The Wombats



Beste heren Murphy, Haggis, Knudsen

Het was op Pinkpop, dat vrolijke dagje uit met Racoon als opwarmer
en Giel Beelen als immer blijvende hoofdact, dat jullie me vorig
jaar kennis lieten maken met jullie wat springerige doch altijd
vrolijke geluid. De eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat collegae
al wel langer misbaar maakten over het feit dat ik dat
nieuwe-bandje-met-de-heerlijke-single geen kans gaf. Die middag dus
wel – al had ik initieel de televisie aangezet voor Counting Crows
en Metallica, later die avond – en wat ik zag was van een danig
niveau dat ik besloot mijn trots toch maar te verloochenen en ‘A
Guide To Love, Loss And Desperation’ (aan die titel kan nog
gewerkt) aan te schaffen.

Jullie komen uit Liverpool en mensen van de Merseyside hebben hier
altijd een streepje voor. Niet zozeer vanwege een ander luisterrijk
bandje dat jullie is voorgegaan dan wel door de erfenis van Keegan,
Dalglish en Crouch. Het Scousedialect waarmee jullie gisteravond
intraden, maakt de boel op dat vlak al helemaal af.

En toch had ik wat problemen met jullie gein. Het schreeuwlelijke
beest dat jullie verafgoden en danig uitvergroot hadden als betrof
het een Pokémon was van een danig infantiel niveau dat ik me
afvroeg hoe het kwam dat elke fan – voor de gelegenheid met zo’n
beest op het shirt gedost – toch al min of meer tot wasdom was
gekomen – zij het meestal pril. Het dansende hondje was dan wel een
pak geestiger, niemand kan jullie alvast verwijten het amusement op
zo’n tournee te laten varen.

De muziek, waarvan ik de kwaliteit op een mindere dag eens
vergeleek met Arctic Monkeys, mocht er gisteravond best wezen. Al
bleef ik de hele show lang quasi vruchteloos zoeken naar het geluid
dat me eens, in tijden van examens en cholera, zo in vervoering
bracht. Wat ik zag was amusement, boerenleute en Postpunk zoals u
en ik ze graag willen, maar ook niet meer dan dat. ‘Tales Of Girls,
Boys & Marsupials’ is een fijne intro die de camaraderie in de
band mooi onderstreept, en ook daarnaast hebben jullie best wat –
zij het altijd inwisselbare – songs die onze puberherinneringen –
er is geen ex-lief dat jullie niet hebben bezongen – eventjes weer
actueel maken als hadden we een zak vol Fortisaandelen.

U wisselde achtereenvolgens ijzersterke springnummers – door de
jonge massa wat al te ernstig genomen, ik hoop dat ze een been
breken – als ‘Kill The Director’, ‘Moving To New York’ en ‘Here
Comes The Anxiety’ af met nieuw werk, dat ons eraan herinnerde dat
we wat beter hadden moeten opletten in de biologielessen van
weleer. Hadden we geweten dat een wombat niet van afwisseling
houdt…

Maar u – zeker jij, Murphy! – komt met heel wat weg. Al was het
omdat je lijkt op een kruising tussen drie superhelden van ons.
Waar de link met Adam Duritz misschien wat ver gezocht is en die
met Robert Smith wat oneerbiedig voor de man in kwestie, claimt
Frans Van Der Aa met graagte zijn royalties. ‘Party In a Forest’
droeg u op aan alle mogelijke Laura’s, en omdat ik er een ken, vind
ik het een fijne ingeving van uwentwege.

Maar laat ons eerlijk zijn, behalve de werkelijk fantastisch
sublieme, helemaal niet te vaak bestoefte en wat ons betreft
kandidaat gouden plak in de verkiezing ‘beste nummer ooit door een
band uit Liverpool’ zijnde single ‘Let’s Dance To Joy Division’,
hebt u weinig meer te bieden dat het vullen van meer dan een halve
Handelsbeurs kan rechtvaardigen. Akkoord, ‘Little Miss Pipedream’
was ook alleraardigst gebracht, maar wat u met ‘My First Wedding’
presteerde was dan weer van een niveau, bedenkelijk genoeg om er
tranen met tuiten bij in te schieten. De ambiguïteit straalt er van
af, en er zijn bands die dat als kickstart hebben kunnen gebruiken,
maar uw toekomst blijft zich afspelen in zaaltjes van hooguit 500
man. In alle eerlijkheid, zelfs daar ben ik een beetje jaloers
op.

Met hoogachting
Nick Delafontaine

(meer afbeeldingen The Wombats – afbeeldingen Kitchen Knife Wife)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × drie =