende acteur en muzikanten die in opperste concentratie muzikaal halsbrekende toeren uitvoerden. Mariëns eigen ‘Toeënwâs’, verstopt tussen het derde en vierde Partch-luik, was bovendien een knappe overgang die het universum even wat toegankelijker maakte. De waanzin luwde ook een beetje in slotstuk ‘U.S. Highball – Musical Account Of A Transcontinental Hobo Trip’, dat door z’n herhalende structuur wat makkelijker verteerbaar was, maar misschien ook iets te lang doordenderde. Vervelen zou het echter niet doen, want na een weldadige zeventig minuten werd het concert afgerond.

De muziek van Partch blijft even marginaal als zijn bestaan. Er valt soms geen touw aan vast te knopen (tenzij voor getrainde oren met behoorlijke muziektheoretische achtergrond) en de composities worden gestuurd door een steeds ontglippende dynamiek, maar het blijft van de eerste tot de laatste noot fascinerend, zolang je het in beperkte dosis gepresenteerd krijgt. Componisten Smetryns en Marieën en de vijf muzikanten van Ictus ontvingen het publiek even in een wereld van schijnbaar onbegrensde mogelijkheden en voor dat gevoel van avontuur alleen al zou je elke muziekliefhebber met open geest hier naartoe willen sturen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × vijf =