Steven De Bruyn, Tony Gyselinck & Roland Van Campenhout :: Fortune Cookie

“(…) vaak halfslachtige en al te vrijblijvende experimenten met en tussen blues, jazz, funk en wat elektro (…)”. Veel verder kwamen we niet nadat we dit trio live aan het werk zagen dit voorjaar. Had de band een offday? Stond hij daar niet op z’n plaats? Of had iemand misschien iets in onze drank gedaan? Nu we het album horen, vallen de stukjes plots wél in elkaar en wordt duidelijk waar het trio heen wil.

We gaan deze heren niet nog eens introduceren. Doen die namen geen belletje rinkelen, ga dan gerust nog wat eendagsvliegen uitroepen tot redders van de rock-‘n-roll. Wat er ook van zij: zelfs ondanks het eclecticisme dat de som van deze drie met zich meebrengt, overtreft het uiteindelijke resultaat toch alle verwachtingen. Zoals verwacht zoekt Fortune Cookie het tussen blues, funk en studio-experiment, maar dan met een scheut bayouzweet, een shot cajun, een snuif voodoojazz en wat vuile manieren als smaakversterker.

Het is geen avant-garde, maar het heeft meer gemeen met Beefheart dan met Tony Joe White, en er zit meer Little Feat dan Howlin’ Wolf in. De gelijkenis met het rariteitenkabinet van Johnny Dowd is soms bijzonder sterk: ook hier heb je een kerel die op een vunzig toontje teksten bazelt (Roland doet bij momenten een heel overtuigende vetzak) tegen een achtergrond van afwisselend kitscherige, aangebrande en ongemeen ranzige bluesfunk. Van een fletse bluesrevival is hier geen sprake, de gemiddelde bluespurist krijgt hier ongetwijfeld het brandend maagzuur van.

’t Zit hem vaak in die merkwaardige ritmes en de klank. Gyselinck bespeelt zowel klassieke als elektronische drums, wat het kleurbeeld een retrofuturistisch randje geeft. De Bruyn is een harmonicavirtuoos, misschien wel de grootste die we na Toots Thielemans gehad hebben, maar ook hij werkt evenzeer met klankkleur en effecten: herhaaldelijk (zoals in “Reinvention”, als hij het ding doet klinken als een theremin) vraag je je af waar die geluiden in godsnaam vandaan blijven komen. Het is het soort manipulatie waar in eerste instantie een fenomenale instrumentbeheersing voor nodig is. En sommige songs (“She Knows How”) klinken zo bezopen dat je je gaat afvragen welke verruimende drugs er aan te pas moesten komen. Of hoe die zithoek er de ochtend erna uitzag.

Maar het moet gezegd: wat je bovenal onthoudt, is de pure inventiviteit waarmee de drie aan de slag gaan. De blues klonk zelden zoals in “Boots & Bitches”, terwijl “King Kong At The Lunapark” (zijn dat Moog-pedalen?) wellustig tekeergaat in een speelhal voor perverten of zwalpend en lallend tussen Gainsbourg, Johnny Dowd en Barry Adamson. Veel gekte, en ongetwijfeld een feest om in elkaar te knutselen in de studio, maar gelukkig ook met voldoende klasse om het zootje niet helemaal uit de hand laten lopen. Soms vang je immers een glimp op, die je laat weten dat het trio in een vingerknip ook zou kunnen overschakelen naar een klassieke bluesset.

“Tiny Tiny” is zo bijvoorbeeld een verrassend conventioneel, bloedmooi pareltje tussen al die zwijnerij. Idem voor het eerste deel van “Spider On My Face”, dat ter compensatie van “Teeth Grinder”, de band uitgeleide doet op een iets conventionelere wijze. Uiteindelijk is het echter de unieke excentriciteit die zal bijblijven, want met Fortune Cookie zijn De Bruyn, Gyselinck en Van Campenhout er in geslaagd om een plaat te maken die schippert tussen avant-blues en zompige kitschfunk-met-jazztwist en die nog eens goed klinkt ook! We moeten er niet aan denken wat dat in handen van mindere muzikanten zou opgeleverd hebben. Te eigenzinnig voor een groot publiek, maar ongetwijfeld een van de meest eclectische Belgische platen van het jaar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − veertien =