Op tour met A Place To Bury Strangers :: het dagboek van Rape Blossoms (deel 11)

Dezer dagen toert Rape Blossoms door Europa als voorprogramma van A Place To Bury Strangers. Wesley Buysse houdt voor ons een dagboek bij over de ervaringen van de band. Vandaag: het laatste deel.

We hadden maar drie uur om te slapen maar zelfs dat was niet genoeg om het rookalarm uitgeschakeld te krijgen. Onze tourlevers begeven het bijna, het echte leven begint op te spelen. Kopenhagen belooft de climax van de tour te worden waarna de ontnuchtering met een rotvaart zal intreden, hoe hard Carlsberg ons ook zal helpen bij het verzet. Jona moet al om vier uur ’s ochtends een trein nemen om zijn vlucht naar Normandië te halen, dus zal hij twee nachten op rij moeten doorsteken om dit te overleven. De tijd wordt onze vijand. Nikimo verstrakt eens te meer zijn grip in ons balpark want na een ganse nacht door te zakken moeten we ineens om elf uur in Rostock staan. Rostock ligt aan zee en Berlijn zo te zien niet. We moeten de ziel uit ons lijf reppen om elkaar op tijd gevoed en gewassen te krijgen. Pepe Dav veroorzaakt hier weer de meeste hinder, hij kreunt en steunt maar blijft dwarsliggen in zijn bedje. Hij neemt zelfs geen selfies meer. We gooien een lijntje uit maar het ketst van hem af als water over een hoender. Hij is ’t einde, heeft te hard geprobeerd mee te doen met ons, geen dagcrème kan hem nog rechttrekken. We rollen hem in onze lakens en zo de trappen af. De lakens zijn een beetje stoffig en bebloed maar we krijgen onze waarborg toch terug.

De rit richting ferry start met plankgas. We zouden in Rostock moeten arriveren om 10u49 en de juffrouw van de GPS gooit van meet af aan roet in het eten – er zou onderweg al een auto op zijn dak gaan liggen zijn. We zetten onze adelaarsogen op en bespeuren enkel maar een helikopter op het middenvak van de tegenliggers. Hulpverleners houden er een onderonsje, honderden mensen achter hen slenteren en brunchen erop los. Het is zondag en de Duitsers hebben misschien geen haast maar wij wel. De wind zit ons niet mee, de turbines draaien op halve kracht – de Vito mag geen zuchtje in de rug verwachten. Om het intellect fris te houden berekenen we de wieksnelheid van zo’n molen maar we zijn de regel van drie onderweg vergeten. Op weg naar Rostock passeren we Wittstock, Blaustock en Schwarzstock – de omgestoten kleurdoos van Duitsland. Jona haalt zijn langverwachte troefkaart voor de tour boven: de jokebeat, een app vol leuke geluidjes zoals een lachband en een roffel om een grap mee af te ronden. Hij speelt alles eens af en dit houdt hem even zoet. We blazen even uit boven waterloze urinalen en ik moet volgens Lennert op de foto met een Haribobeer. Niettemin blijft de tijdsdruk bittere ernst: volgens de kaart aan de Rastanlage zitten we nog mijlenver van de Ostsee.

Rostock telt blijkbaar meer dan één haven. Dav zit de hele tijd te roamen op Facebook en Instagram en kan in principe snel een antwoord bieden maar hij weet niet welke zoektermen hij moet ingeven. We roepen ‘ferry’ en ‘Rostock’ in koor en hij kan aan de slag met Google Maps. Hij blijft een tijdje stil en vraagt of we niet sneller kunnen. Lennert jaagt de Vito al een halfuur over de rooie dus moeten we gewicht verliezen. Al een geluk dat Dav dicht bij de schuifdeur zit. Jona schreeuwt, “GEEN STRESS GEEN PANIEK,” en trommelt nerveus op Lennerts zetel. De bordjes die de havens van Rostock uiteenlopend aangeven komen in een ijltempo op ons af. Het wordt een wilde gok en ook een huzarenstuk want een tram komt erom vragen doormidden gereden te worden, twee willekeurige mannen dragen iets verder een glasplaat over de weg én een oude man steekt nu ineens de autostrade over met zijn rollator. Gelukkig staat ‘Steven Thomassen’, onze zelden geziene mecenas en naamhouder van ons ferryticket, alsnog op bordjes aangegeven om ons in een goede richting te loodsen.

We zien de pier, de zee. Aan de slagbomen moet Lennert het ellenlange reservatienummer intikken omdat scannen niet gaat. Kostbare seconden tikken onder zijn lange wijsvinger weg. We trekken de haren uit het hoofd, bijten de nagels stuk. Alsof dat niet erg genoeg is moet hij nog het aantal passagiers van de wagen ingeven en naar goeie obsessief-compulsieve gewoonte telt Lennert dit nog enkele keren na aleer definitief ‘Vier’ in te geven. De slagbomen zwiepen hemelwaarts, we hebben het gehaald en applaudisseren er zwakzinnig op los. Dan kijken we op de klok. We hadden nog ruim een kwartier.

Opgelucht halen we ons materiaal uit de koffer en spelen een wilde set achteraan de wachtrij. We gaan hier zodanig in op dat we de rij niet zien opschuiven en opgeslokt zien worden door de muil van de Prins Joachim, de ferry die spijtig genoeg niet Bryan heet (lachband). We laden alles weer in, moeten volle petrol geven en rijden compleet opgepompt over een toevallig strategisch geplaatste schans. Op de valreep, aan boord! Mannen in fluogele hesjes stoppen ons als bloemenmeisjes wat tobacco coupons toe om taksvrij enkele sloffen te kopen en ter plekke op te roken. We zien iemand in kots stappen.

De ferry blijkt een varend IKEA-filiaal te zijn. We vreten van die balletjes en eten zalm met koffie, deel twee van ons ontbijt. Daarna pas kijken we op en rond en zien dat taksvrij shoppen een goed excuus is voor alles. Talloze bejaarden laven zich en masse aan Tuborg, ze voelen zich zichtbaar thuis en hebben precies niets beter te doen dan op een ferry te zitten. De ferry tuft tergend traag tussen telkens twee boeien in. Ik laat gespierd de balpennen rollen om dit dagboek tot een goed eind te brengen en de jongens lezen soms over mijn schouder mee. Ze noemen me asociaal en dreigen koffie over mijn schrijfsels heen te kappen of een paar vingers te breken als ik niet gauw met hen praat. We proberen dan maar een gesprek te voeren maar raken niet verder dan “Schoon weer,” “Ja, ja,” “Nu zitten we hier,” en “Dit pakken ze ons niet meer af.” Lennert vraagt of er nog veel zieken zijn.

Algauw zetten we onze eerste wielen op Deense bodem. We rijden achterwaarts van de ferry en proberen niet nog meer schade aan te richten. De zon heeft er zin in, de Baltische zee ligt er uitnodigend bij. Dav en ik willen onze zwembroek van stal halen maar een trio douaniers komt hier een stokje voor steken. Ze glimlachen maar zijn uit op bloed en dit werkt want Dav trekt al een beetje bleek weg. Lennerts laat de ruitjes rollen, onze koppen volgen straks. Ze verwelkomen ons met wantrouwen, villen onze portefeuilles en proesten onze namen uit alsof het slappe pinten zijn. De jokebeat van Jona stellen ze niet echt op prijs. Ze vragen wat we hier te zoeken hebben. We zeggen dat we muziek komen maken. Het hoofd van de douaniers lacht fijntjes. Welk genre, vraagt hij. Postpunk doet een verkeerd belletje rinkelen bij de douanier. Zijn lach verbreedt. Hij komt dichter, vraagt of we drugs bijhebben. “Neen, we hebben enkel Dav bij,” zeggen we. We mogen rechtsomkeer maken en nog een beetje wachten terwijl de OKRA-colonne landinwaarts trekt naar de brouwerij van Carlsberg. We slaan een praatje met andere vermeende dealers en terroristen en besluiten Dav’s tanden uit te slaan mocht hij ons nu eens goed liggen hebben, maar we verstommen als we de massieve drugshond tussen de auto’s zien opduiken en een kindje aan flarden zien scheuren. De voering en vulling vliegen langs alle kanten, het was maar een kinderzitje. Het blond vrouwtje die hij aan de leiband meesleurt probeert hem met een schouderklopje beter af te stellen. We moeten uitstappen en onze pinata begint te huilen. Gelukkig is de drugshond verkouden en kunnen we zonder kleerscheuren verder. We zetten wat reggae op en hangen de vlag van vrijstad Christiania uit. De blik van de douanier blijft ons eenzaam volgen over de velden waarin windstille silhouetten van lopende honden, de vogelverschrikkers van dienst, even machteloos als hem toezien op de toekomstige ravage.

Als Denemarken het lappendeken is waar je al je hele leven in wil nestelen, dan is vrijstad Christiania in het hart van Kopenhagen het stuk waar de mot zit. Vanavond treden we op in Loppen, een zaal die niet toevallig ‘de vlo’ heet. De inwoners van Christiania zijn niet zo tuk op wagens dus raken we moeilijk bij de venue. Lennert dropt Dav en mij op een plek waar je zo een mes tussen je ribben geploft kunt krijgen. Dav spreekt de taal hier en ik moet hem de dingen helpen onthouden en terug begeleiden naar de Vito want Jona durft niet omdat hij al een paar foto’s genomen heeft en dat mag hier ook niet. Ze lossen hier problemen op hun eigen manier op en hoe dat exact in zijn werk gaat weten we niet, maar we weten wel dat iemand hier zijn kaak heeft kwijtgespeeld door een granaat. Het ziet er allemaal wat ‘Mad Max’ uit – kooien worden op en neer getakeld, maskers en lompen wandelen rond, blokken hasjiesj vormen muren en mensen. Een gesprek met een inwoner van Christiania is een hele klus – het is alsof je probeert te praten met een soepje in een schedelpan. Maar Dav spreekt de helft van de tijd met een delaypedaal dus kan hij er wat van maken. Henning, de sound engineer van dienst, kruipt als een gelei op zijn fiets en rijdt de Vito tegemoet om het gevaarte door de gedrogeerde massa te escorteren. Dav en ik vrezen het ergste maar zien even later de Vito verschijnen, vol graffiti en speren. Hij staat maar een beetje in brand en is sowieso zwart van kleur dus het valt al bij al heus mee.

De jongens van APTBS komen pas laat aan omdat Bob de ferry niet wou nemen. We dachten dat ze de douane niet overleefd hadden maar de drugs zaten ‘in the red man’s ass’ en daar kon iedereen behalve Bob wel smakelijk om lachen. Ze sturen ons wandelen omdat ze nog moeten soundchecken en we maken ons snel uit de voeten. Dav ontpopt zich meteen tot Scandinavid: hij is al tien keer in Zweden, drie keer in Kopenhagen en een keer in Oslo geweest, dus is hij de kenner, de local, de eigenroemrijkeluis in de pels. Enkel de Segway ontbreekt nog om de irritatie compleet te maken. Hij gidst ons van het ene pashok naar het andere tot we hem in het Oorlogsmuseum kunnen dumpen. We wandelen langs de kades, vergapen ons aan de idyllische zichten en allesbehalve lelijke Deentjes, kopen massa’s cadeau’s voor onze vriendinnen want met Deens design kan je de bal thuis voor een tijdje niet meer misslaan. Ik trap zogezegd toevallig mijn schoenzolen kapot en koop op kosten van onze kas een nieuw paar schoenen van Camper, zo zachte met lichtgrijs daim. We beklimmen de hoogste trappen in de serres van de botanische tuin en zweten ons zodanig te pletter dat de drank er nu nog aan de ruiten kleeft. Nadien eten we iets met enkele kruimels uit de Vlaamse theaterwereld die hier nu ook voor een appel en een ei komen optreden. Dav duikt weer op met shirt van het Oorlogsmuseum, strooit flitsen in het rond en wij struikelen maar over zijn selfies tot de batterij van zijn iPhone leeg is en hij ogenblikkelijk naar het hotel wil. Kopenhagen is niet boeiend als je jezelf er niet kan vastleggen.

Na een lange dag linechecken we op de tonen van Roxy Music want Henning krijgt de handleiding van de mengtafel niet gelezen en weet niet zo goed hoe knoppen werken. We mogen hem maar één ding tegelijk vragen en pas na een tiental seconden een antwoord verwachten. Hier en daar vergeet hij een instrument maar hij is betrekkelijk fijn voor iemand met slechts één hersendrab dus zien we zijn onkunde door de vingers. Het publiek doet dit niet, ze hebben ons horen waaien vanuit Berlijn en hier mogen we niet onderdoen want de Denen smijten met Kronen. We gaan zo verzengend van start dat de joints geen vuurtje meer nodig hebben en eindigen niet voor iedereen de ziel uit zijn lijf staat of ligt te shaken. Het volk kroont ons tot de Hamlets van Loppen en de rest van de avond smeren we dit breed uit in het perplexe gezicht van de jongens van APTBS. Het is onze laatste show samen en het zal hen leren. Tijdens onze laatste momenten in de backstage probeert Oliver nog in onze gunst te komen met een grap. “Why do bears sleep in the woods?” “They’re in for-rest.” Jona’s jokebeat reageert niet. De hofnar uit New York knielt en smeekt om zijn sterrenstatus te sparen. Vanuit deze machtspositie zien we dat Olivers haardos flink uitgedund is en hij het zo al moeilijk genoeg heeft. We schenken hem genade en ik geef gul nog wat advies omtrent alopecia androgenetica. Ik verwacht hier niets voor terug maar zoals dat gaat grijpt hij ineens mijn ganse arm en vraagt me of mosterd hier en daar kan helpen. Mijn blik spreekt boekdelen. Dan vraagt hij, “Should I shoot myself?” Ik lees de wanhoop in zijn ogen en zeg, “As a doctor, I’d say no, but as a friend …” Hij knikt nederig en beklimt het schavot.

We sluiten Loppen af en zijn even een voet verwijderd van de dood wanneer we de wankele laadkooi boven de beestachtige inwoners van Christiania betreden. We kijken met de schrik op het lijf de dieperik in. Op dit uur ziet het er wat uit als een kruising van een Star Wars-set met het Baudelopark tijdens de Gentse Feesten, zeker nu pusher Thomas van de partij is. Pusher Thomas ziet eruit als een Chewbacca met een egale borsthaargroei en beschikt over het mooiste gebit van Noord-Europa. Hij is een goede vriend van Lennert en ook een beetje van mij sinds een aantal Gentse Feesten en woont nu in Kopenhagen omdat hij daar betaald wordt om computergames te spelen en series op Netflix te kijken. Onze koopwaar is op vier platen na volledig uitverkocht en van al dat toeren en tellen wordt een mens al eens moe. Pusher Thomas komt ons hier gelukkig mee helpen en adviseert ons om dit met hem in het Deense nachtleven te investeren. Eerst moeten we nog afscheid nemen van de jongens van APTBS. Dit begint met vage knuffels en schouderklopjes maar eindigt al snel in een melig testbeeld vol zweet en mannenlijven. We nodigen hen uit om binnenkort naar de 019 af te zakken, waar we ons nieuwste en hoogst originele project zullen realiseren – ’24 Hour Dave’, vierentwintig uur lang elke seconde een andere selfie van Dav, een waanzinnig spektakel van 86400 selfies in totaal. Hij komt er nog 122 tekort. De jongens van APTBS gingen er nog eens over nadenken. Onze vans verlaten hand in hand Christiania. Erbuiten kunnen we hen slechts met grote moeite afschudden.

Het is al laat maar het moet nog later worden want Jona moet zijn trein nog halen rond vier uur ’s nachts. Pusher Thomas leidt de weg door de stationsbuurt. Vele vrouwen komen ons jobs aanbieden maar we zwemmen al in het geld dus knikken we neen en zeggen vriendelijk “Tusind tak.” We gaan iets drinken in Spunk Bar. Buiten ligt er vers bloed op de stoep maar binnen is het gezellig. We raken aan de praat met enkele Noren en treffen zo de eerste persoon aan die Rape Blossoms onvoorwaardelijk een goede groepsnaam vindt. Ze heet Elisabeth, ziet eruit als die van The Knife en zingt jazz dus dat wil al wat zeggen. In zekere zin zijn we speciaal naar Kopenhagen afgezakt om haar te vinden en onszelf bevestigd te zien, dus in naam van de groep (en ook opportunistisch zoals ik ben) draai ik haar halvelings binnen wanneer we weer verder moeten. Dit vindt ze minder leuk. Ik zeg snel “Tusind tak,” daar kan ze toch niets op tegen hebben.

<^>Jona’s trein nadert. Lennert moet dringend pissen en vraagt zich af of hij dit kan in de lobby van het hotel. In principe is dit mogelijk maar we weerhouden hem ervan. We zoeken het station op en gaan samen met Jona wachten op het perron. Het is koud, Kopenhagen doods. Intussen moet er iets gebeurd zijn met Dav. Hij was even uit het zicht verdwenen maar komt nu als een beroofde dronkeman op ons af. Een forse kerel heeft in een waas dertig euro aan hem ontfutseld, maar gelukkig heeft hij de rest van zijn portefeuille ongemoeid gelaten. Hij zegt zeker te zijn dat hij het gewoon niet bij het verkeerde ‘happy end’ heeft gehad. Zijn ogen staan wijdopen en blinde paniek heeft hem volledig overmeesterd. Jona schreeuwt “GEEN STRESS GEEN PANIEK,” laat prompt zijn trolley achter en duwt ons ruw voor hem uit, terug de stad in. Wil hij het geld terug of gewoon niet alleen naar de luchthaven? Hij laat ons geen adem om dit te bevragen, en voor we het weten zitten we weer in de Vito. Het hotel kan onze rug op. We zien pusher Thomas intussen nog onze winst met grote passen in veiligheid brengen. Veel vrienden hebben we niet maar als je sommige bezig ziet, weet je meteen dat ze echt zijn.

We scheuren door een duister Denemarken. Er is iets onder het lappendeken gekropen, de velden woelen erop los. De silhouetten van de honden zijn niet langer windstil en draaien dol rond in de schichten van onze koplampen. We verwachten elk moment dat die ene douanier maniakaal uit de gracht komt gesprongen en onze koppen alsnog zal doen rollen. Jona speelt de hele tijd met de jokebeat om de sfeer te redden maar de batterij van zijn iPhone loopt zo snel leeg dat de klanken er vervormd uitkomen. De horror komt pas aan zijn eind wanneer de Vito de slagboom als een snoepstok doormidden breekt en we op de pier tot stilstand komen. Helaas is ons ticket enkel geldig in Rodby en niet in Gedser waar we nu staan. Dit mocht Nikimo ons wel eens laten weten. We maken rechtsomkeer en moeten nu weer de douane passeren, ook al hebben we het land niet verlaten. We leggen halsoverkop het misverstand uit en de douanier van dienst kan onze stupiditeit niet volgen, zijn circuit smelt voor onze ogen. Zeventig kilometer lang is de spanning weer te snijden tot we via Rodby op het dek van de ferry staan. Mannen in fluogele hesjes stoppen ons als bloemenmeisjes wat tobacco coupons toe om taksvrij enkele sloffen te kopen en ter plekke op te roken. We zien iemand in kots stappen. Boven hijsen talloze oude mensen Tuborg. Ze lijken allemaal op elkaar en ook wat op de vorige. De crew ziet er op dit uur bleek uit, alsof ze veel te vroeg zijn opgestaan of nooit geslapen hebben. Op volle zee valt ons bereik weg, de ferry schommelt iedereen tussen slapen en waken in. Dav gaat buiten wat roken, Jona de taksvrije shop checken, Lennert de sloten van de Vito nog eens controleren. Ik blijf nog wat schrijven tot ook mijn Bics het begeven. In de taksvrije shop zijn er helaas geen stylo’s te koop maar wel veel handtassen, parfum en paletten vol Tuborg. Ik kan Jona nergens bespeuren, het enige wat in zijn buurt komt is zo’n mannetje van M&M’s aan een drumstel. Dav staat binnen noch buiten, ik vind enkel een verdwaalde orthopedische schoen in de douche. In het ruim staat de Vito mooi hermetisch afgesloten op zijn plaats, Lennerts pluimen of Allstars steken nergens boven of onder uit. Ik ga terug aan tafel zitten en wacht tot ze vanzelf komen opdagen maar lang houd ik dit niet vol. Ik kam de ferry uit maar kan hen nergens terugvinden. Ik vraag wat rond maar niemand kan iets aan mijn gebrabbel vastknopen – enkel ‘Tusind tak’ levert me soms een glimlach op. De bejaarden zitten me beaat aan te kijken en nemen eindeloze teugen Tuborg. Uit pure verveling behandel ik er een paar maar hun problemen keren telkens terug. Buiten twijfelt de zon al een hele tijd tussen opkomen en ondergaan. Nergens is er land in zicht. Ik heb geen benul meer van de tijd en ga moedeloos buiten staan met een fleecedeken van Carlsberg over me heen. De ferry tuft tergend traag tussen telkens twee boeien in.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf + 17 =