PUKKELPOP 2010 :: Marquee, vrijdag 20 augustus

De Marquee, dag twee, dag van de overrompeling. Een gestaag aangroeiende massa ontlaadt helemaal bij het aanschouwen van een grijzende banjogroep, slikt het sologefriemel van Bloc Party-zanger Kele en laat zich voor de zoveelste keer vervoeren door een in zwart gehuld, onbeweeglijk trio. Het is er warm, dat ook.

Ze bestaan nog: bands die een slapende festivaltent in een mum van tijd kunnen omtoveren tot een kolkend feest. Matt & Kim is dan ook de een van de enige bands deze editie die kan zeggen zijn fanbasis te hebben verdubbeld in een kleine veertig minuten. Toegegeven: de energieke electropop die het duo brengt klinkt bij momenten goedkoop, maar in combinatie met danceklassiekers als “The Final Countdown” en “Better Off Alone” is het onmogelijk de dans te weigeren. Indrukwekkend: de frons die in het begin “wat hebben die gepakt?” leek te denken, verandert al snel in een grote glimlach.

En daarna: rock. Dat er geen lekkere dieren genoeg zijn op festivals, zo schreven we gisteren. En potige, zonnige nummers. Wel kijk, Blood Red Shoes heeft beide en geeft zich ondanks de verschroeiende hitte in de Marquee volledig. Het omgekeerde White Stripes-duo — vent aan de drum, vrouw op gitaar — is eigenlijk meer een festival- dan een zaalact. Hun gretige rocknummers beschikken over voldoende meebrulbare “oh oh”‘s om de boel te ontdoen van alle ernst. Er wordt — ook op eenvoudig verzoek van de band — gecrowdsurft en wild met het hoofd geschud. Want daar vragen nummers als “Don’t Ask” gewoon om. De dialoog tussen gitariste en drummer is hitsig, alsook het publiek bij het aanschouwen van het suggestieve kleedje van Laura-Mary Carter.

Hitsig ook en in getale vermenigvuldigd, alsof er plots een paar honderd man extra op de wei werd gedropt, is het publiek dat in en rond de Marquee over de koppen loopt voor The Black Box Revelation. Het duo is als enige Belgische band geprogrammeerd in deze tent en doet exact wat van hen verwacht wordt: hun bekende, verschroeiende bluesrock verkopen aan zielen die er allang voor gevallen zijn. Ze zijn niet langer meer het beloftevolle duo van enkele jaren geleden. Jan Paternoster en Dries Van Dijck zijn ondertussen gevestigde waarden waaraan niemand meer twijfelt. Het soort dat zich kan permitteren een hit als “High On A Wire” al vroeg in de set te smijten. Dat harten vertedert wanneer Paternoster “Love Licks” opdraagt aan zijn lief en er wordt ingezoomd op het zelfgemaakte J <3 E-stickertje op zijn linkerborstzakje, terwijl anderen er ongenadig voor zouden worden uitgelachen. The Black Box Revelation blijft overrompelen. We kunnen verbijsterd blijven staren naar Van Dijcks (zelf voortdurend met de mond open) opwindende drumspel. Ongecompliceerd, retecool en toch nooit arrogant. Perfecte act.

We slaan Foals over omdat we een onderonsje aangeboden krijgen met Laura Marling, die wat zit te mokken over de geluidsoverlast tijdens haar optreden in de Chateau, en Eels hiervoor een draai rond de oren wil verkopen, maar we vinden de weg terug voor het groepje van twee van haar huisgenoten. Mumford And Sons begon als het begeleidingsbandje van diezelfde Marling, maar groeide uit tot een onoverzichtelijk fenomeen, zo blijkt. Al vanaf de eerste akkoorden van “Sigh No More”, titeltrack van hun debuutalbum, krijst het publiek alsof Michael Jackson herrezen is. Ligt het aan de oprechte samenzang, het onbevreesde teruggrijpen naar traditionele folkmuziek, de vernuftige opbouw, de poëtische alerte teksten, de aanstekelijkheid van de alom presente banjo? Allemaal! En nog veel meer. Het charisma van de sympathieke (en sterk vermagerde) zanger, bijvoorbeeld. De hartverwarmende interactie met het publiek. En — vooral — die killer van een song die de uit duizenden kelen gebrulde hit “Little Lion Man” toch wel is. Mumford And Sons, er meewarig over doen is niet zo moeilijk, maar it’s got “perfect festival act” written all over it.

Van een schuchtere navelstaarder is Kele — genaamd Okereke, epitethon ornans: “Van Bloc Party — uitgegroeid tot een frontman met het zelfvertrouwen van een bokser. Dat de man dus onvervaard het solopad koos voor een dansplaat die van wat zelfoverschatting getuigt, mag niet verbazen. Als de andere Bloc Party-leden niet mee willen op de dansvloer, dan maar alleen — dat idee. En live werkt wat op cd nog flauw is ook: Kele bouwt een feestje zoals we er weinig hebben gezien dit weekend, en draait er zijn hand niet voor om ook het meest dansbare van zijn hoofdgroep mee te verbouwen tot Milk Inc met dat tikje meer. Het is instant bevrediging als een draaimolen voor een kleuter, en weet u wat? Wij willen nog wel een rondje op deze carrousel.

We zetten (mvs) dan maar op het echte minireuzenrad (want dat is er dit jaar, het is tenslotte de feesteditie, ahum) en beginnen zelf aan het zoveelste rondje The XX van dit jaar. Dat schouderophalende gezucht blijkt weer eens ongepast. Ze kunnen dan moegetoerd zijn, het Britse trio slaagt er telkens in de hand zo ver uit te steken dat iedereen geraakt wordt. Hun minimalisme (in gebaren, in aantal gespeelde noten, in bindteksten) is de beste methode. Nooit overbodige ballast bij The XX, altijd recht naar het hart en dat is verbluffend want alles blijft in wezen hetzelfde. “Crystalised” krijgt een omgeturnde intro en ook aan “Basic Space” en “Infinity” wordt lichtjes gesleuteld, de rest is varen op zekerheden. Dat zijn de zachte, onzekere dialogen tussen Romy Madley Croft en Oliver Sims en de jungle drums van Jamie Smith. Hunkering in muziek. Op het podium ernaast, krijsen duizenden kelen “Chasing Cars”, hier is er zelfs geen stemverheffing nodig om doeltreffender te zijn. Mooie afsluiter van dag twee.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × twee =