Portishead

Vorst Nationaal, 8 mei 2008

Het voorbije decennium heeft Portishead heel was angstzweet uit
onze poriën laten stromen: de toenemende vrees dat er nooit een
derde plaat zou komen, gevolgd door het vermoeden dat die wel eens
een zware tegenvaller zou kunnen zijn en bij aanschaf van het
concertticket nog eens de doemgedachte dat live alle chemie
verloren bleek. Edoch, het was het allemaal waard want nadat ze ons
met ‘Third‘ zo mogelijk hun sterkste plaat schonken – met
de twee concurrenten in het achterhoofd een straffe prestatie –
wisten ze ook de bijgevolg hooggespannen verwachtingen voor het
concert waar te maken.

Buiten kneep de zon nog kwistig haar laatste stralen uit over
Vorst, binnenin de bunker bracht Kling Klang je al
naar een grimmiger dimensie met een spaarzaam verlichte portie
doemende synths en drones. Op een halfuurtje hoorde we te veel van
hetzelfde, maar zo kon een opeengepakte massa transpirerende lijven
tenminste met een aan de randjes zwartgeblakerde ziel
Portishead tegemoet. Met back-up van drie extra
muzikanten maakte het trio uit Bristol hun terugkeer op een
Belgisch podium met ‘Silence’, tevens de opener van hun derde
langspeler. De inleidende soundscape is strenger dan op plaat, maar
krijgt daarmee een des te mooiere injectie van frêle menselijkheid
wanneer Beth Gibbons met de lijnen “Tempted in our minds.
Tormented in silence. Wounded, I’m afraid inside my head
” de
jarenlange stilte doorbreekt. Nog steeds snijdt deze klank door
merg en been, nog steeds weet ze in één seconde de gevoelige snaar
in iedere homp vlees binnen de minuut te vinden.

Enkele van de nieuwe nummers moeten live duidelijk nog groeien.
‘Magic Doors’ verdronk hier en daar in een te snelle ritmering,
waardoor het vocale werk als een verstekeling zijn weg dreigde
kwijt te geraken, en ook ‘The Rip’ had moeite om dat
sprookjesachtig kabbelende tempo te vinden. Toch zijn dit slechts
enkele minuscule vlekjes op een voor de rest kraaknet rapport.
Zoals verwacht is de meedogenloos minimalitische single ‘Machine
Gun’ ook live ijzersterk, maar ook het slot ‘We Carry On’ wekte een
trance op. Een anderssoortige intrige bracht de obscure
sensualiteit van ‘Hunter’ teweeg, of het prachtige ‘Threads’, dat
Gibbons langzaamaan de zelfbeheersing liet verliezen tot op het
punt dat ze zichzelf tot de “damned one” begint uit te
roepen.

Tussendoor natuurlijk ook een bloemlezing uit de backcatalogue,
waarin vooral werk uit ‘Dummy’ aan bod kwam. Hoezeer ‘Third’ enkele
sterke staaltjes opleverde, was het toch bij de oude nummers dat
dit concert echt adembenemend werd. Het in paars licht badend
‘Mysterons’ zorgde al vroeg in de set voor kippenvel, ‘Wandering
Star’ was dankzij de sobere uitvoering des te meer adembenemend en
snerpende versies van ‘Cowboys’ en ‘Over’ zetten het bijna
huiveringwekkende kantje van het tweede album perfect in de verf.
Tijdens de bissen deed een hartverscheurend mooi ‘Roads’ ons tegen
de tranen vechten, maar dé tour de force van de set was toch ‘Glory
Box’. De rode belichting maakte het begin des te sensueler, maar
met de stemverheffing “This is the beginning of forever and
ever
” liet Portishead daar tegenover een scheut dreunende
industrial losbarsten, ondersteund door een stroboscopische,
klinische belichting, alvorens te eindigen met de terugkeer naar de
rokerige film noir-sfeer. Deze collage toonden nog maar eens de
sterkte van Portishead: de afwisseling van kilte en warmte, van
mechanische en diep menselijke elementen die elke track zo spannend
maken. Nadat ze met ‘Third’ al een instant kandidaat voor de
eindejaarslijstjes uitbrachten, was deze passage in Vorst eveneens
zonder meer impressionant te noemen. Portishead is helemaal terug
en indrukwekkender dan ooit tevoren.

Third‘ is nu beschikbaar via Universal.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × vier =