Mew :: 12 december 2015, STUK

En zo zag ook Leuven eens een stadionshow. Eentje in het klein dan toch, want het was voor een harde kern gelovigen, in de bescheiden Labozaal van kunstencentrum STUK, dat Mew kwam, zag en een ererondje speelde om zijn Jaar Van De Terugkeer af te sluiten.

Zes jaar. Dat is de hele middelbare school, anderhalve universitaire opleiding: een half jongerenleven. Een band die zo lang wegblijft slaat minstens een generatie over, en moet hopen dat het publiek van toen nog overblijvers telt. Het was dan ook geen uitverkocht STUK zaterdagavond, wel eentje dat aardig gevuld was met wat misschien nog best kan omschreven worden als “de Belgische fanclub”; liefhebbers en overtuigden. Meer zegen dan vloek, zo zou uiteindelijk blijken; altijd fijner te spelen voor een enthousiast publiek dat meezingt en danst. En dat krijgt wat het wil: naar hun normen een greatest hitsset.

Het was vooraf nochtans maar de vraag of het grootse, op stadionmaat gesneden geluid van de Deense band niet kapot zou spatten op de muren van de niet al te grote ruimte. Die twijfel vliegt bij opener “Witness” al van tafel als een eikenblad in een herfststorm. Mew blaast, dondert en overrompelt met die binnenkomer. En meteen ligt ook de essentie van deze band te blinken als een net ontdekte diamant in de mijn. Want natuurlijk zijn die stoere, opzichtige rockposes van bassist Johan Wohlert en gitarist Mads Wegner, die de net voor de zomer vertrokken Bo Madsen vervangt, een beetje pathetisch. Toch geven ze frontman Jonas Bjerre — met zijn schelle falset één en al fragiliteit en ongemakkelijkheid als is ie op een Hell’s Angelsconventie verdwaald geraakt — een contrasterend kader. Het zijn de spierballen die hem bij de grond houden; te veel zweverigheid vermijden.

Dat risico loop je immers altijd bij deze band. Van bij zijn doorbraak in 2003 met Frengers schoot Mew heen en weer tussen twee polen: ofwel verbeeldingsvolle pop, dan wel etherische, alle richtingen uitwaaierende progrock; meer een bundeling muzikale ideeën dan strak geharnaste songs. Het is misschien geen wonder dus dat de plaat die in april die jarenlange pauze — lang geworsteld met de opnames, meneer — beëindigde +- werd getiteld, zelfs al hoor je daarop, na het eindeloos meanderende en wijdlopige No More Stories Are Told Today I’m Sorry They Washed Away // No More Stories, The World Is Grey, I’m Tired, Let’s Wash Away, eindelijk weer eens songs met begin, midden en einde. En daarvoor hebben we dan weer de bas van de teruggekeerde (twee platen lang even kinderen gaan maken, zo bleek) Wohlert voor te danken die de rest in het gareel houdt.

Ook vandaag is zijn potige, wijdbeense basgeluid uiterst belangrijk. Het geeft songs als “Satellites” en “Introducing Palace Players”, die anders doelloos ter plaatse zouden blijven trappelen, richting en drive; stuwt ze vooruit tot ze wel moeten climaxen of een onweerstaanbaar refrein moeten bereiken. “My life is my own”, zingt Bjerre in dat eerste, maar een beetje dwingende hand kan hij duidelijk wel gebruiken, zo blijkt in het oeverloos aandreinende “Rows” waarin de band zichzelf tien minuten lang zo hard verliest in breedvoerige melodieën dat ze vergeet een song over te houden.

Gelukkig is er daarna het oude duo “Am I Wry, No?” en “156” dat de teugels aan het einde van de set opnieuw strak aantrekt en tien minuten lang voor het soort pop zorgt dat Muse had kunnen maken als Matthew Bellamy niet elke avond twee uur lang samenzweringstheorieën las. Er wordt overigens opvallend vaak in dat Frengers gedoken, dat ook deze twee nummers baarde. Ook in “She Spider” klettert het aangenaam, gaat het van zacht naar explosief in nul seconden, maar het is “Snow Brigade” — één en al donderende tegenritmes, korzelige grungegitaren en een refrein dat zich niet laat vergeten — dat voor het hoogtepunt mag zorgen. Onweerstaanbaar davert het over de hoofden.

Ook op de bisronde valt geen spatje af te dingen. Met een ziedende gitaarriff en staccato drums transformeert het nieuwe “My Complications” tot iets dat niet had misstaan op het beste van Bloc Party — geen toeval gezien gitarist Russell Lissack van die band meeschreef; misschien is het wel het opwindendste rocknummer dat we in lang hoorden. Naar goeie gewoonte zorgt “Comforting Sounds” voor tien minuten droompop die doen dromen van wat Coldplay ooit had kunnen worden, mocht het ooit enige zin voor avontuur gehad hebben.

Drie keer zagen we Mew al eerder aan het werk dit jaar, telkens in een festivalsetting die nooit meer dan vijftig minuten veil had voor de band. Het zorgde voor onbeholpen, veel te korte concerten waarbij de sfeerscheppende visuals die de band normaal projecteert zwaar werden gemist. Vandaag, met de ruimte om hun songs te laten ademen, overtuigden de Denen wel. Een nieuwe plaat zou niet opnieuw zo lang op zich laten wachten, en dat is maar goed ook: afgaand op de opkomst heeft Mew veel heroveringswerk voor de boeg. Deze hoogst unieke band verdient veel meer luisteraars.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + 20 =