Als een reliek uit een vorige post-punktijd stond The Rapture vrijdagavond nog eens in Trix. Toch kon de New Yorkse band slechts bij vlagen laten horen waarom hij destijds zo opwindend was.
Hoe lang is het geleden? Lang. Zo lang dat Luke Jenner het zelf ook niet meer weet. “Wanneer stonden we voor het laatst in deze stad? Weet iemand het?” Zijn bandleden zullen het hem niet vertellen, want van de oude line-up is hij de last man standing. Het komt dan maar vanuit de zaal: het was een loeihete augustusdag in 2011, en de band had net zijn derde en laatste plaat uit. Zo lang dus.
Waarom The Rapture na al die jaren opnieuw tourt, Jenner heeft er geen verklaring voor, maar hier staan we dan, met de sterke livereputatie van vroeger in gedachten. Eerst Neil Youngs “Tonight’s The Night”, en dan de uitwaaierende opener “Confrontation”; een oudje van op eerste EP Out Of The Races And Onto The Tracks. Het is nog maar een verre echo van de strakke danspunk waar de groep later in zou uitblinken.
Dat komt wel, dat van die danspunk, maar eerst heeft “Sister Saviour” het nog wat moeilijk om op gang te komen. Hoe hard Sam Bey die discobeat ook roffelt, ze blijft net iets te laidback achteruit hangen om echt gedreven te klinken. Ook “Heaven” weet niet te overtuigen, waarmee al twee sterkhouders van dat klassieke debuut Echoes zijn voorbijgekomen zonder enige impact. Is het omdat hier vandaag slechts een trio staat? Omdat Jenner te ontspannen is geworden om nog zenuwachtige punkfunk te brengen?
Want ja, we herinnerden ons de frontman als een gespannen, gesloten interviewee, maar die zien we hier vandaag niet. De Luke Jenner van vandaag is iemand die vrolijk over het podium host, met het publiek dolt, en op het einde rozen uitdeelt, gewoon omdat hij daar zin in heeft. En dat van die strakke hits? Het kan wél, want plots schiet “Echoes” rollend en stampend uit de startblokken voor een daverende tussenspurt.
Zijn we vertrokken? Neen. The Rapture laat de bal meteen weer vallen voor een dreinend “Blue Bird”. Maar dan is er weer een rollend “Whoo! Alright – Yeah… Uh-Huh.” waarin de band weer aan de ketting snokt zoals dat enkel bij de beste post-punkbands gaat. Je hoort plots hoe ook Deadletter met deze band de muzikale invloed van Talking Heads deelt.
Ook dan echter houdt het trio dat momentum niet vast. We zitten alweer elders, met Jenner die een nodeloze Steve Millercover wil omdat hij die cassette op zijn vijftiende grijsdraaide, of een wel heel oud “The Chair That Squeaks” uit 1998, toen Jenner nog helemaal niet wist wat hij later zou worden. Klonk alweer psychedelischer dan hoe The Rapture enkele jaren later op James Murphy’s (LCD Soundsystem) DFA-label tot bloei zou komen. “No Sex For Ben” is dan weer funky ongein, ooit opgenomen voor een GTA-soundtrack.
Het venijn zit gelukkig in de staart. Eerst een hortend en stotend “Killing” dat botsend uit de boxen stuitert. Je merkt hoe hard The Rapture het toen en nu moet hebben van die op elkaar ingewerkte ritmesectie, een bas en een drum die pulseren als één lichaam. Bey en bassist Conor Kenahan doen dat even goed als het oorspronkelijke duo, en dus is het jammer dat voor eerste bis “How Deep Is Your Love” zowel die house-piano als de rollende bas van band komen, zodat Kenahan wat koebel kan tikken. Al een geluk dus dat nadien Eliane Viens-Synnott van voorprogramma La Sécurité er wordt bijgehaald voor – more cowbell! – dat instrument in afsluiter “House Of Jealous Lovers”, zodat Kenahan opnieuw die viersnaar kan omgorden voor dat triomfantelijke slotrondje.
Want natuurlijk is dat doorbraaknummer nog altijd een bommetje, maar het was weinig, en het was te laat, wanneer de groep er na krap een uur mee ophoudt. De glimpsen van de vroegere genialiteit maakten dit nostalgie voor oudere jongeren, maar een nieuwe relevantie heeft The Rapture zich hiermee niet veroverd. Daarvoor was meer nodig geweest.



