PUKKELPOP 2013: Marquee :: Donderdag 15 augustus

Er wordt hier en daar wel eens gejammerd dat Pukkelpop de laatste jaren te veel dance en elektronica programmeert op plaatsen die níet de Boiler Room zijn, maar in de Marquee was daar vandaag alvast weinig van te merken. Integendeel: met een wannabe-Beatle, een eighties gitaaricoon en véél snarengerammel was dit de ideale hangout voor de rockers.

De vette vijftien van Pukkelpop:

Wie meer Pukkelverslag wil, klikt voor de langere verslagen van de vijftien beste concerten hieronder.

De afknapper

“Deze groep zou nog beter klinken als de zanger zijn hoofd uit zijn eigen achterste zou halen”, toeterde (lt) ons afkeurend in de oren, en ze had gelijk. De volstrekt neerbuigende rockstarpose van Carson Cox, zanger van Merchandise, was redelijk onverdraaglijk, maar muzikaal wilde het een paar nummers lang wel vlotten. We horen goeie gitaren en aardige melodieën; gruizige noisepop waar wij op een onvermoed moment zelfs een half Stone Rosesritme in ontwaarden. Helaas houdt de groep dat niet vol, en slaat hij al gauw aan het zwalpen. “Wisselvallig” is het adjectief dat we daarvoor klaar hebben staan. Welaan dan.

En we mochten de twijfelachtige adjectieven nog niet meteen opbergen: minder pose maar zeker zo veel onvastheid bij Parquet Courts en Surfer Blood. Allebei gingen ze de mosterd halen in de jaren negentig, de eerste bij bands als Pavement voor een rammelende portie punkrock, de tweede eerder bij de vrolijkere kant van Weezer. Helaas ook allebei met wisselend succes: Parquet Courts had te kampen met een geluidstechnicus die alle gitaren naar de voorgrond wilde duwen (de puristen zaten werkelijk overal), waardoor zelfs het anders zo aanstekelijke “Borrowed Time” nogal gezwind de grond in geboord werd. Het hielp ook niet dat de band voortdurend zelf bleef twijfelen tussen lekker rammen en dreinerige, uitgesponnen songs die elke vaart uit het optreden haalden.

Surfer Blood had het daarentegen vooral aan John Paul Pitts te danken: de in een veel te strakke jeans en hemdje op kindermaat gewurmde frontman bleek het nogal moeilijk te hebben met zijn zanglijnen, waardoor hij net iets te vaak naar lucht moest happen en wanhopig naar de toonladder bleef grabbelen. Hij tekende ook voor het ongemakkelijkste publieksmomentje van de dag: door de eerste rijen banjeren terwijl die eigenlijk niet echt mee zijn, is al niet zo’n goed idee, en vervolgens plat op de grond gaan liggen is óók niet bevorderlijk voor de sfeer. Zonde, want wie zomerse rammelsongs als “Gravity” en “Swim” uit de mouw kan schudden (al hielp “Sweet Jane” bij dat laatste ook wel een handje), scoort altijd vlotjes punten bij ons. Sympathieke nerds, daar niet van, maar op die paar uitschieters na toch vooral ook weinig memorabele nerds.

Afgaand op z’n look, was Miles Kane graag een Beatle geweest, en ook muzikaal tapt hij uit dat vaatje. Serveert hij dus: errrrrg traditionele Britse rock volgens het boekje, waar een denkbeeldige Paul Weller in de coulissen ongetwijfeld goedkeurend bij staat te knikken, maar waarbij wij vooral knikkebollen. Single “Rearrange” klinkt nog aardig, maar even later moeten we al een fucking “lalala”-refrein slikken, en laat Kane een halve non-song ontsporen in loos geram. “Miles Away” klinkt het nog in het eindelijk zeldzaam goede “Come Closer”, en dat klopt: zover droomden we te kunnen zijn.

Hij had een witte bloem in de mond geklemd én eentje op zijn gitaar. Johnny Marr — scherper en vitaler dan Morrissey de laatste jaren — kwam met gevoel voor dramatiek en liefde voor zijn oude groep The Smiths het podium van de Marquee opgewandeld. In de hoogdagen van die groep, ja we schrijven nog eens jaren tachtig, belandden er wel eens wat gladiolen op het podium. Voor zijn gebalde set kon Marr slechts grasduinen in één middelmatige solo-cd; “The Messenger” en “Upstarts” bleken toch nog steeds miskende singles en zouden in een andere wereld zomerhits op MNM blijken. Het werd ruimschoots goedgemaakt door de injectie van vier uitstekende Smithssongs en een prima gekozen cover (“I Fought The Law”). Het vroege “Stop Me If You Think You’ve Heard This One Before” (beter zal een gitaar niet klinken tijdens deze driedaagse) kreeg een enthousiast herkenningsapplaus van zeker vijf mensen in de half gevulde tent en “Bigmouth Strikes Again” klonk nog even kwaad als toen-weet-u-wel. “How Soon Is Now?” en vooral een glorieus “There Is A Light That Never Goes Out” zorgden voor een knock-out zonder weerga.

Het laatste woord was hier vanavond aan Godspeed You! Black Emperor, en die, zo is geweten, hebben het niet voor kort en bondig. Anderhalf uur hield het achtkoppige gezelschap een steeds schaarser publiek geboeid met zijn donkere apocalyptische symfonieën. Daarbij werd niet voor de gemakkelijkste weg gekozen. Zo werd “Hope Drone” tot een half uur gerekt, en passeerden “Mladic” en “Blaise Bailey Finnean III” bijna onherkenbaar. Toen de groep vervolgens weer meer dan dertig minuten lang aan het nog niet aan plaat toevertrouwde “Behemoth” begon — een hermetisch, niet naar de traditionele climaxen toewerkend stuk — werd het helemaal slikken. Pas helemaal aan het einde, met “The Sad Maffioso”, brak dan toch een straaltje licht en wat melodie door de duisternis; te laat om van dit optreden nog een verpletterende ervaring te maken. Een beetje jammer.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 − elf =