Eenzelfde ex-lief delen, en daarna vlotjes samenwerken. De menselijke natuur die jaloezie en afgunst herbergt, laat het niet altijd toe. Maar Craig Ward, Rudy Trouvé en Mauro Pawlowski bewijzen graag dat het anders kan.
Eerlijk duurt het langst, en daarom is de titel van dit plaatje goed gekozen. Want een hechte samenwerking is het niet geworden. In 2007, netjes tien jaar geleden, plaatsten de drie gitaristen hun nummers voor het eerst naast elkaar. Ook op de huidige Volume 2 zijn de drie eerder leveranciers van eigen individueel werk. Deze Pawlowski, Trouvé & Ward lijkt een forum dat dient om onbestemd werk het daglicht te gunnen. Toch hebben deze songs meer gemeenschappelijk dan je op het eerste gezicht zou denken.
Rudy Trouvé was in zijn twintigerjaren een van de wortels van dEUS. Na de tweede plaat, My Sister=My Clock, verliet Trouvé de band om zijn eigen ei te leggen. Een nest vol, blijkt later, met bands als Kiss My Jazz, Dead Man Ray, Tape Cuts Tape, Gore Slut en The Love Substitutes. Hij werkte onder andere samen met Stef Kamil Carlens, Eric Thielemans en Lynn Casiers. Maar ook Mauro Pawlowski en Craig Ward kruisten zijn pad.
Trouvé verliet dEUS en Craig Ward werd opgetrommeld. De Schot kende het Antwerpse alternatieve milieu al door op te trekken met Stef Kamil en Rudy. Hij houdt het vol tot 2005 en geeft de fakkel door aan Mauro Pawlowski. Geen onbekende, want hij had zijn sporen reeds verdiend bij Evil Superstars, Mauro & the Grooms en Somnabula. Zo kunnen we in een notendop de gedeelde geschiedenis van het drietal schetsen, die met wat goede wil de basis voor een soap zou kunnen zijn.
Craig Ward gaat van start met ambient. De rust die zo kenmerkend is voor die muziek, wordt hier danig aan het wankelen gebracht door ons in het trommelvlies te steken met schelle klanken. Vergelijk het met vingernagels op een krijtbord terwijl je lief haar kristalglas laat zingen tijdens een romantisch diner bij kaarslicht. Interessante clash, dat zeker, maar toch vooral verwarrend. Mauro neemt na twintig minuten over met een bevreemdend “Attention: Music”. Een schrikwekkend orgel en een ritme dat in water wordt geslagen, het lijkt wel Halloween in Center Parcs. Daarna, alsof we nog niet genoeg ontwricht zijn, het achttien seconden lange “Quiz Master Ghost Animal 1: The Sadness Inside”. Het is het eerste deel van een vierluik met een zeehond in de hoofdrol. Griezelig in z’n absurditeit. “Men in Sheds, pt. 1” en “Men in Sheds, pt. 2” zijn korte intermezzo’s die de druk even van de ketel nemen. Pawlowski sluit zijn set af met “In Starlight (We Must Believe)”. Denk Van Halen en Warrant, met de nodige synthesizers en opgefokte drums (en goddank een gezonde dosis Spinal Tap-humor).
Trouvé slingert tussen rust en dwang. Zo onschuldig als “May the 19th” begint, zo nerveus is “My Nerves Are Stretched So Far They Have Become Like Violin Strings”. Zijn muziek klinkt als met kwasten op een doek geverfd. Opbouwend en kleurrijk, en levendig ook.. Nog zo’n zenuwvreter is “Torch”. Gitaargeweld van eind vorige eeuw in laagjes opgebouwd op een eenvoudig drumloop. Hemeltergend bij momenten, en toch aantrekkelijk. Misschien zit die DIY-attitude er voor iets tussen, waardoor je bijna de zolderkamer kan ruiken waar deze ideeën zijn ontsproten. Of het nu soundtracks zijn, dan wel ideeflarden, interessant voer is het sowieso. Luister zeker ook naar “Opening the Window on 16th June, 2013” (de titel zegt alles ). En “Thin Can”, misschien het meest ‘normale’ nummer van de hele plaat.
De drie hoofdstukken hebben op deze plaat meer met elkaar gemeen dan je op het eerste gezicht zou denken. En dus is de plaat geen asociale samenwerking die drie soloalbums bundelt. Want zowel Pawlowski, Trouvé als Ward proberen de poten vanonder je gemakkelijke stoel te trekken. Onverwachte uithalen en hier en daar een goeie shot antigif voor wat we dezer dagen zo gemakkelijk slikken via de mainstream media. Telkens een andere invalshoek, maar steeds dezelfde opzet: je uit jouw comfortzone sleuren.