Trio BraamDeJoodeVatcher :: Quartet

Voor zijn twintigste verjaardag trok een van Nederlands meest gerespecteerde avant-trio’s in 2009 de hort op met een map vol nieuwe composities. Een aantal gasten werden uitgenodigd om mee te spelen (vandaar de titel). Het resultaat is een boeiende trip van bijna twee uur.

Pianist/leider Michiel Braam zorgde voor de composities en wie ooit al in contact is gekomen met de man weet ongeveer wat te verwachten: een spel van verrassingen waarbij oud en nieuw gecombineerd worden. In onvervalste ICP-traditie is Braam immers een muzikant die niet vies is van een zekere lichtvoetigheid en humor in zijn muziek. Hij bouwt verder op vooroorlogse swing en maakt gebruik van speeltactieken uit de moderne improvisatie. Het zorgt ervoor dat de muziek zowel een uitdaging vormt als een houvast biedt, zeker als hij ondersteund wordt door veelzijdige partners als bassist Wilbert DeJoode en drummer Michael Vatcher.

De composities van Braam werden verzameld in een "Q-book" (waarvan trouwens een gratis pdf-exemplaar aangevraagd kan worden), basisstructuren die konden dienen als startpunt. Bevriende muzikanten die ze op hun weg tegenkwamen, mochten naar hartenlust composities uitpikken en repeteren om ze dan met het trio uit te voeren. De enige uitzondering is rietblazer Paul Dunmall, die wilde vertrekken vanuit de pure improvisatie. Het resultaat ("Q41") mag echter gehoord worden. Het begint met een notenwaterval van Braam, maar al snel zorgt Dunmall — op sopraansax en doedelzak! — voor een bezwerende sound die terugvoert naar het werk van Alice Coltrane met Pharoah Sanders.

De andere gasten krijgen ook de kans om hun persoonlijke stempel op het geheel te drukken. Zo is op vier van de stukken de in Nederland verblijvende blazer Michael Moore te horen. Hij zorgt hier alleszins voor het meest conventionele (of beter gezegd: makkelijkst in het gehoor liggende) weerwerk, wat hier en daar leidt tot enkele bijzonder mooie staaltjes samenspel in het braakland tussen filmmuziek, kamermuziek en lichte jazz, zoals "Q16" en "Q02" laten horen. Dat laatste nummer is bovendien ook aanwezig in een trioversie, waardoor je de kans hebt om verschillende versies naast elkaar te leggen.

Dat is ook mogelijk met "Q01", dat trompettist Taylor Ho Bynum en saxofonist Peter Van Bergen spelen. Beide versies zijn donker en bluesgebaseerd, maar het is Ho Bynum die op z’n trumpbone (een bastaardzoon van de trompet en trombone?) zorgt voor een van de hoogtepunten op dit dubbelalbum. Zijn spel is van een onaardse soort en beweegt van krachtig geschetter naar cartooneske kleine geluidjes en terug. Ook aanwezig: saxkanon Mats Gustafsson, in "Q51" zowel in abstracte modus als in post-Aylergeblaat. Het is bovendien het enige stuk dat als kwintet gespeeld wordt, door de extra aanwezigheid van klarinettist François Houle, die het stuk terugvoert naar klassieker terrein.

Van de zestien stukken worden er zes in reguliere trioversie gebracht, en ook daar is de variatie al even groot, gaande van het percussieve, in de Europese traditie verankerde "Q18", tot het met exotische ritmes spelende "Q17", het impressionistische "Q03" en het stridegebaseerde "Q08", dat de luisteraar terugvoert naar de hoogdagen van pianisten als Fats Waller. Het mag geen wonder heten dat dit naast elkaar plaatsen van zowel meer populaire als ’intellectuele’ vormen gebeurt op een plaat van Nederlandse muzikanten, die al een decennialange reputatie van speelsheid en gezonde anarchie weten hoog te houden (zie ook: Breuker, Bennink, ICP).

Kortom: deze twee uur zijn misschien wel een te excentriek allegaartje voor liefhebbers van klassieke jazz, maar wie de free jazz en improvisatie een warm hart toedraagt, die krijgt hier een prima album voorgeschoteld, dat uitblinkt in inventiviteit en diversiteit, en bevestigt dat het Nederlandse trio zich kan meten met de bekendere namen uit het buitenland.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × drie =