Mew :: 1 november 2009, Botanique

Er zijn groepen die niet gemaakt zijn voor een concertzaal. Naar verluidt was het potsierlijk om het prille U2 te zien optreden; het gebaar was te breed, het geluid kaatste te snel terug. Ook Mew vertoonde in de Botanique diezelfde drang naar hoger en groter, maar wist de grens met het ridicule gelukkig te vermijden.

“Ja, het was wel leuk om het voorprogramma van Nine Inch Nails te doen, maar dat stadium zijn we nu wel voorbij. Dat doen we niet meer in de toekomst. Voortaan willen we alleen nog headline shows spelen”, liet Mewgitarist Bo Madsen aan Ayco Duyster weten, nog voor hij het podium van de Botanique opstapte. Laat er geen twijfel over bestaan: de Deense band loopt over van de ambitie, en dat moest ook op het podium weerspiegeld worden met een bassist en toetsenist op een verhoogje, en een pompeuze intro die volledig doodviel en dus belachelijk was.

Dat Mew eigenlijk geen Oranjerieoptreden bracht, maar een op maat van de grote openluchtpodia gesneden show, wrong af en toe als een te kleine T-shirt. Maar dan nog: van Mew verwacht je niets minder dan dat ze naar de sterren reiken, wat zou een middelgrote concertzaal hun niet knellen. Wie daaraan voorbij kon gaan, zag een ander concert, dat vooral deed dromen van weidsheid, weides en een donkere hemel met kleine stipjes.

Afgaande op de twee laatste platen, had Mew een héél moeilijk concert kunnen spelen, vol songs die zich in de beste progrocktraditie van tempowisseling naar toonaardswitch bewegen. Maar de groep heeft een setlist samengesteld die het meer toegankelijke werk van doorbraakplaat Frengers combineert met het beste van dat … And The Glass-Handed Kites en No More Stories.

Het is dan ook pas live dat opvalt hoe onweerstaanbaar dat grillige “Sometimes, Life Isn’t Easy” klinkt, met dat kinderkoortje, en in de outro ook avant-gardezangeres Mari Helgerlikova, op het scherm. Het is: Coldplay met verbeelding. Een donderend “Apocalypto” krijgt ook al zo’n mooie visuals mee, en onwillekeurig hoop je dat de groep ooit nog wat theatraler zou willen worden en verder zou zetten wat The Knife op de Silent Shout-tour begon.

De ongemakkelijke manier waarop Bjerre over het podium beweegt past. Het geeft de band zijn intrigerend, ondanks al de powerplay bijna fragiel, cachet. De voorzichtige percussie, het hulpeloze “they are just as lonely, and we all make mistakes” van “Hawaii”, ze zijn even een rustpunt, net als het complexe “Saviours Of Jazz Ballet”. Bjerres onwezenlijke falset mag dan al eens even naast een hoge noot grijpen, het blijft de sterkte van de groep, als in de knappe ballad “White Lips Kissed”, dat op zijn spiegelbols openbloeit in een grootse finale.

Wat Mew zelfs in zijn wat moeilijkere momenten verteerbaar houdt, zijn steevast de ritmes. Wat krakkemikkig, maar met wiskundige precisie nog net als een groove neergezet. Alles blijft in beweging, er valt geen gat, en dus blijft het ook boeiend, zelfs als “Chinaberry Tree” zomaar wat meandert.

Het zijn echter de nummers van Frengers die het meeste enthousiasme weten los te maken. “Snow Brigade” klinkt nog steeds onontkoombaar verpletterend, “Am I Wry? No” met zijn heldere gitaren en roffelende drums blijft ook al onverslijtbaar. Het is echter in de traditionele setsluiter “Comforting Sounds” dat de groep voor het volle pond gaat. Terwijl op het projectiescherm een exploderende supernova plaats maakt voor ietwat griezelige poppetjes in de stijl van Mark Ryden, bouwt de groep onhoudbaar op. Dit is alsof Radiohead, Sigur Rós en Muse samen met LSD experimenteren: song, postrock en stadionbombast samen in één langzame ontlading.

Mew speelde nauwelijks een uur en een kwartier, maar er gebeurde minstens evenveel in als tijdens een marathonset van Bruce Springsteen. Het kon doorleefder, met meer persoonlijke investering, maar die afstandelijkheid kon niet verhinderen dat we ons maar blijven afvragen waarom deze groep niet populairder is. En dat we verzuchten dat we Mew vaker live willen zien. Wereldgroep.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − zeven =