Cactus 2009 :: Who will dance on the floor in the round

Het regende soms maar vaak scheen ook overtuigend de zon. De Queen Of Pop kaapte tientallen kilometers verder potentieel publiek weg, de King Of Pop is dood, maar toch verkocht Cactus Festival nog nooit zoveel tickets. Het ideale festival voor dertigers, hun bekerverzamelende kroost, krant en vrienden om zich gedurende drie dagen in een sfeer van liefde, vrede en verdraagzaamheid te wentelen. De hippies van Dranouter en de multiculturaliteit van Couleur Cafe met daar bovenop een uitstekende affiche. Een festival naar ons hart!

Dag een :: Netjes binnen de lijntjes

De drukte van de Brugse binnenstad was ervoor verantwoordelijk dat we de akoestische set van de piepjonge Selah Sue moesten missen. Zonde, meenden sommigen; niets gemist, vonden anderen. Hoe het ook zij, tegen de vooravond begon het gezellige Minnewaterpark goed vol te stromen met een bonte smeltkroes aan toeschouwers. Bruggelingen die hun jaarlijks cultureel verantwoord praatje kwamen slaan, vrolijk kruiden rokende rasta’s, dames van bijna-middelbare-leeftijd met Tracy Chapman als rolmodel, en de lokale jeugd in zomerse stemming: ze waren er allemaal. De reggaefans werden als eerste op hun wenken bediend. In extravagante outfit en met een intrigerend grijs sikje zag Bunny Wailer er niet minder dan weergaloos uit. Nog voor de man goed en wel begonnen is, wanen we ons al in de Carraïben en gonst een heerlijke reggaevibe door het park. Hoezeer Bunny Wailer ook gepokt en gemazeld is in deze muziek, met zijn eigen werk weet hij slechts moeizaam te overtuigen. Het hele concert is niet meer of niet minder dan een zuivere stijloefening in de reggae, inclusief bindteksten met huizenhoge clichés. We kennen het verhaaltje ondertussen wel, over hoe we dankzij de reggae allemaal deel uitmaken van “one big family of love”, over hoe we allemaal gelijk zijn, en over hoe Haile Selassie, Bob Marley en The Wailers liefde en vrede predikten. Het levert een leuke trip naar een andere tijd op, zeker wanneer Wailer het blik Bob Marleyklassiekers open trekt. Met “No Woman No Cry” en “One Love” krijgen de bejaarde Wailer en band het gewillige publiek op hun hand, maar ook die nummers kunnen nauwelijks verhullen dat het hier om niet veel meer dan een (weliswaar uitstekende) covergroep gaat.

We zijn nog geen vijf minuten ver in het optreden van Michael Franti & Spearhead of we hebben onze eerste hulde aan de King Of Pop er al op zitten met een energiek stuk “Billie Jean”. In diezelfde vijf minuten heeft de geboren entertainer Franti het Minnewaterpark al aan het springen, dansen en schreeuwen gekregen. Het is het soort optreden waarbij je je onmogelijk vervelen kan, maar waarbij de muziek duidelijk ondergeschikt is aan de ambiance. Velen zullen het wel overdreven vinden om bij élk nummer gevraagd te worden om te springen, maar wij hebben alleszins schaamteloos genoten van Franti’s shot energie. Vanaf heden zullen we weer enkele jaren tevergeefs proberen de man op de Belgische festivalweides te mijden, maar deze passage langs Cactus mocht er zijn.

Ondertussen is de avond gevallen en barst het Minnewaterpark bijna uit haar voegen door een ware volkstoeloop. We zullen wel niet de enigen geweest zijn die zich gedurende deze drie dagen niet van de indruk konden ontdoen dat er toch nét iets te veel tickets verkocht waren. Zo veel volk op de been voor iemand als Tracy Chapman die — om het zacht uit te drukken — nu niet meteen centraal in onze muzikale radar staat, het voelt toch wat vreemd aan. Chapman zelf laat zich echter niet uit haar lood slaan, en speelt een gracieuze set met veel aandacht voor het evenwicht tussen oud en nieuw werk. Natuurlijk heeft de dame een bijzonder mooie stem, en jawel, ze beheerst haar gitaarspel perfect, maar is het godslastering om een set zachte gitaarpop van langer dan een uur toch enigszins eentonig, ja, zelfs saai te vinden? Buiten de lijntjes kleuren, of van haar karakteristieke geluid afwijken, zat er ook afgelopen vrijdag in Brugge niet in.

Dag twee :: Een bont, maar smakelijk allegaartje

Joe Gideon & the Shark zijn als ontbijt niet meteen licht verteerbaar. Hij met snor, riem, gitaar en cowboypose. Zij wijdbeens in luipaardvel en als een beest de drums te lijf gaand. Samen produceren ze heerlijk groezelige rootsrock van het meest desolate soort, waarbij de nodige humor echter nooit ver te zoeken is. Hoewel het geluid niet perfect zit en het duo zo vroeg op de dag
moeite heeft om het publiek mee te krijgen, zien we toch een band met potentieel aan het werk. De half gesproken, half gezongen vertellingen van Gideon zijn een waar plezier, ook al vallen ze niet altijd zo eenvoudig te plaatsen. Met de melodieuze afsluiter “Anything You Love That Much, You Will See Again” springt er uiteindelijk toch nog een vonk over richting publiek.

Tijd om de benen te strekken en volledig wakker geschud te worden door het duivelswerk van 65DaysOfStatic. De heren proberen duidelijk af te raken van de routine uit hun oude liveset, maar weten er toch niet helemaal van onderuit te kruipen. Hun nieuwe werk flirt nog meer dan vroeger met tegentijdse ritmes en doet meermaals denken aan Mogwai meets The Prodigy. Tussenin toch ook enkele nummers die weer wat nieuws uit het gitaarwerk zelf halen, met lang uitgesponnen melodieën die doorheen de obligate geluidsmuur sijpelen. Laten we hopen dat dit ‘vernieuwde’ 65DaysOfStatic het eindpunt van zijn muzikale zoektocht nog niet bereikt heeft, maar het mocht er wel al wezen. Ook al leken de heren enigszins onzeker over hun aantreden bij klaarlichte dag, ze gaven zich volledig — en wat ons betreft met succes.

Tijd voor de Black Box Revelation dan. Het zou wellicht niet mogen, maar ondergetekende staat er toch nog steeds versteld van hoe ontzettend veel lawaai twee mensen kunnen voort brengen. Ook al zou volgens sommigen een bassist niet misstaan, het populair jong geweld ramt er nog steeds even lustig op los als vroeger. Hun shows zijn niet gespeend van enige overdrijving, en wie ze al eens bezig zag, heeft alleszins niets nieuws gemist. Maar dat de Black Box Revelation nog steeds ontzettend hard rockt, laat daar vooral niemand aan twijfelen.

Ondertussen ruimt een aarzelend zonnetje plaats voor enkele regenbuien, tot grote consternatie van Joan Wasser, aka Joan As Police Woman. Traditiegetrouw moet bij het introduceren van deze grote dame verwezen worden naar haar relatie die ze ooit had met Jeff Buckley en haar muzikantencarrière aan de zijde van Nick Cave en Rufus Wainwright, maar na twee platen mag ze ook al enigszins op eigen benen staan. Toch weet ze in Brugge niet erg te overtuigen. Vooral de nummers van haar nieuwe plaat — doorgaans veeleer langzaam opbouwende en fragiele composities — hebben het moeilijk om overeind te blijven. Een uitstekend “Eternal Flame” en bisser “Real Life” maken dan weer wel indruk, al betekent dat voor Wasser natuurlijk vooral een status quo ten opzichte van een drietal jaar geleden. Ondanks haar wat vreemde pakje en nogal stuntelige bindteksten (“It’s amazing that our record label, PIAS, is from Brussels, and this city — it’s still out there, right? Brussels? Is it? — is in the same country as Bruges and… well.” Ahum.) wist Joan As Police Woman te charmeren. Maar beklijven, dat nu ook weer niet.

Dat deden de Cold War Kids dan weer wel. Met twee goed ontvangen albums en een handvol hits op zijn conto, had de groep niet al te veel moeite om zijn set van een mooie dosis hoogtepunten te voorzien. Zanger Nathan Willett was goed bij stem en schreeuwde al van bij opener “Mexican Dogs” de weide imposant bij elkaar. Na het eerste paar meezingers, waaronder publiekslieveling “Hang Me Up To Dry”, zakte het concert even in elkaar, maar niet voor lang. Hier speelde een band die bijzonder strak op elkaar ingespeeld is en met overtuiging zijn ding doet zonder zich daarbij al te veel om zijn toehoorders te bekommeren. Het resultaat was zonder meer indrukwekkend. En zowaar, met “We Used to Vacation” joegen ze zelfs een collectief kippenvelmoment doorheen het Minnewaterpark. Cold War Kids was alleszins één van de absolute sterkhouders op zaterdag, en dat terwijl de échte grootheden nog moesten aantreden.

Het was voor velen even schrikken toen Greg Dulli en Mark Lanegan, in het gezelschap van gitarist David Rosser, het podium opwandelden. Geen elektrische gitaren, geen drums, geen band. De Gutter Twins kozen voor slechts drie stoelen, twee gitaren en een piano — een volledig akoestische set dus, net zoals afgelopen winter in de AB. Maar er is een groot verschil tussen een donkere clubzaal en een zonovergoten park, tussen een toegewijd publiek en bier drinkende festivalgangers. Hoe mooi en aangrijpend de set van de Gutter Twins op zaterdag ook was, het was geen makkelijke opgave om je door hun kaal geschoren nummers in vervoering te laten brengen. Ouder werk van The Afghan Whigs en The Twilight Singers werd afgewisseld met een stapel covers, waarbij zelfs Nick Drake en flarden van “All Along the Watchtower” even van stal gehaald werden. Het was in een wat vreemd decor dat Dulli en Lanegan hun duistere toverkunsten moesten boven halen, wat de magie niet meteen ten goede kwam. Desalniettemin toch hoogst genietbaar.

Nooit gedacht dat Joost Zwegers van Novastar zoveel energie in zijn lijf had zitten. Voorzien van een stevige band, een gesmaakt nieuw album en een resem oude hits, kon dit haast niet mis gaan. Zijn muziek — die netjes binnen de lijnen van zowat élke radiozender (en huiskamer) in Vlaanderen past — is niet meteen aan ons besteed, maar het is duidelijk dat de man zowel gezegend is met een uitstekende stem als met een talent om een aanstekelijke show uit zijn mouw te schudden.

Onverwacht krijgen we nog meer van hetzelfde bij Paul Weller. Een zware overdosis bombast, ijdelheid en show, maar slechts weinig doorleefde muziek. De energieke Britse legende bouwt een hevig feestje op het podium en laat de gitaren loeien op zowel nieuw als oud werk — waarbij ook gretig uit het repertoire van ‘s mans vroegere projecten The Jam en The Style Council geput wordt. De strakheid van de set neemt niet weg dat het ons allemaal nogal wat belegen overkomt, en veel meer dan op plaat hebben we live het gevoel dat dit toch allemaal meer dan passé is. Wild worden we er alleszins niet van.

Dag drie :: Muren, bekers en feestjes

De Japanners van Mono zien er op het podium niet alleen uit alsof ze tot een of andere mysterieuze sekte behoren, ze klinken ook zo. Aan de alom gekende postrock van Explosions In The Sky of Mogwai voegt Mono weinig meer toe dan wat weemoedige lieflijkheid, door tussen de geluidsmuren in zo nu en dan eens wat met een xylofoon te prutsen of er een kinderlijke melodie overheen te leggen. Het klinkt mooi, zelfs zo vroeg in de ochtend, maar tegelijk ook o zo vertrouwd. De groep beoefent zijn genre uitstekend en met overgave, maar vraag ons niet er ook nog eens lyrisch over te doen.

Wat ook voor The Notwist geldt: de Duitsers zetten later op de middag diezelfde geluidsmuur op met evenveel overgave en concentratie, maar blijven zo gefocust in hun eigen wereld dat ze daarbij voor het gemak het publiek vergeten. “Pick Up The Phone” en “Neon Golden” blijven doorleefde nummers — ergens tussen Eels en Radiohead in, maar stuiten ondanks alles door het zonnige middaguur op een plexiglazen wand tussen groep en publiek. Wel fascinerend om Martin Gretschmann de elektronica te zien bezigen als ware het een Wii-console.

Of het moet aan de voorafgaande triomftocht van het Franse Babylon Circus gelegen hebben. Deze bende wildemannen kreeg het hele park binnen twee nummers moeiteloos aan het dansen. Met hun mix van ska, punk en reggae gingen ze zo overtuigend te werk dat zelfs de bekerverzamelende kindjes hun activiteit staakten. Ontbloot bovenlijf, feestelijke blazers en dat tikkeltje Franse arrogantie zijn dé succesformule van het collectief neohippies waarbij we vandaag (tijdelijk) aansloten. Beetje Noir Desir, beetje The Clash, bakken Mano Negra: works like a charm. Wanneer er bovendien nog wat Van Halen wordt bovengehaald om het publiek te doen springen, speelt zelfs even het idee om hen deze herfst mee te pikken in de AB.

Iets wat helemaal niet in ons opkomt bij de middelmatige show van !!!, op papier nochtans de groep die ons met funk! fun! funk! zou moeten doen zweten zonder drankpauzen. Niet dat ze niet hun best doen — het marcelleke (of ”lijveke”, het nieuwe festivalwoord) van zanger Nic Offer is in een mum van tijd tot op de draad bezweet — en de verschillende muziekstijlen worden zo hard doorgemixt dat we de brokken niet meer kunnen onderscheiden. Spastisch geluid is wat overblijft. Tijd voor meer drank. (Er zijn ook cocktails!)

De pretentieloze jarenzeventignummers van The Magic Numbers — een groep die wij altijd met wijde armen verwelkomen — staan haaks op de jeugdige ambitie van !!!. En wat is er beter om een bende neohippies te verblijden dan vier oldschoolhippies op het podium te planten? De aanstekelijke glimlach van Romeo Stodart — alsof hij net een hele wei had gerookt — werkte al op zichzelf. En dan hebben we het nog niet eens over de wondermooie vocale harmonieën, de vrolijke popdeuntjes, de harmonica en de driftige bas van Michele ‘als een stier door Pamplona’ Stodart, en zinnen als “Well, maybe it’s over but over is not a word that you know” die daaraan toegevoegd worden. Vreugde en wiegende hoofden! Een successet met een hattrick (“This Is A Song”, “Take A Chance”, “Forever Lost”) als binnenkomer, hoewel de rijzige pudding een beetje inzakte bij de nieuwe, tragere nummers en een beetje te hard gerokken werd met afsluiter “The Beard”.

De vier zussen en broers bleven nog even in de coulissen staan om Calexico aan het werk te zien, eveneens perfect op hun plaats op deze affiche en locatie. Het vorig jaar uitgebrachte Carried To Dust gaat terug naar de oorspronkelijke mariachi, na omwegen via experimentele poprock en een samenwerking met Iron And Wine, en dat staat garant voor een Mexicaans geïnspireerde party — de voor de hand liggende grappen over een nakende pandemie die sms-gewijs van het Basescherm liepen, besparen we u. Opener “Victor Jara’s Hands” krijgt de “olé olé olé”’s van elke nuchtere en in zijn drinkbekertje verzonken festivalganger naar zijn hand, “Crystal Frontier” duikt als derde nummer al in de set op en het feestje is vertrokken. Trompettist Jacob Valenzuela neemt met succes de Spaanse zangpartijen over van de studiozangeressen in “Inspiracion” en “Roka”. Ook wordt er subtiel gegoocheld met covers: zo wordt afsluitend aan “Alone Again Or” van Love Mano Chaos “Desaparecido” gebreid. Een liveklassieker, maar nieuw was het stukje “(I Can’t Get No) Satisfaction” dat aan het nostalgische “Bend In The Road” bengelde. Klasse, zoals steeds.

Iets wat we onverwacht ook van Lamb kregen. Na wat esoterische escapades van zangeres Lou Rhodes in de vorm van twee oersaaie en amper beluisterbare soloplaten komt het duo na vijf jaar weer bij elkaar. Het motief mag ons een zorg wezen, zolang ze maar met die intensiteit van weleer een best-oflijstje afwerken. Rhodes zag er met haar zwarte jurk met sleep (Kaat Tilley?) verrukkelijk uit. Haar stem (en we negeren de geitengrap van de dronkaard achter ons) horen boven de nerveuze beats en soundscapes van Andrew Barlow was een verademing. Door opener “Little Things” beseften we dat we drum ’n bass misschien zelfs stiekem gemist hebben. Sereen — dat is ooit anders geweest — loodsten Rhodes en Barlow ons door een nostalgietrip met “All In Your Hands”, een intens “What Sound”, “Heaven”, “Trans Fatty Acid” en uiteraard “Gorecki” als hoogtepunten. Alleen het instrumentale “Angelica”, waar Andrew Barlow weer eens door een microfoon mocht schreeuwen en als een woesteling heen en weer rennen — de man is eigenlijk een kruising tussen Regi en Moby — was een mogelijk minpunt in deze korte, maar bijzonder intense set.

Joss Stone had de gemoederen nog méér kunnen ophitsen, maar ze lag ziek in bed, en dus was het aan Jamie Lidell om in haar plaats te komen afsluiten. In realiteit ware de man beter geplaatst geweest om het feest in gang te trekken dan om het te beëindigen, maar wat zou het. De Wim Helsen van de soul & funk zette een concert van jewelste neer, ook al gaf hij de indruk soms wat op automatische piloot te staan. Maar zelfs een Lidell in routinemodus valt niet te stoppen. Zowat alle hoogtepunten uit Jim en Multiply werden ten berde gebracht, en culmineerden in een heerlijk “Wait for Me”. Spijtig voor haar, maar wellicht zullen slechts weinigen Joss Stone gemist hebben.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + 2 =