Battles :: ”Er zit ergens in mij een rare archiefkast waaruit ik kan putten”

Met Mirrored maakte het Amerikaanse Battles een van de meest intrigerende platen van het afgelopen decennium. Vier jaar later en met een groepslid minder komt de band nu met opvolger Gloss Drop aanzetten. Zes april laatstleden hadden we een interview met de band in een Brussels etablissement. Net terug uit Japan en met een kanjer van een jetlag staat drummer en spil van de groep John Stanier goddeau te woord. Twee weken nadat het Aziatische eiland door een aardbeving, een tsunami én een kernramp werd geteisterd. Heeft hij daar iets van gemerkt?

John Stanier: “Het was niet zo erg als ik vooraf gedacht had. We hebben er geen apocalyptische taferelen gezien of zo. Wat je wel merkte is dat de mensen zich ernstig zorgen maken. Over de schade en de straling natuurlijk, maar ook over de economie die op het punt staat in te storten. Het was toch wel een rare ervaring. Mensen waren wel heel blij dat we ondanks alles toch naar ginder afgereisd zijn.”

enola: Tyondaï Braxton verliet Battles tijdens de opnames van Gloss Drop. Hoe moeilijk was het om zijn vertrek op te vangen?

Stanier: “Gelukkig lag er nog geen afgewerkt album klaar. We hadden gewoon een hoop materiaal waarover de meningen intern erg verdeeld waren. Eigenlijk was niemand er echt tevreden mee. We lagen ook al achter op schema en stonden dus onder tijdsdruk. Maar ik was niet erg gelukkig geweest moesten we die opnames uitgebracht hebben. Omdat ik vond dat het niet hoogstaand genoeg was.”

enola: Kwam zijn vertrek niet hard aan?

Stanier: “Het kwam niet helemaal uit de lucht vallen. En de vraag was gelukkig niet: ‘Wat gaan we nu doen?’ Maar wel: ‘Hoe gaan we het nu doen?’ We hebben er op geen enkel moment aan gedacht te stoppen met de groep. We schrapten Tyondai’s partijen, herwerkten de bestaande songs en maakten ook een hoop nieuwe. (denkt na) Weet je, eerlijk gezegd was het niet echt zo erg, omdat hij toch al niet zo betrokken was bij de plaat. Hij had wel wat ideeën voor zanglijnen, maar de rest van de band was eigenlijk niet echt gewonnen voor het gebruik van zang. Het was geen fijne situatie, maar achteraf bleek het a blessing in disguise.”

enola: Hebben jullie overwogen iemand nieuw aan te trekken?

Stanier: “We hebben wel even getwijfeld of we als trio zouden verdergaan dan wel of we er toch een vierde bandlid zouden bijhalen. Maar het probleem was dat we geen tijd hadden om op zoek te gaan of zelfs maar te overleggen of we dat al dan niet zouden doen. We moesten roeien met de riemen die we hadden. We wilden het daarbij gemakkelijk houden en besloten dat we ons later zorgen zouden maken over de zangpartijen en hoe we de songs met z’n drieën zouden brengen. We moesten vooruit en liefst zo snel mogelijk. Heel pragmatisch allemaal. Pas toen de plaat klaar was, zijn we op zoek gegaan naar gastzangers. Er waren drie songs waar we zeker zang op wilden; de rest kon zonder ook.”

enola: Hoe ben je eigenlijk bij Gary Numan terecht gekomen?
Stanier: “Toen we My Machines af hadden leek het ons een perfect lied voor hem. Maar het was op dat moment nog een wild idee. We hadden niet verwacht dat hij tijd zou kunnen vrijmaken. Het was ook niet zo dat we hem persoonlijk kenden of zo. Maar uiteindelijk verliep het allemaal heel vlot. We vroegen ons label hem te contacteren en hij stemde meteen toe. Hij bleek wel wat tijd nodig te hebben. Uiteindelijk was hij de laatste van de vier die zijn partij ingezongen heeft, op de dag dat we de tracks moesten afleveren aan de masteringstudio. Het was dus echt op het nippertje. Maar zijn bijdrage is wel fantastisch.”

enola: En de andere gastvocalisten?

Stanier: “Eye van The Boredoms kennen we vrij goed intussen. We hebben samen op festivals gespeeld in Japan, mijn oude band deed een tournee met een van Eye’s nevenprojecten, ik verbleef in zijn huis, we delen dezelfde geluidstechnicus… We wilden hem er zeker bij. Omdat we er alle vertrouwen in hadden dat hij zou doen wat hij zo goed kan. En dat deed hij ook. Hij was trouwens de eerste die zijn partij inleverde. Kazu Makino (Blonde Redhead) is een goede vriendin van ons. Ze woont ook in New York. We konden haar gewoon oppikken in Manhattan, brachten haar naar de studio waar ze haar ding deed en toen brachten we haar terug. Zo eenvoudig ging dat. Heel gemakkelijk. Matias Aguayo ten slotte is een vriend uit de tijd dat ik in Keulen woonde. De scene rond zijn band Kompakt ken ik vrij goed en zijn manager is een goede vriend van me. Het lag dus voor de hand hem te vragen. Hij nam zijn track op in een Berlijnse studio, stuurde hem door en we moesten er niets aan veranderen. (denkt na) Zo moeilijk de opnames verliepen, zo gemakkelijk ging het met de stemmen. We waren ook heel tevreden met de verscheidenheid van de verschillende vocalisten. Dat was niet eens gepland. We hadden gewoon song per song iemand uitgezocht zonder echt rekening te houden met het grote geheel. Toen de plaat klaar was, bleek alles gelukkig in zijn plooi te vallen.”

enola: Waar hebben jullie de plaat opgenomen?

Stanier: “De studio heet Machines with Magnets en ligt in Pawtucket, Rhode Island. Een behoorlijk rare plek in the middle of nowhere. Er gebeurde weinig of niets en we moesten een heel eind rijden om een winkel te vinden. Geen afleiding dus. Dag en nacht brachten we in de studio door, we sliepen er zelfs. Zo konden we volledig in het proces opgaan. Dat was ook nodig om in onze opzet te kunnen slagen.”

enola: Hoe werkt jullie songwritingsproces eigenlijk? Nemen jullie op wat je live speelt of spelen jullie live wat je in de studio hebt opgenomen?

Stanier: “Meestal begint het met een klein idee. Doorgaans een loop, een sample of een drumbeat. En dan neemt iedereen dat mee naar huis, denkt erover na, voegt eventueel een partij toe en dan proberen we alles uit in de studio of de repetitieruimte. Een derde van de songs op deze plaat ontstonden in het repetitiekot. We wisten dus vooraf al hoe we ze moesten spelen. De rest is in de studio ontstaan. En dat is behoorlijk onorthodox. Neem nu de drums: die werden als laatste opgenomen. Terwijl die doorgaans net als eerste vastgelegd worden. We hebben ook veel dingen op het laatste moment nog herwerkt en herschreven.”

enola: Luisterde je zelf naar muziek tijdens de opnames?

Stanier: “Eerlijk gezegd heb ik geprobeerd om dat niet te doen. Wij allemaal trouwens. Om niet beïnvloed te geraken. We trachtten ons letterlijk van de wereld af te sluiten. Dat is belangrijk omdat je zo gedwongen wordt om eerlijk te zijn en diep in jezelf te graven. Zo staan er ideeën op deze plaat die ik al twintig jaar heb maar waar ik tevoren nooit iets mee gedaan heb. Er zit ergens in mij een rare archiefkast waaruit ik kan putten. Dat maakt het veel eerlijker dan wanneer je voorbeelden gebruikt. Omdat het vanuit jezelf moet komen. Dat is soul zoals ik het zie. Het maakt dat een artiest ‘echt’ is en je hem kan geloven.”

enola: Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen dit album en het vorige?

Stanier: “Eerst en vooral dat we nu een trio zijn natuurlijk. We waren deze keer ook minder goed voorbereid en hebben de songs nog in de studio afgewerkt. Terwijl we de vorige keer wel heel goed gerepeteerd hadden. De opnames verliepen toen ook veel sneller. Nu verloren we veel tijd door het vertrek van Tyondaï en doordat we van nul moesten herbeginnen. Meer nog: doordat er in de songs meer ruimte vrij kwam moesten we ook een andere manier van spelen ontwikkelen. Vooral Ian en Dave’s bijdragen werden dus iets belangrijker.”

enola: Klopt het cliché dat het tweede album altijd het moeilijkst is om te maken?

Stanier: “Het hangt er natuurlijk van af of je eerste plaat goed ontvangen is. Er was dus wel wat druk, maar toch minder dan op bands die echt voor commercieel succes gaan. Als een popband een grote hit scoort, creëert dat meteen hooggespannen verwachtingen. Dan wil de platenfirma vaak een nieuwe single die nog beter verkoopt. Voor Battles is het wel heel belangrijk om vernieuwend te blijven en niet in herhaling te vallen. Maar doordat we plots met drie verder moesten, was dat niet zo’n probleem.”

enola: Wat als de dag komt dat jullie zichzelf toch gaan herhalen?

Stanier: “Pfff… Zelfs moesten we ons met deze plaat al gaan herhalen zijn… (denkt na) Dit zal misschien verschrikkelijk pretentieus klinken, maar ik denk dat we onze tijd zo ver vooruit zijn dat het geen moer uitmaakt. Af en toe vraagt een journalist of ik niet bang ben dat mensen onze muziek gaan kopiëren of imiteren. Maar dat ben ik helemaal niet. Er is geen vaste formule die we hanteren en die maakt dat we gemakkelijk te imiteren zijn. We zullen als band altijd wel herkenbaar blijven, geloof ik. Volgens mij hebben we trouwens nog minstens een plaat of drie voor we in herhaling zullen vallen. En zelfs dan is het niet echt een probleem. Wat ik apprecieer aan pakweg Led Zeppelin is dat ze veranderden en experimenteerden, maar dat ze dat altijd binnen hun grenzen deden. Het is belangrijk dat bands bij elke plaat anders klinken. En de artiesten die relevant blijven zijn doorgaans diegene die erin slagen zichzelf keer op keer opnieuw uit te vinden en zich niet afvragen of ze er succes mee zullen oogsten.”

enola: Bij de release van Mirrored vlogen de superlatieven jullie om de oren. Sommige hadden het zelfs over ‘een van de meest invloedrijke platen van deze eeuw.’ Wat doet dat met een mens en een muzikant?

Stanier:It’s crazy, you know. Soms zelfs in die mate dat het moeilijk te bevatten is. Ik probeer met mijn voeten op de grond te blijven en het allemaal wat te relativeren. Maar ik geniet er ook wel van. En natuurlijk ben ik blij als mensen me een compliment geven. Want het is echt wel intens… Dat mensen zo’n dingen zeggen is bijna om ongemakkelijk van te worden. Still doesn’t compute. (denkt na) Weet je, een jaar of twee geleden deden we een tour door Zuidoost-Azië waarin we zes concerten gaven. Singapore, Kuala Lumpur, Bangkok, Taipei, Peking en Shanghaï. Alleen in Singapore was onze plaat, als import dan nog, verkrijgbaar in de platenzaak. Toch kwam de jongeren telkens massaal opdagen. Bovendien waren ze razend enthousiast. Een eigenaardige maar ook een fantastische ervaring. Met dank aan het internet. Het deed me veel meer dan al die mooie woorden samen.”

enola: Brian Eno blijkt een grote fan van Battles te zijn. Hebben jullie al overwogen hem als producer te vragen?

Stanier: “Tot nu toe hebben we onze platen altijd zonder producer opgenomen, maar misschien in de toekomst. Waarom niet? Should be cool.”

enola: Wat denk je dat hij zou kunnen bijdragen aan Battles?
Stanier: “Geen idee, eerlijk gezegd. We staan nogal op onszelf en dus is het moeilijk om je voor te stellen wat een buitenstaander zou kunnen doen met onze muziek. Door de manier waarop we zijn begonnen, niet eens echt als een groep… In het begin was het een soort project en dan evolueerden we langzaam naar een echte band die voorzichtig haar eerste e.p. uitbracht en begon op te treden. Jarenlang was het echt iets van ons, een soort van geïsoleerd eiland binnen de muziekwereld. Het is dus zeer moeilijk om te voorspellen wat iemand als Brian Eno ermee zou doen.”

enola: Nog één ding… Je speelt met één cimbaal die ongelooflijk hoog opgesteld staat. Waarom doe je dat zo?

Stanier: “Het begon eigenlijk als een grap, maar daarna begon ik het meer en meer logisch te vinden. Omdat… (denkt na) …wel, eerst wilde ik helemaal geen cimbalen gebruiken. Om bij wijze van experiment eens een totaal andere aanpak uit te proberen. En dat heeft dan weer onze muziek sterk beïnvloed. Als ik er nu op sla is dat echt wel a big deal. En daarna kreeg het ook iconische waarde. Het is nu zelfs bijna als een vlag. Ik kan ze dan ook moeilijk terug laten zakken (lacht).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien − dertien =