DOUR 2009 :: De queeste naar ander en beter

Dag drie :: Een genadeloze veldslag

Tien maal raak
Tien keer naar onze pen gegrepen om nog tijdens het concert met sterren te gaan smijten, tienmaal juichend teruggewandeld. De uitgebreide verslagen van de grootste Dourhelden leest u met één klik hieronder.

Auw, wat doet opstaan pijn. Het team is nu compleet en dat werd gisteren te uitbundig gevierd. Maar we houden ons sterk, want vanavond volgt: The Pet Shop Boys. Uitkijken dat we doen!

Maar eerst: ander, maar niet beter. Dat het op een festival steeds ondankbaar is om vroeg op de middag de wei wakker te spelen mag ook Malibu Stacy ondervinden. Op een kleine schare trouwe fans na, blijft de wei passief tijdens het hele concert van de Luikenaars. De groep geeft zich nochtans helemaal, op het aandoenlijke af, al dient gezegd dat hun indiepop tussen de hoogtepuntjes zoals “I Was Spartacus” en een goeie cover van “Needles And Pins” wel eens wat licht uitvalt. Tel daar ook nog eens een minder geluid en wat vocaal geklungel bij en je komt uit bij een weinig overtuigende passage.

Het Australische trio The Death Set heeft iets van een reïncarnatie van The Clash, maar dan met nóg meer anarchie dan tijdens de chaotische jaren zeventig. Meer zelfs: in de punkrock van deze hyperactievelingen horen ook electrosamples, hiphop intermezzo’s en een Michael Jackson-deuntje thuis. Soms is het iets te veel van het goede, niettemin: met het verstand op nul amuseren we ons rot.

Wie nog nooit van All Shall Perish gehoord heeft en de goed gevulde Magic Tent op zijn gemak binnenstrompelt, heeft het geweten. Het Californische vijftal speelt deathcore van de lompste soort en slingert honderden breaks en blastbeats naar ons hoofd. Op dit razendsnelle tempo rammen de hardcorekids tot bloedens toe hun ledematen in het bijzonder actieve publiek. Tijdens “Deconstruction” en “Wage Slaves” worden ongetwijfeld moshpitrecords in de tent gebroken. Wij willen niet sneuvelen in de genadeloze veldslag en houden het bij tevreden meeknikken, bij voorkeur op het tempo van de breaks.

iLiKETRAiNS windt er geen doekjes om: er wordt aan een nieuwe plaat gewerkt, en meteen krijgen we een hoop nieuwe nummers voor de kiezen. Geen idee over welk historisch onheil zanger David Martin nu weer zingt, maar het klinkt alvast een stuk levendiger dan de wat al te doodse songs van hun laatste worp Elegies To Lessons Learnt. Met een eindeloos opbouwend en stuwend “Spencer Perceval” wordt een finale van heb-ik-jou-daar aan een optreden gebreid dat enkel maar doet reikhalzen naar dat nieuwe album.

Dour kent een aantal vaste waarden: zowat iedereen dwaalt over de weide met (al dan niet zelfgemaakte) brouwsels in plastic flessen, de weedgeur is na vier dagen niet meer uit je kleren te krijgen en — vooral — op ongeveer elk moment van de dag valt er wel ergens reggae te horen. Op deze bij momenten bijzonder warme zaterdagmiddag komen wij zo terecht bij Winstof McAnuff And The Homegrown Band (ook niet meteen een naam die zware metalen doet vermoeden). Veteraan McAnuff zorgt voor erg klassieke, rootsy reggae, uiteraard voorzien van de obligate vendelzwaaier (met onder andere een vlag met Bob Marley-beeltenis in de hand). Liggend op de weide voor de Red Frequency Stage laat het publiek zich dat allemaal welgevallen, en voor even kunnen we hen geen ongelijk geven. Na een goed halfuur zijn we echter zo mellow dat deze festivaldag bijna een vervroegd, slaperig einde krijgt. Op naar The Last Arena dan maar, om ons opnieuw wakker te laten schudden met wat rock-’n-roll.

Al is dat met The Gaslight Anthem niet zo’n goede gok dan. In België is de groep nagenoeg onbekend, in de States staan ze tegenwoordig met meneer Bruce Springsteen op het podium. Waarschijnlijk daarom dat The Boss altijd in een adem genoemd wordt met deze oer-Amerikaanse rockband. Want eerlijk: wij horen het niet echt. Goed, zanger Brian Fallon doet flink zijn best om zijn stemgeluid op dat van Springsteen af te stemmen en The Gaslight Anthem maakt op zich geen slechte muziek, alleen klinkt het allemaal zó braaf, afgelikt en mainstream dat we eigenlijk alleen maar met een langgerekte geeuw kunnen reageren. Geen verrassing, zero opwinding, dit is een compleet onnoemenswaardig optreden van wat snel een volledig vergeten band zal zijn.

Wél feest is het in La Petite Maison Dans La Prairie, met dank aan het New Yorkse o’Death, dat een stevig soort folk ten berde brengt. Op de indrukwekkende pens van de bassist na, heeft dit optreden gelukkig weinig van doen met de Ierse vetzakkerij van Dropkick Murphys, die andere opgefokte folkband die straks mag aantreden. De wortels van o’Death liggen veel meer in de Amerikaanse traditie, en dus worden viool en banjo en de door merg en been gaande stem van Greg Jamie niet ingezet voor simpele fiedeldiefolk, maar krijgen we wilde walsen en halve bluesnummers voorgeschoteld, die geregeld ontaarden in chaotisch pogoën op de eerste rijen. Toegegeven, het is allemaal van weinig hoog niveau — af en toe is plat zelfs de beste omschrijving — maar het waanzinnige speelplezier van de band maakt veel goed.

Op naar de Club Circuit Marquee: met hun recente, funky album Of All The Things onder de arm besloot het Berlijnse dj/producerscollectief Jazzanova uit te pakken met een echte livegroep en deze eerste passage in ons land mocht er zeker wezen. Om de formatie een smoel te geven, huurden ze zanger Paul Randolph in — bekend van zijn werk met Amp Fiddler — en de man uit Detroit kwijt zich aardig van zijn taak. Hij steelt graag de show, soms op het randje van het aanstellerige, maar dat contrasteert mooi met wat je verwacht van een stel Duitse electronicanerds. De nieuwe nummers voelen zich zoals verwacht uitstekend in de live-omgeving met saxofoon en tromboon, maar ook ouder werk à la “No Use” werd overtuigend gebracht. Ideaal om de avond op gang te trekken, zo’n funky set.

Van hardcoregewijze unity komt tijdens het optreden van Cro-Mags niet veel in huis bij een agressief publiek dat echter geen moer geeft om hun legendarische status. De bedenkelijke blikken bij enkele veertigers zijn symbolisch voor de sfeer in de tent. Toch geven originele leden John Joseph en Mackey Jayson en aanvullende muzikanten Craig Scully (Sick Of It All) en A.J. Novello (Leeway) het beste van zichzelf bij uitvoeringen van “We Gotta Know”, “World Peace”, “It’s The Limit” en ander materiaal van The Age Of Quarrel. Volgens het viertal is een halfuurtje plezier blijkbaar de limiet, misschien hebben ook zij door dat ze na zevenentwintig jaar een beetje te oud worden voor deze moderne tijden. Iets anders dan maar?

Jawel; en toch wel iets beter. Waar zullen we beginnen bij Esser? Bij het lelijkste kapsel, de duurste kleding of de stevigste schoenen op Dour? In de UK is deze Hoxton hero ontzettend populair, maar in ons klein Belgenland laat hij het (momenteel) afweten. Al bij al is Esser goed, zijn popmuziek is sterk en zijn — toch wel negatieve — liefdesteksten houden ons wakker. Het heeft iets weg van een sprookje waar we een half uur lang naar luisteren. En wie zijn dat dan? De kleine honderd mensen die zijn opgedoken om van dit rustpunt te genieten. Geef hem nog enkele maanden de tijd, dit komt wel goed.

Van The Dodos wordt geregeld gezegd dat ze een flauw Animal Collective-afkooksel zijn zonder noemenswaardige eigen betekenis, maar hun optreden in La Petite Maison bewijst het tegendeel. Met een hoop nieuwe — opvallend melodieuze — nummers onder de arm, doen ze alles waar Animal Collective gisteren niet in slaagde: vanaf de eerste noten van “Fools” zit het er knal op, met “Jodi” en het enthousiast meegeschreeuwde en — gestampte “Paint The Rust” worden publiekslievelingen niet geschuwd, en de nummers klinken ingewikkeld zonder hermetisch te zijn. Het nerveuze gitaarspel van Meric Long en de tegendraadse, rammelende drums van Logan Kroeber (in een vorig leven nog een metaldrummer, en dat laat zijn sporen na) vormen nog steeds de drijvende kracht achter dit optreden, maar de interventies van vibrafonist-annex-tweede drummer Joe Haener zorgen voor extra cachet. Hoewel de variatie af en toe zoek is en niet ieder nieuw nummer even goed uit de verf komt, is dit toch een klein hoogtepunt op deze derde Douravond.

Geeuw, alweer de Dropkick Murphys op een Belgisch festival. De Iers-Amerikaanse folkpunkband blijft blijkbaar een magneet voor de festivalbezoekers op zoek naar ambiance. Wij zijn meer gefocust op het vuurrad aan de Last Arena en de vergelijking met wat we horen is dan treffend: je ziet altijd hetzelfde passeren.

“Dourfestival, we love you! Een van onze beste optredens ooit”, twittert 65DaysOfStatic zondagmiddag, onderweg naar alweer een ander optreden. Het zal nog niet zijn. De band krijgt een waanzinnige ontvangst, en reageert zoals de grootste bands dat doen: door nog een tikje extra te geven. Het bijna hoofdzakelijk nieuw materiaal blaast het publiek weg en doet dansen, dansen, dansen. Het ziet er naar uit dat we van “65” volgende lente een partyplaat mogen verwachten die het beste van The Prodigy zal verzoenen met postrock. Right on, maar een ding: de nieuwe versie van “Radio Protector” sloeg nergens op. Niet meer doen, jongens!

De beste band uit Frankrijk op dit moment? Kap Bambino, oftewel de Franse Crystal Castles die in de pan worden gesmeten met Vive La F&ecircte. Zangeres Caroline Martial lijkt op de blonde versie van Alice Glass van Crystal Castles, maar wat een energie kan zo’n klein meisje toch brengen. Met hun trash electro wordt de Magic Hall in een mum van tijd omgetoverd tot een excellente raveparty. Laten we het simpel houden: Kap Bambino krijgt de prijs van revelatie van Dour 2009 en het publiek was toch wel de sfeervolste in deze vierdaagse. Sterk!

Pet Shop Boys op Dour? Da’s bijna alsof Milk Inc. op Werchter zou staan. Oh wacht. Juist. Miscast of niet, het duo pakt de ongezellige Last Arenawei in met een optreden dat op dit festival zijn gelijke niet kent. Meer nog dan met hun vorige tour trekt de groep hier resoluut de kaart van de SHOW — in hoofdletters, jawel — met een muur van dozen waar op en tussen vier dansers hun kunnen tonen, en soms behoorlijk grappige projecties. Muzikaal ligt de klemtoon aanvankelijk op het nieuwe Yes; niet hun sterkste plaat ooit, maar de discotheekstampers “Did You See Me Coming” en “Love Etc.” werken hier behoorlijk goed, al komt het optreden pas echt los met oude hits als “It’s A Sin” en “Suburbia”. Goed; “Can You Forgive Her?” verwerken in een ander nummer of van “Integral” maar een flard te spelen was een slecht idee, maar toch: goed optreden, geweldige show.

Niet iedereen van Team Goddeau is echter te spreken over de dierenwinkel en in zijn zoektocht naar een alternatief komt (elv) uiteindelijk in La Petite Maison dans La Prairie, waar — voor de zoveelste keer in België — I’m From Barcelonastaat. Geen kleurrijke ballonnen of opmerkelijke outfits deze keer, maar een feest van jewelste. De keuze van de setlist is in dit geval geen moeilijke taak (als je gelijk speelt met — toch wel — muzikale legendes). Hoe vreemd het ook mag zijn, we hadden nooit verwacht dat alle, maar ook alle nummers zouden worden meegezongen. Het klinkt allemaal zo goed en wanneer iedereen lekker meedanst met “Treehouse”, “Britney” en natuurlijk “We’re From Barcelona” dringt het stilaan door dat I’m From Barcelona toch wél wat meer is dan enkel een one-hit wonder. Allez dan.

En we sluiten de dag stevig af. Metalrevelatie Gojira speelt vakkundig haar progressieve deathmetal op de Red Frequency Stage, begeleid door een licht epileptische lichtshow. De Franse metaltrots slaagt erin een indrukwekkende show neer te zetten waar het speelplezier van af druipt. Door zanger Joe Duplantiers enthousiasme wordt de vaart net iets te vaak uit de set gehaald. Maar laten we hier niet muggenziften: de polyritmische passages in “The Art Of Dying” en “The Heaviest Matter Of The Universe” slaan sommige bezoekers achteraan de weide volledig murw en vooraan gaan de metalfans uitzinnig te keer. Dankzij een originele setlist, waarin ook “Backbone”, “Clone” en het briljant gebrachte “Flying Whales” aan bod komen, zal dit optreden in ons geheugen gegrift blijven. Afsluiten doen de sympathieke Fransmannen met het ronduit imposante “Vacuity”. Gojira’s blitzkrieg neemt die illustere zaterdagnacht de volledige weide in amper één uur in en daar kan niemand aan ontkomen.

Wie had ooit gedacht dat ex-Sepultura drummer Igor Cavalera achter een draaitafel zou staan? Mixhell, het electroproject van Cavalera en zijn wederhelft Laima Leyton, valt in de smaak bij de gebroeders Dewaele en brengt ook de Magic Tent in volle extase. De toevoegingen van latino, tropical en sterke ritmische passages — aangevoerd door het drumstel van Cavalera — brengen de volle tent in zuiderse sferen. Je kan zowaar het wisselvallige weer van de voorbije dagen vergeten. Tot onze grote spijt komt de man met de hamer ons na een uurtje gas geven knock-out slaan. Niettemin: Mixhell was da booooom. Tot morgen!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 + 17 =