Domino 08 :: Cassette Crusts on Tape Trips

To Live And Shave In L.A., Jason Lescalleet, Non-Horse,
Buffle

De organisatoren van Domino mogen zo stilaan beginnen beweren dat
hun festival in zekere mate een trefpunt is, waar muzikale gietsels
in alle denkbare vormen welkom zijn. Of voor zij die het graag
anders bekijken: het is niet elke dag en in elke zaal goed, die
muziek op Domino. Of je krijgt een zaal vol stinkerds met ridicule
beharing, of er wordt hartstochtelijk gekoppeld met knijpende
handjes en opzwepend reukwater. Het was alvast uitkijken naar de
feestelijke opening van het evenement, want er werd een
schitterende tweedeling beloofd. Uw dienaar trok richting club om
daar een avondje kraak (tot de derde macht) te aanschouwen. Jammer,
want we hadden onze imposante brilmontuur op het nachtkastje laten
liggen.

Het doel van de avond was simpel doch veelzijdig. Donderdag stond
namelijk deels in het teken van de tapecultuur die de laatste jaren
in de ondergrondse milieus flink in de lift zit. In dat opzicht
bracht (K-RAA-K)³ vier acts samen die wel eens (of exclusief)
materiaal op cassette uitbrengen. Sommigen zouden cassettes en/of
bandrecorders ook op het podium in hun sets betrekken, maar dat was
geen constant gegeven. Bovenal was dit Domino-experiment een goed
excuus om het publiek op een fikse portie noise te trakteren, en
daar is men danig in geslaagd, zo bevestigt ook het gehoor een
slordige twaalf uur later.

Het Brusselse Buffle mocht de spits afbijten,
kwestie van de avond een relatief stille inleiding te bezorgen.
Deze formatie, met nauwe koppelingen aan R.O.T., bracht
voornamelijk een soort semi-improvisatorische noise-rock met
synthetische bijstand. Het beluisteren van Buffle bracht nu niet
meteen een wereldrevolutie teweeg, maar er kon nu en dan wel eens
goedkeurend geknikt worden. Zo werd er op ongemakkelijke wijze
afgetrapt, maar eens de spelers dezelfde muzikale schoenen begonnen
te dragen, liep het al stukken vlotter. Denkt u bij deze
nietszeggende descriptie vooral aan John Cale anno 1968 die zich
steendood verveelt. Zo, dat is opgeklaard. Verder kon vooral de
percussie en de combinatie van gitaar en klavier ons bij momenten
in vervoering brengen.

Tussen het einde van Buffle en het komende oplawaai werd er
overigens voor een zeer geslaagde soundtrack gezorgd. Wie er
precies voor verantwoordelijk was, is ons niet bekend, maar een
digitale duim in de lucht staat zeker niet mis. Popsongs uit alle
windstreken werden in een galmende soep gegoten, waardoor
verschillende nummers vaak door mekaar speelden en, in plaats van
nonlineair kabaal, een opzienbarende mix opleverden. Het had iets
weg van een tussenstadium, op weg van de modale popsong naar een
coverversie van ‘Belong’.

Wat volgde was een hersenspinsel van Gabriel Lucas Crane onder het
mom van Non-Horse. In het begin dachten we even
dat de man hiphopsamples ging fabriceren, gebruik makend van
oerkreten uit de Leiestreek, maar dat werd al snel ontkracht toen
diezelfde oerkreten verdronken in de eerste echte noise-aanval van
de avond. Crane brengt een zeer intense mix van ruwe,
kapotgeschoten samples die telkens ettelijke malen in variërende
vormen herhaald worden, ondersteund door een schreeuwend
noise-palet. De set barstte van de aan flarden gescheurde ritmes,
conversationele nonsens en andere, ogenschijnlijk willekeurige
geluidsfragmenten. Al bij al was dit een innemend hoopje
kabaal.

Zo intens en onbetrouwbaar als Non-Horse leek, zo berekend en
constructief handelde Jason Lescalleet, die
speciaal voor een goed bezette Club zijn compositie voor het
Dominofestival in gang trapte. En hoe kun je zoiets beter doen dan
een plaatje van Paul Revere & The Raiders door de club te laten
waaien. Toen de laatste noten van ‘Indian Reservation’ stilaan in
het niets verdwenen, kwam de noise n verscheidene stadia opzetten.
Weinig chaos hier, maar wel een enorme kracht. Meer dan ooit hadden
we het gevoel in een alternatief universum te verdwijnen, waar uw
buurman zijn generator aandrijft met een straalmotor. In
tegenstelling tot Non-Horse, was er bij Lescalleet geen spoor van
de bekende buitenwereld aanwezig, of zo deed de man het toch
klinken. Het moet gezegd, dit was – wat ons betreft dan toch – dé
act van de avond en, ondanks zijn beperkte toegankelijkheid,
vermoedelijk een hoogtepunt dat ook na dit festival zal blijven
doorzinderen.

Het was echter nog niet gedaan, al hadden velen in de club dat niet
zo goed begrepen. To Live and Shave in L.A. kwam,
met wat circushumor en ander tijdverdrijf, het podium op,
aangemoedigd door, ach wat, een slordige twintig man. Men werd
gevraagd zo dicht mogelijk te komen gezien dit, en wij
parafraseren, niet Woodstock anno 1969 was. Deze bescheiden ziel
had echter besloten dat hij niet dichter bij de PA zou staan dan
strikt noodzakelijk, en dat bleek nog niet eens zo’n slecht idee te
zijn.
Ondanks de menselijke schaarste brachten deze lui uit de Verenigde
Staten een zeer aardige set. Voor wie TLASILA (wij hebben dat niet
uitgevonden) nog nooit in actie zag, denk aan het geluid dat Aaron
Funk hoort als hij een plaat van The Cure en een heuse bad trip
combineert. Het publiek werd gebombardeerd met sonische
wraakacties, bestaande uit hardstyle-beats, vocalen min een
aanspeelpunt, schurende synthgeluiden, en nog andere, niet zo zoete
klanken. Imposant was het in ieder geval, en bij momenten waren we
er zelfs helemaal weg van, maar er was altijd een reële kans dat de
luisteraar de weg wat kwijtraakte in hun fatale labyrinth. We
hadden ze eigenlijk liever nog wat langer zien spelen; na drie
nummers was het al voorbij, wat voor dit soort complexe muziek
gerust jammer genoemd mag worden.

Al bij al was de eerste clubavond van Domino met twee woorden samen
te vatten: ‘leerrijk’ en ‘overrompelend’. Oké het was niet altijd
even prikkelend, maar dat werd vooraf ook nooit beweerd. Zij die
het hebben meegemaakt, zijn vertrokken met een enorme buil op het
voorhoofd, uitgekuiste oren, ongekende vormen van paranoia en een
ietwat verrijkte geest.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 + elf =