Het was een lastige keuze: blok per blok het laatste seizoen van deze serie – die meer evenement dan serie is geworden – bespreken, of wachten tot het definitieve einde en dan pas alles overschouwen. Het valt te begrijpen dat veel media kort op de bal willen spelen en voor optie één zijn gegaan, zoals veel media ook reeksen bespreken waarvan ze maar de helft ter recensie hebben kunnen zien. Maar wachten tot iets volledig afgerond is, heeft toch meer voordelen. Zeker bij dit Stranger Things, dat op een bepaald moment, na het tweede blok met kerst, online werd onthaald met ogenschijnlijk bijna evenveel gif en vitriool als de laatste seizoenen van Game of Thrones.
Nu, met een beetje afstand van een paar weken (een eeuwigheid in online tijd), kunnen al enkele zaken nuchterder bekeken worden. Alle online haat tegen aflevering 7, The Bridge, bleek voornamelijk toch van bots en trolls die een probleem hadden met de coming-out van Will. Dan dit laatste seizoen even ‘slecht’ is als die twee gewraakte seizoenen GoT? Goh, neen. Er zijn enkele vergelijkingspunten en frustraties, maar net als bij GoT valt die duik in kwaliteit best nog mee. Als je de eerste vijf tot zes seizoenen van GoT helder bekijkt, of de eerste drie seizoenen van Stranger Things, zo ongelooflijk goed was dat allemaal al niet om mee te beginnen. Het was degelijkheid verpakt in bravoure, en beide series zijn, alles goed en wel gewikt en gewogen, op ongeveer hetzelfde niveau gebleven als in het begin.
Wat beide series dan wel hebben, is de grote stijlbreuk. Het is vooral die visuele breuk die kijkers bedoelen als ze het hebben over ‘het is minder goed dan vroeger’. De eerste drie seizoenen van Stranger Things waren degelijk geregisseerd met een consistente, gedegen cameraman: Tim Ives. Iemand die zijn sporen had verdiend bij How to Make it in America, Girls en Mr. Robot, en die bijvoorbeeld belichting benaderde vanuit de set. Als er een staanlamp of een bureaulamp in het decor staat, wordt de belichting dus aangepast aan die bron. Niet dat de serie daar altijd in slaagde, maar ze ambieerde ten minste een Spielberg-esthetiek te benaderen.
Vanaf seizoen 4 kwam er een nieuwe cameraman, Caleb Heymann, met een nieuw type camera’s. Deze man had zijn beperkte sporen verdiend met middelmatig horrorwerk zoals de reeks Fear Street. Hij mocht het doen met grotere setruimte en met indrukwekkende rijen ledlampen die boven de sets hingen. Hierdoor kreeg alles een overdreven cleane, moderne retrolook en waren acteurs vreselijk uitgelicht. Alles zag en ziet er ongelooflijk vlak uit, want die nieuwe camera’s maakten elk gevoel van ruimtelijke diepte onmiddellijk kapot. Wat uiteraard de hype van de reeks goed uitkwam: er werd meer gefilmd met alle actie centraal in het shot, zodat die klakkeloos kon worden overgenomen in de verticale wereld van TikTok en consorten.
Veel commentaar handelt ook over het feit dat de acteurs te oud zijn. Maar an sich is het niet erg dat die jongens, op Dustin na, plots twee koppen groter zijn, een volgroeide adamsappel en hormonen hebben. De reeks rekt de ‘suspension of disbelief’ al vijf seizoenen zo ver uit dat dit een verwaarloosbaar detail is. Nee, wat erger is: in het eerste seizoen stoorde het niet zo erg dat die kinderen amper konden acteren. Ze waren kinderen in een fantasiewereld en dat werkte. Nu ze jongvolwassenen zijn en proberen te acteren, vallen de meesten pijnlijk door de mand. Met name Caleb McLaughlin, Noah Schnapp, Finn Wolfhard en vooral Millie Bobby Brown zijn pijnlijk gênant als hun zinnen meer dan tien woorden bevatten. De makers beseffen dit duidelijk ook, want de cruciale expositiemomenten geven ze gelukkig aan een Maya Hawke of een Sadie Sink, die wel iets kunnen.
De volwassenen lopen wat rond als decoropvulling, en jammer genoeg hebben de makers hier niet geleerd van Harry Potter of Game of Thrones: zet naast kinderen topacteurs. De beste die je kunt vinden, niet een Winona Ryder of David Harbour. Ze brengen het er al bij al niet slecht vanaf, maar ze zijn niet sterk genoeg om die bijrol te dragen. Dat vergt een ander soort acteur. Hier heb je het type nodig dat vijf banaal geschreven woorden op de juiste manier sprankelend kan uitspreken zodat de scène er staat. Nu blijven de volwassenen personages die tegen de kijker spreken, in plaats van personages te zijn die met elkaar spreken.
Toch zijn er zaken die de bedenkers van de reeks wel goed deden. Ten eerste haalden ze voor enkele afleveringen Frank Darabont binnen, wat een welkome afwisseling is met prutser Shaun Levy, die om de een of andere reden toch elk seizoen twee afleveringen mocht inblikken (vermoedelijk alle scènes met de lelijke blockbuster-esthetiek en CGI, dat zou overeenkomen met zijn povere films). Darabont daarentegen bracht zijn fijnste waarde mee als regisseur: mensen warm capteren in kamers en kleinere ruimtes. Dialoogscènes komen bij hem onmiddellijk beter tot leven. Hij bracht in dit laatste seizoen op broodnodige momenten de serie terug naar het hart: de personages. En dat er dan personages bij kwamen, maakte het net nog beter.
De Duffer Brothers, die de reeks bedachten en het leeuwendeel schreven en regisseerden, hebben die Darabont-invloed ter harte genomen voor hun lange einde. Want waar elke andere film na de dood van de slechterik zou afronden, heeft een serie als Stranger Things die Lord of the Rings-touch nodig. De personages ronden het verhaal af, niet de plot. En dat laatste halfuur tot veertig minuten tilt de serie opnieuw naar het niveau van het eerste en derde seizoen, ontegensprekelijk de beste delen.
En net omdat dat einde zo bevredigend is, kan al de rest vergeten en vergeven worden.
Stranger Things – Seizoen 5 is te bekijken via Netflix



