Magazine – De wortels van de postpunk

magazinecover.jpgDe mensen die zich deze zomer enigszins anders hadden
voorgesteld en op dit moment verlegen zitten om aangename lectuur,
raden we graag het boek ‘I Swear I Was There’ van rockjournalist
David Nolan aan. Het boek gaat over het eerste, legendarische
concert dat de Sex Pistols op 4 juni 1976 gaven in
de Lesser Free Trade Hal in Manchester. ‘Volgens de overlevering’
zou iedereen die aanwezig was op dat concert meteen daarna zelf met
een band zijn begonnen. Voor een deel klopt dit: Peter Hook en
Bernard Sumner (Joy Division/New
Order) waren er, net als Mark E. Smith die enkele vrienden had
meegebracht met wie hij even later The Fall zou oprichten én ene
Steven Patrick Morrissey. Maar wat heeft dit alles te maken met
Magazine, de band over wie deze special zou moeten gaan? Niet
alles, maar toch veel. Eén van de organisatoren van dit concert was
niemand minder dan Howard Devoto. Samen met
Pete Shelley richtte hij de
Buzzcocks op, de band die hij nog geen jaar later
verliet om met een nieuwe band te beginnen:
Magazine.
Hoewel Magazine op commercieel vlak nooit hoge ogen heeft gegooid,
kan er niet voorbij worden gegaan aan de verstrekkende invloed van
de band op latere generaties genres en stromingen als postpunk, new
wave, ‘big music’, new romantics, de madchester- en de recentste
Britpopwave toe. In 1988 werden alle platen van Magazine al eens
opnieuw uitgebracht, in 1993 en in 2000 volgden respectievelijk de
verzamelaars ‘Rays and Hail 1978-1981’ (een best
of) en ‘Maybe It’s Right to Be Nervous Now’
(alternative takes en Peel Sessions). Intussen werden de vier
studioplaten ‘geremasterd’ en ‘expanded’ met (de niet minder
essentiële) singles en singleversies die nooit op de reguliere
albums hebben gestaan.

Sex Pistols
In 1973 verlaat Howard Trafford (zo heet hij dan nog) Leeds om
filosofie en literatuur te gaan studeren aan het Bolton Institute
of Technology. Wanneer hij voor een videoproject op zoek gaat naar
muziek, komt hij uit bij de Electronic Music Society van het
instituut. Daar leert hij Peter McNeish kennen, een
elektronicastudent die al even bezeten is van muziek als Trafford.
Al snel blijkt dat de twee heel wat muzikale voorkeuren delen met
elkaar. Wanneer Trafford een tijd later op zoek gaat naar
muzikanten voor een eenmalige uitvoering van ‘Sister Ray’ van The
Velvet Underground, is McNeish (beide zijn ook nog fan van de
Stooges, Eno, vroege Roxy Music en krautrock) de enige die
reageert.
Een artikel in de New Musical Express over een uit de hand gelopen
Pistols-concert maakt hen zachtjes uitgedrukt erg nieuwsgierig.
Omdat Rotten en co niet meteen een optreden hebben gepland in het
noorden van Engeland, besluiten Trafford en McNeish in februari
1976 dan maar zelf af te zakken naar Londen om de band aan het werk
te zien. De twee zijn dermate onder de indruk van hun trip naar de
hoofdstad dat ze voortaan alleen nog als Howard Devoto en Pete
Shelley willen aangesproken worden en Buzzcocks oprichten.
Wanneer ze kort daarop vernemen dat de Sex Pistols een tour willen
ondernemen in het noorden van Engeland, zijn Devoto en Shelley er
als de kippen bij om een concert te regelen in de Lesser Free Trade
Hall. Om zelf in het voorprogramma van hun helden te spelen is het
dan nog wat vroeg (de eerste drummer en bassist stappen al gauw uit
de groep), maar wanneer de Pistols een maand later terugkeren voor
een tweede concert in dezelfde zaal is de groep wel klaar voor haar
livedebuut.

Buzzcocks
Het wordt het eerste van een reeks van twaalf Buzzcocks-concerten
met Howard Devoto als zanger en frontman. In oktober neemt de groep
een demo op met elf nummers, waarvan enkele later nog zullen worden
gebruikt door Buzzcocks en Magazine. (De demo zelf verschijnt pas
in 1991 integraal als ‘Time’s Out’.) Eind december trekken de vier
(behalve Devoto en Shelley op dat ogenblik bassist Steve Diggle en
drummer John Maher) met Martin Zero (zoals de
legendarische producer Martin Hannett zich toen liet noemen) de
studio in voor de opnames van de ep ‘Spiral Scratch’. Het vier
songs tellende plaatje dankt zijn cultstatus vooral aan het feit
dat het de eerste punkplaat was die verscheen bij een independent,
namelijk bij hun eigen New Hormones-label.
Meteen na de release van ‘Spiral Scratch’ verlaat
Devoto Buzzcocks, naar eigen zeggen omdat hij zich niet kan vinden
in de negatieve energie, de agressie-zonder-woede en de muzikale
beperkingen van het punkgenre, dat stilaan is uitgegroeid tot een
echte ‘beweging’ met allerlei regeltjes, do’s en don’ts, en omdat
hij op zoek wil naar een nieuwe uitdaging. Toch blijft hij van op
een afstand betrokken bij Buzzcocks, want hij steekt een tijdlang
een hand toe bij het management van de groep én hij blijft nieuwe
nummers schrijven met Shelley.

magazine.jpgMagazine
Tegelijk denkt Devoto aan een nieuwe groep. Een naam heeft hij al:
Magazine, omwille van de dubbele betekenis
(tijdschrift / het magazijn van een vuurwapen). In april leert hij
via een gemeenschappelijke kennis John McGeoch
kennen, een Schotse student die gitaar én saxofoon speelt. Wanneer
McGeoch tijdens de zomer terugkeert naar Schotland gaat Devoto op
zoek naar andere muzikanten. Op een zoekertje in een lokale
platenzaak reageren drummer Martin Jackson,
toetsenman Bob Dickinson en bassist Barry Adamson,
die niet veel meer met elkaar gemeen hebben dan dat ze géén
punkverleden hebben. Na de zomer gaat Magazine aan de slag: er
wordt een demo opgenomen en op 2 oktober ’77 treedt de groep voor
het eerst op (met de P.A. van Buzzcocks) in Manchester’s Electric
Circus. Kort daarop versiert Magazine een contract op Virgin. Dat
label teert op dat moment nog volop op de inkomsten van ‘Tubular
Bells’, het megasucces van Mike Oldfield, en kan er dus een erezaak
van maken moeilijk verkoopbare, eigenzinnige artiesten aan zich te
binden.
In januari ’78 brengt de groep (na het vertrek van Dickinson een
kwartet) de single ‘Shot By Both Sides’ uit. Het
nummer, gebaseerd op een riff van Shelley (die hem later zelf ook
nog zou gebruiken in ‘Lipstick’ van Buzzcocks), geldt meteen als
een beginselverklaring. Devoto eigent zich het recht toe nergens te
moeten bijhoren en huldigt dan ook het ‘individualistische ethos’
van de artrock.
Tijdens de eerste (en bij ons weten enige) verschijning in ‘Top of
the Pops’ gooit Devoto meteen zijn eigen ruiten in door heel
opvallend niét te playbacken en roerloos, met een lege blik in de
camera te staren. Magazine wordt dan ook de eerste band in de
Britse popgeschiedenis die haar platenverkoop ziet dalen na ‘Top of
the Pops’. Maar gelukkig is er ook goed nieuws, want een maand
later is Magazine na de komst van toetsenman Dave
Formula
weer een kwintet.

De albums

magazinereallige.jpgIn maart trekt de band naar de Abbey Road Studio’s
in Londen om een eerste langspeler op te nemen: ‘Real
Life’
(’78). Producer van dienst is John Leckie, die in
diezelfde studio’s lieden als George Martin en Phil Spector
assisteerde tijdens de opnames van Beatles-platen. Op de plaat
weerklinken onmiskenbaar invloeden van de vroege Roxy Music (met
Eno), ‘Low’ van Bowie (en dus ook ‘The Idiot’ van Iggy Pop) en
krautrock, maar ook van punk én progrock. Alle kenmerkende
elementen van de Magazine-sound zijn op deze plaat aanwezig: de
(l)ijzige stem van Devoto, de overvloedige en nadrukkelijk naar de
voorgrond gemixte synthesizerpartijen van Formula (fouter kon het
niet op dat moment, maar het levert met ‘Definitely Gaze’ wel een
indrukwekkende song op), de vlijmscherpe, vaak vervormde maar
altijd sfeerscheppende en functionele gitaarpartijen van McGeoch,
en de ‘glijdende’, melodieuze baslijnen van Adamson. Op de
geremasterde versie van ‘Real Life’ staan zowel de single- als de
albumversie van ‘Shot By Both Sides’, naast ander fraai werk als
‘The Great Beautician in the Sky’, ‘The Light Pours Out of Me’ en
een cover van John Barry’s ‘Goldfinger’.

magazinesecondhand.jpgIn januari ’79 neemt de band haar tweede plaat op,
met een nieuwe drummer (John Doyle) en Colin
Thurston achter de knoppen. ‘Secondhand Daylight’
(’79) betekent meteen het producersdebuut van Thurston, die eerder
al Tony Visconti had geassisteerd tijdens de opnames van Bowies
‘Heroes’ en ‘The Idiot’. Op deze tweede plaat ondergaat het
groepsgeluid niet echt ingrijpende veranderingen, de sound wordt
alleen verder verfijnd en geperfectioneerd. Net als het debuut
krijgt ook ‘Secondhand Daylight’ voornamelijk positieve reacties,
maar ondanks memorabele tracks als ‘Permafrost’, ‘Rhythm of
Cruelty’ en ‘Back to Nature’ blijft commercieel succes uit. En dat
heeft geen klein beetje te maken met het veelbesproken debuut van
een andere band uit Manchester, dat een paar maanden na ‘Secondhand
Daylight’ verschijnt: ‘Unknown Pleasures’ van Joy Division.

magazinecorrectuse.jpgAllerminst verlamd door de concurrentie uit eigen
stad, begint Magazine volop te werken aan haar derde plaat. Het
vijftal is als een hechtere en nóg beter op elkaar ingespeelde
groep teruggekeerd van een korte tournee in de Verenigde Staten, en
laat de release van ‘The Correct Use of Soap’
(’80) voorafgaan door een aantal singles, waaronder het door
Dostojewski geïnspireerde ‘A Song From Under the Floorboards’ en de
Sly and the Family Stone-cover ‘Thank You (Falettinme Be Mice Elf
Again)’. De plaat wordt in Londen opgenomen onder leiding van
Martin Hannett, die een jaar eerder dus al (muziek)geschiedenis
heeft geschreven met zijn werk voor Joy Division. (Pittig detail:
‘The Correct Use of Soap’ werd gemixt in de Britannia Row Studio’s,
waar Hannett kort daarop met Joy Division ‘Closer’ zou opnemen.)
Zonder afbreuk te willen doen aan de verdiensten van John Leckie en
Colin Thurston, is het niet in de laatste plaats dankzij Hannett
dat deze derde plaat – naar onze bescheiden mening – de beste is
die Magazine maakte, ondanks de afwezigheid van een echte
uitschieter als ‘Shot By Both Sides’. De groep klinkt speelser en
meer ‘pop’ dan ooit, wat van ‘The Correct Use of Soap’ als het ware
de zonnige pendant van ‘Unknown Pleasures’ maakt.

magazinemagicmurder.jpgIn de zomer van ’80 stapt McGeoch op, zodat de
groep op zoek moet naar een nieuwe gitarist. Veel tijd krijgt
nieuwkomer Robin Simon (ex-Ultravox!) niet, want
in augustus toert Magazine in de Verenigde Staten, in september in
Azië en Australië. Het live album ‘Play’ (’80)
wordt echter de enige plaat waarop Simon te horen is. In december,
wanneer er alweer volop wordt gewerkt aan nieuw materiaal, verlaat
hij de groep en wordt hij opgevolgd door Devoto’s ex-schoolmakker
Ben Mandelson. In april wordt de stilte doorbroken
met het opvallend aanstekelijke ‘About the Weather’, de voorloper
van het album ‘Magic, Murder and the Weather’
(’81). Ontevreden over de eigen productie, worden de opnames nog
maar eens onder handen en gemixt door Martin Hannett. Het resultaat
is een erg frisse, toegankelijke plaat vol kristalheldere, subtiele
en bij vlagen zelfs dansbare songs. Jammer genoeg betekent dit
vierde album meteen ook het laatste voor de groep. Wanneer ‘About
the Weather’ flopt (nochtans één van de meest commerciële
Magazine-nummers), kondigt Devoto aan dat hij uit de groep
stapt.

Gelijkenissen en invloeden
Natuurlijk was Magazine niet de enige groep die het in volle
punkexplosie over een andere, meer verfijnde en uigediepte boeg
gooide. Een groep die uit dezelfde muzikale bronnen putte als
Magazine was de eerste incarnatie van Ultravox!
(met uitroepteken, maar nog zonder Midge Ure). Opvallend is hoe
deze groep zich ook liet beïnvloeden door Roxy Music, Bowie, Eno,
punk enzovoort, maar tot een heel ander, maar vaak even boeiend
resultaat kwam. Een andere, minstens even belangrijke en vooral
invloedrijke band uit Manchester die punk eerder als een
uitgangspunt zag dan een doel op zich en op haar manier popmuziek
opnieuw uitvond is natuurlijk The Fall.

Het is vandaag haast niet te geloven, maar ooit was ook
Simple Minds een band die uitgekiende pop koppelde
aan experiment. Vooral op ‘Real to Real Cacophony’ of ‘Empires and
Dance’ (niet toevallig allebei geproducet door John Leckie) zijn de
invloed en/of parallellen met Magazine opvallend. Een andere band
waar we moeten aan denken is Japan. Na twee
glamfunk-platen koos de groep rond David Sylvian vanaf ‘Quiet Life’
voor een sound die eerder aansloot bij dat van Roxy Music. Maar
terwijl Sylvians stem eerder plooide naar die van Bryan Ferry, kan
men ook niet om de gelijkenissen heen tussen de spelstijl van
Japan-bassist Mick Karn en die van Barry Adamson.

Ook vandaag zijn er nog altijd artiesten die de naam van Magazine
(of van één van de groepsleden) laten vallen als hen wordt gevraagd
naar hun voorbeelden en invloeden. Radiohead, Morrissey, John
Frusciante, Maxïmo Park en Kaiser Chiefs, … Het zijn maar enkele
namen van artiesten die zich naar eigen zeggen lieten inspireren
door wat door sommigen wel eens letterlijk de eerste echte (Britse)
postpunkband wordt genoemd.

Leven na Magazine
magazineshelldevoto.jpgHoward Devoto is diegene die na
het opdoeken van de groep het minst indrukwekkende palmares kan
voorleggen. Na de split werkte hij samen met Dave Formula aan een
soloplaat (‘Jerky Versions of the Dream’), die een
verrassend toegankelijke Devoto laat horen en een beetje in de lijn
ligt van de elektroplaten van Pete Shelley. Daarna koos hij er
bewust voor een tijdlang uit de schijnwerpers te blijven. In 1988
vormt hij met Liverpudlian Noko Luxuria. Het duo
brengt twee wisselvallige en eerder lauw onthaalde platen uit,
waarna het weer erg stil wordt rond Devoto. Pas in 2001 komt er
nieuw werk: onder de naam ShelleyDevoto brengt hij
met zijn ex-Buzzcocksmaatje de plaat ‘Buzzkunst’ uit. Tussendoor
leverde hij ook nog bijdragen aan nummers van This Mortal Coil en
(verrassender) de Britse neo-progrockers
Mansun.

Dan is de erelijst van McGeoch veel
indrukwekkender. Nog tijdens zijn Magazine-periode verhuurt hij
zijn diensten aan Generation X en aan Siouxsie and
the Banshees. Samen met Dave Formula en Barry
Adamson is hij in diezelfde periode zelfs twee platen lang lid van
Visage, de band rond Steve Strange die met ‘Fade
to Grey’ een glitsch-klassieker schreef. Na zijn vertrek bij
Magazine wordt hij fulltime Banshee, tot hij in 1982 samen met
Skids-zanger Richard Jobson en ex-Magazine-drummer John Doyle
The Armoury Show begint. Vier jaar later stapt hij
over naar Public Image Limited, de groep die hij
trouw blijft tot aan de split in 1992. Tussendoor werkt hij ook nog
samen met Midge Ure en Peter
Murphy
(Bauhaus), en is hij zelfs betrokken bij een
project met ex-leden van Spandau Ballet en Heaven 17. Na de split
van PIL houdt hij zich nog bezig met het componeren van muziek voor
tv en gaat hij weer studeren. Tijdens zijn laatste levensjaren
werkt McGeoch als verpleger, tot hij in 2004 plots overlijdt.

Barry Adamson speelt niet alleen een tijdje bij
Visage, na de split van Magazine steekt hij ook
een handje toe op de soloplaten van Buzzcocks-zanger Pete
Shelley.
Hierna wordt hij – vier albums lang – bassist van
Nick Cave‘s Bad Seeds. Vanaf 1987 gaat hij solo en
brengt hij onder zijn eigen naam albums en soundtracks uit. Tussen
de bedrijven door is hij ook nog te horen op platen van
Luxuria en Midge Ure, en in 2001
maakt hij met het Finse Pan Sonic een ep.

Nadat ze samen met Adamson en McGeoch Visage op de rails hebben
gezet, helpen Dave Formula en Robin Simon Ultravox!-zanger van het
eerste uur John Foxx bij zijn solocarrière (Foxx
is de man die ooit een culthit scoorde met ‘Underpass’). Hierna
stort ook hij zich op soundtracks en maakt hij zelfs enige tijd
deel uit van een wereldmuziekband. Formula werkt op dit ogenblik
aan een eerste soloplaat.

Martin Jackson verlaat Magazine al na de eerste plaat en wordt even
lid van The Chameleons, een andere fantastische
band uit Manchester. Later proeft hij zelfs even van
hitparadesucces met Swing Out Sister en werkt hij
samen met niemand minder dan Frank Zappa.

Ben Mandelson tot slot werkt na de laatste
Magazine-plaat samen met PIL-bassist Jah Wobble en
met Shriekback. Vervolgens maakt hij als gitarist
en violist deel uit van The Blokes (de begeleidingsband van
Billy Bragg) en levert hij bijdragen aan platen
van The Pogues en van Kirsty
MacColl
. Vandaag concentreert Mandelson zich vooral op
folk- en wereldmuziek.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + veertien =