Hazmat Modine :: 8 juni 2011, Théâtre Molière (Brussel)

Volk uit de imperialistische Verenigde Staten op het wereldmuziekpodium van Théâtre Molière? Ja natuurlijk, want New York is Amerika niet en het achtkoppige Hazmat Modine speelt een rootsvariant die zo veel kleur bevat en zo veel kanten tegelijk op stuitert dat je al een muziekhater moet zijn om niet op z’n minst wat goedkeurend mee te wiegen. Maar liefst tweeëneenhalf uur lang bewees de band dat er geen maat staat op z’n creativiteit, virtuositeit en aanstekelijke energie.

Het helpt ook dat de band aangevoerd wordt door een enthousiaste vent als Wade Schuman, die zich vanaf de eerste tot de laatste noot in het zweet werkte, ronddanste en, net als z’n collega’s, soms behoorlijk virtuoos uitpakte. In zijn geval is dat vooral met de mondharmonica, een instrument dat hij deelt met Bill Barrett (die naast de diatonische harmonica ook nog eens de chromatische variant bespeelt). Maar de band heeft troeven zat: met twee uitstekende gitaristen (waarvan er eentje dubbelend op lap steel), een drummer, een trompettiste en een saxofonist heb je al een rijke, voluptueuze sound. En dan is er nog Joseph Daley, die een van de strafste albums die we het voorbije voorjaar hoorden (The Seven Deadly Sins) op z’n naam heeft staan en met z’n pompommende sousafoon de afwezige bas deed vergeten, maar ook zo veel meer dan dat deed.

Wat een gretige én ontspannen musicerende bende ook. Je zag acht virtuozen aan het werk, die ook herhaaldelijk uitpakten met hoogstandjes, maar op geen enkel ogenblik had je het gevoel dat er een showtje werd opgevoerd, dat het technische overwicht kreeg op de soul. Hazmat Modine doet dan ook heel wat meer dan zomaar songs reproduceren. Hoewel die stukken meteen herkenbaar zijn, worden ze meer gezien als een basis om op verder te bouwen dan als structuren die slaafs gevolgd dienen te worden. Daardoor gebeurde het meer dan eens dat songs die op het recent verschenen Cicada gewone poplengtes van drie-vier minuten hebben in de liveversies verdriedubbeld werden qua lengte. Hoewel het gaat om een uitgesproken rootsband wordt daarbij vaak de jazztactiek gevolgd, met improvisaties/solo’s op een thema en uitwisselingen in kleine groepjes.

De blues is misschien wel de fond van de sound, maar wat er aan toegevoegd wordt bevat werkelijk iets uit alle windstreken: zit je opeens richting feestelijke New Orleans-muziek te denken, dan sturen ze je even later naar de reggaegetinte pop (“So Glad”), de Bayou swamps (“Child of A Blind Man”) of op weg naar oude swing. Vooral door Schuman, die voortdurend speelde met vocale registers en geluiden, kreeg je steeds andere invalshoeken: deed het nu eens denken aan Randy Newman en de blue grass, dan klonk hij iets later bezopen als Screamin’ Jay Hawkins of onnozel als Slim Gaillard. En de muziek evolueerde mee en speelde leentjebuur bij doo-woop en soul, bij echte wereldmuziek (saxman Elson deed het bijvoorbeeld ook op de Armeense duduk), zwierige latin die wat deed denken aan Marc Ribots Cubaanse project. Kortom: van Memphis naar Chicago, naar Havana en terug, met hints naar Europese en Afrikaanse tradities

Mooie bonus waren de gasten die het podium opgeroepen werden: Steven De Bruyn (The Rhythm Junks, El Fish, etc) bewees o.m. tijdens een geinig “Buddy” nog maar eens een muzikant van wereldformaat te zijn, terwijl de verschijning van koraspeler Bao Sissoko de zaal ei zo na een collectief orgasme bezorgde. Maar zijn spel op het 21-snarige sprookjesinstrument was dan ook een enorm mooie toevoeging. Mooist van al was misschien wel het minutenlange, minimalistische duet dat hij speelde met Daley, die wonderbaarlijke dingen deed op de sousafoon, een notoir moeilijk te bespelen instrument. Maar er waren nog van die memorabele momenten: de vele sparrings van Schuman en Barrett, de kromme, met de chaos flirtende gitaarsolo’s van Pete Smith, de melodieuze trompetsolo’s van Pam Fleming: het was allemaal zo gul en meeslepend. En vooral: het was elke keer weer raak.

De muzikanten lachten, dansten, moedigden elkaar bewonderend aan en zorgden met uit hun voegen barstende versies van “Two Forty Seven” (Tom Waits zou het fantastisch gevonden hebben) en het met falsettozang volgestouwde “I’ve Been Lonely For So Long” voor hoogtepunten die we niet snel zullen vergeten. Toen “Man Trouble Blues” na ruim tweeënenhalf uur het concert afrondde was het dan ook moeilijk om niet even te blijven zitten en uit te puffen. Toegegeven, het was lang, vooral ook door de enorme muzikaliteit van de hele band, maar het was doordrongen van zo’n aanstekelijke speelgoesting dat je niet anders kan dan concluderen dat Hazmat Modione zo’n band is die perfect laat zien waar het om draait: het live-gebeuren.

Een cd’tje opleggen is heel plezant, en Cicada (waarop trouwens ook samenwerkingen te horen zijn met Nathalie Merchant, het Kronos Quartet én de Gangbé Brass Band van Benin) is een verstandige optie, maar een buitengewone band is in staat om dat op een podium, en voor een dankbaar publiek, allemaal nog een paar niveaus hoger te schoppen. Zoals Hazmat Modine op 8 juni in Brussel. In de rootssector, maar eigenlijk ook daarbuiten, is dit een van de hoogtepunten van het jaar, getuige daarvan de ravage die de konten aanrichtten aan die pluchen stoeltjes.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf − twee =