WERCHTER 2011: Portishead :: zaterdag 2 juli, Main Stage

Herman, Herman, Herman. Wat dacht je toch toen je Portishead net voor Coldplay zette? Een hardnekkige en onverwachte poging tot volksverheffing? Of toch maar gewoon ondoordacht programmeerwerk van een volbloedliberaal? Het was in elk geval geen cadeau voor de Britse groep, maar wie er dan toch in slaagde zijn buren het zwijgen op te leggen, kreeg een bloedmooi concert.

Ooit hebben wij Portishead Pukkelpop zien afsluiten, in een tijd toen groepen die “ooohoooh”-refreinen schreven nog werden weggelachen. Het was groots en klassevol. Echt angst dat de groep dat grote podium niet zou aankunnen, hadden we dus niet. Maar er waren betere omstandigheden denkbaar dan een wei vol taterende of — jawel — “ooohoooh”-scanderende brulkikkers. Nu, naar het schijnt was het in de frontstage (Spottende dansjes! Nog meer “ooohoooh”!) nog erger, dus laten we vooral niet te hard klagen: Portishead veegde met dat soort respectloos gedrag de vloer aan.

De krautrockgroove waarmee “Silence” de set aftrapt, knalt de boxen immers uit op een manier die de aandacht wel moet vatten. De mechanische beat dendert voort, een gitaar voegt melancholie toe, en dan is er die stem. Nog steeds heeft zangeres Beth Gibbons immers die enorme présence door te schitteren in bescheidenheid: ze staat wat ineengedoken voor haar microfoon, draait zich tussen elk nummer met de rug naar het publiek, maar eenmaal die mond opent, trekken rillingen in rijen van drie over je ruggengraat.

De essentie: Gibbons is de melancholie in persoon, Portishead niet meer dan een vehikel om die vorm te geven. En dezer dagen werkt dat weer. De betovering van “Mysterons” — de geheimzinnig openbloeiende stemklanken waarmee debuut Dummy ooit begon — is ongebroken. En rond Gibbons weeft de band zijn klanken; toetsen- en knoppenman (zeg maar: het Portisheadbrein) Geoff Barrow laat de beats knallen, vervormt Gibbons’ stem met zijn machines, terwijl gitarist Adrian Utley op gepaste momenten wat vlees toevoegt.

Met “Sour Times” is het even opnieuw 1995 en triphop het snoepje van de dag. De lome sample, de tristesse van Gibbons — niemand komt zo geloofwaardig weg met “Nobody loves me” zonder zielig te klinken –, het staat bijna buiten de tijd, net als het je langzaam van binnenuit opvretende “Roads”. Goddank begint niemand mee te klappen. Er zijn al voor minder banvloeken afgeroepen.

De ratelende drums van “Machinegun” snoeren elke heckler sowieso de mond; dit heeft tanden genoeg om vervelende toeschouwers “How about a nice cup of shut the fuck up?” toe te bijten. Een afsluitend “We Carry On” — een en al daverende groove en jachtige gitaar — zet op dat vlak nog een laatste maal de puntjes op de i: Portishead en een groot podium zijn gerust voor elkaar gemaakt. Maar men moet ze ook laten doen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 − 1 =