Jenny Scheinman :: Mischief & Mayhem

Jessica Lurie deed het enkele maanden geleden al met Megaphone Heart en nu is het aan violiste Jenny Scheinman om die stunt — het bij elkaar brengen van avant-garde en folkpop — te herhalen. Dat lukt hier regelmatig met knappe resultaten, op voorwaarde dat je je verwachtingen opzij zet.

Met figuren als Nels Cline (gitaar) en Jim Black (drums) zou het immers wel eens kunnen leiden tot een tegendraadse improvisatiesessie die de gemiddelde popliefhebber de gordijnen in jaagt. Dat die momenten er niet van komen, of toch niet in die mate dat er beschutting gezocht moet worden door delicate zielen, is dan misschien weer een streep door de rekening van zij die op onvervaard avontuur zaten te wachten. Zoals het er nu voor staat, is Scheinman erin geslaagd om een album te maken dat de werelden van jazz, folk, pop, improvisatie en (nu en dan) wereldmuziek verbindt tot een smaakvolle en elegante melange die enerzijds net aaibaar genoeg is om liefhebbers van volk als Madeleine Peyroux en Ani DiFranco aan te trekken, en anderzijds ook de volgers van het New Yorkse experiment.

Net als bassist Todd Sickafoose zat Scheinman al in de scène rond figuren als Difranco, maar ze heeft wel meer op haar palmares staan. Zo zat ze niet lang na haar aankomst in New York, een periode die aanvankelijk vooral werd doorgebracht met busken, al met twee albums op Zorns Tzadik-label, maar in de loop der jaren werd Scheinman een veelgevraagde muzikante en dook ze op aan de zijde van o.m. Bruce Cockburn, Nora Jones en Marc Ribot. Deze zomer schitterde ze op het Newport Jazz Festival nog naast Bill Frisell met een John Lennon-programma en vorig jaar mocht ze de strijkersarrangementen op zich nemen voor Lulu, de samenwerking van Lou Reed & Metallica. Al is dat misschien iets dat best niet op een cv terechtkomt.

Kortom: Scheinman is thuis in vele werelden en heeft alles in huis om die te verenigen. In de meeste stukken lukt dat vrij goed en het is meteen ook prijs in opener “A Ride WIth Polly Jean”, dat uitpakt met een Balkanachtige melodie, een lichte swing van Sickafoose en Black, en een mooi gedetailleerde productie, waarin ook een sleutelrol weggelegd is voor Cline’s subtiele gitaareffecten. Even eclectisch en geslaagd is “Ali Farka Touché”, waarin daadwerkelijk een link met de muziek van de Malinese grootmeester wordt gelegd, vooral dan door het gekapte gitaarspel van Cline, dat hier een sierlijke dans uitvoert met het vioolwerk van Scheinman.

Voor wie het vooral heeft voor potige songs die zich in het braakland tussen Frisells Americana en avant-pop ophouden, zijn er ook een paar prima tracks: “Blues For The Double Vee” teert op een fijne elastische rockgroove en haalt uit met een knetterende solo van Cline, terwijl afsluiter “The Mite” het nog net iets beter doet, iets krachtiger is ook, en Cline nog meer vrijspel geeft. Die is bovendien ook de held op meer experimentele tracks, zoals het hoorspel “Sand Dipper”, waarin de gitaar zowaar orgelallures krijgt, en “Devil’s Ink”, waarin schimmige echo’s opduiken en weer oplossen, tot afgesloten wordt met een bruisende finale.

Het is in de meer uptempo stukken dat het kwartet het meeste indruk maakt, want de twee trage stukken “The Audit” en “July Tenth In Three Four” weten de aandacht niet helemaal vast te houden, ondanks het fijnmazige samenspel. De overrompeling die beloofd werd door de ijzersterke live reputatie die het kwartet intussen heeft opgebouwd, wordt op Mischief & Mayhem dus niet helemaal ingelost, maar in z’n beste momenten — de opener, de afsluiter en “Devil’s Ink” — laat de band wel horen dat er meer dan voldoende potentieel in zit om er nog een paar ijzersterke vervolgen aan te breien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × vijf =