Pukkelpop 2026 :: Tongstruikelen over countryhobbels

Zaterdag 22 augustus: Een kolkend hellegat

“Is het ooit te vroeg om te pieken?”, horen we Kids With Buns verkondigen vanop de mainstage. Wel, dames, op onze leeftijd helaas wel. Zeker wanneer op dag drie de algemene verfomfaaidheid begint in te zetten. Geen vroege shift dus vandaag, maar zeker genoeg lekkers om de dag door te komen.

Het Engelse doompunk-viertal Witch Fever is een nobele onbekende als opener van de Back Yard vandaag, maar bracht blijkbaar al drie albums uit, waarvan twee op Sony’s alternatieve/metallabel Music For Nations. Het viertal uit Manchester focuste zich tot nu toe voornamelijk op het kleinere clubcircuit in de UK, en Pukkelpop is dan ook hun enige zomerfestival op het continent. Gaan we hier dan vandaag misschien een verborgen hype ontdekken? Nou, dat valt mee: de dames hebben een onmiskenbaar loodzware sound die ons doet denken aan voorbeelden als Conjurer of Chat Pile (morgen gaan kijken, mensen!). De set blijft echter hoofdzakelijk in veilige midtempo-havens dobberen, en fluctueert wat te veel qua intensiteit en energieniveau. Maar wanneer de songs wat meer dynamiek vertonen -die breakdown van “Reincarnate” is oprecht indrukwekkend- toont Witch Fever dat er best wat vlees aan het bot hangt. Geef dit piepjong viertal nog wat kilometers in de tourbus en het schrijfhok, en dit kan wel wat worden.

Vandaag overigens voor het eerst in zeventien jaar opnieuw op de wei: (bvp), en die had thuis een alinea’tje met wat basisuitleg over Gurriers voorbereid. Dat was naïef van hem, want u was al lang massaal aanwezig in de clubtent, en omarmde deze Ierse noise/postpunkers alsof ze om de hoek wonen. U danste, sprong, vormde een indrukwekkende circlepit rond – voor de gelegenheid uitgedost in een jurkje uit de garderobe van Siouxsie – bassist Charlie McCarthy, crowdsurfte dat het een lieve lust was en maakte zelfs een vier man hoge menselijke toren om “Nausea” mee te brullen.

De voltallige band viel dan ook witheet het podium aan, stoïcijnse drummer Pierce O’Callaghan uitgezonderd (wat denkt hij? wat voelt hij?). Het helpt uiteraard ook, als er brandbommen van nummers als “Close Call”, “Des Goblin”, “Approachable” of “Party Lines” en van op het in september te verschijnen gelijknamige album “Nobody’s Coming To Save You” rücksichtlos de Club ingekeild worden. U nam met andere woorden die albumtitel letterlijk, en vormde de tent om tot een kolkend hellegat. In november staan ze in de AB. Dan willen we dat u minstens met zijn zessen op elkaar kruipt. Of wacht, neen. Doe toch maar niet.

Een bodybuilderspose en dan met “Catch These Fists” een begin dat uit de boxen spat: wat een band is Wet Leg geworden sinds het zich in 2021 aan de wereld presenteerde. Wat toen een wat quirky bandje leek, eentje dat vooral dreef op dat ráár zijn, heeft zich ontpopt tot een geroutineerde festivalmachine die zijn begin niet mist. “Oh No” en “Wet Dream” volgen, en maken een trits singles compleet: bam, opening niet gemist.

Tot wat een frontvrouw is Rhian Teasdale ondertussen ook ontpopt! Ze staat daar vooraan het podium alsof ze er voor geboren is, en gitariste Hester Chambers, die de band mee oprichtte dat vooral heel erg goed vond: kon zij in de achtergrond verdwijnen. In “Ur Mum” maant Teasdale ons aan om een kreet te slaken, de “aaaaaaargh” die vervolgens opklinkt, blijft eindeloos weergalmen. Je beseft dat als de stap tussen plaat één en twee al zo groot kon zijn, de groeimarge van deze band misschien nog groter is. Chambers en Teasdale zetten van de weeromstuit een gezamenlijk danspasje: toch nog altijd die twee meisjes die ooit in het reuzenrad van een festival besloten om een eigen groepje te starten.

En toch kakt het even in. Ergens tussen “Pillow Talk” en “U And Me At Home” verliest het viertal de aandacht; overstaying their welcome. Gelukkig is daar doorbraaksingle “Chaise Longue” om de eindspurt in te luiden. U brult “What??” richting podium, zo lullen een eindje weg over die “Big D” vooraleer ze nog maar eens dat heerlijke riedeltje lossen Valt daar nog iets aan toe te voegen? De groep probeert nog met “CPR”en “Mangetout”, maar: neen.

Het is niet de overrompeling zoals bij Gurriers, maar ook Maruja weet toch best wat volk in de Club op de been te brengen met hun onconventionele cross-over van jazz, noiserock, punk en hiphop. De vier Mancunians sleutelden met een handvol uitstekende EP’s aan hun sound, die op het vorig jaar verschenen album Pain To Power op punt werd gesteld. Het verbaast dus niet dat het merendeel van de set uit dit album putte. Alsof het een statement was, knalt openingsnummer “Bloodsport” er meteen oerhard in. De vervaarlijk grommende bas van Matt Buonaccorsi (die bekken staat te trekken alsof hij auditie doet voor een black metalban) en de manische drumpartijen van Jacob Hayes vlàmmen de club in, en de staccato rappartijen van frontman Harry Wilkinson houden het publiek bij het nekvel. Uppercuts “Break The Tension” en “Zeitgeist” delen nog een paar extra krachtige meppen uit, met nog een passioneel “Free Free Palestine” (Mooi massaal meegezongen door het publiek).

Maruja’s intensiteit laat weinig ruimte voor subtiliteit, wat soms doet vergeten dat de meeste nummers toch wel wat op elkaar lijken: zelfde opbouw, zelfde tempo, zelfde uitbarsting op het eind. We missen dan ook een rustpunt om dat patroon te breken zoals het prachtige “Saoirse”, dat helaas niet in de set is opgenomen. Maar de eindspurt met knallers als “Born To Die” en een tien minuten durend tempeest “Look Down On Us”, waar saxofonist Joe Carroll zijn instrument bijna aan gort blaast, maken veel goed. Als Maruja het verschil tussen ‘een eigen sound hebben’ en ‘maar één eigen sound hebben’ onder de knie krijgt, gaan die kerels nog serieuze potten breken.

Waarna het tijd is voor stemmige rock bij een flink aan te raden portie butter chicken. Het treft dat in de Marquee, net om de hoek van de Food Wood, Wunderhorse flink van nineties aan het doen is. Je hoort het aan de warm ronkende gitaren van “Butterflies”, “Girl” klinkt dan weer als ongeveer elke act die we ons herinneren van een passage hier in de tweede helft van de jaren negentig. En dan moet “July” nog komen, dat met dat dramatisch gebrulde “Ready to die” helemaal grungy aandoet. Uiteindelijk wordt afsluiter “Rain” zelfs zo eindeloos uitgejamd dat je het echt wel zeker weet: die jaren negentig, ze zijn terug. Volgend jaar allemaal afspraak in flannellen hemd.

Weinig bands die de metalwereld zo verdelen als Deafheaven. De ene vindt hun kruising tussen black metal en shoegaze een geniale ingeving, de ander spuugt het uit als een emmer levertraan. Maar love them or hate them, doorbraakplaat Sunbather is intussen al 13 jaar oud, en de heren staan hier toch maar mooi de Backyard om te ploegen. Van de oorspronkelijke band zijn enkel nog maar zanger George Clarke en gitarist Kerry McCoy op post, maar de reservebank van dienst legt er strak de pees op. De eerste kopstoot komt in de vorm van het toepasselijk genaamde “Doberman” uit de meest recente, uitstekende plaat Lonely People With Power. Vlammende gitaren, ratelende blastbeats, oerschreeuw: weinig verrassingen hier, maar het wordt allemaal tot in de puntjes en met meer dan voldoende gusto gebracht. De setlist put ook uit ouder werk vanop Sunbather en New Bermuda (nog steeds hun twee beste albums), maar vooral nieuwe nummers als “Magnolia” of afsluiter “Winona” klinken nog okselfris. Voor zover je een black metaloptreden ‘leuk’ kan noemen, was Deafheaven op de Backyard… wel, gewoon leuk.

Natasha Bedingfield vermangelt vervolgens “Glory Box”. We herhalen: Natasha Bedingfield doet iets lelijks met Portishead. En eigenlijk zou deze recensie daarbij moeten stoppen, maar omdat het altijd nog wat erger kan, haalt ze even later “Zombie” van The Cranberries boven. Korte samenvatting? Deze boeking van een treurige has-been act die grotendeels covers bracht was een aanfluiting.  En toch heeft de Britse zangeres vandaag heel veel mensen blij gemaakt met “These Words” en “Unwritten” en een streepje nostalgie. En misschien is dat het probleem: hier had een zoveel meer relevante act kunnen staan. Eentje die iets zegt over vandaag, in plaats van struisvogel-escapisme en ander wegkijken aan te moedigen. Het is zonde, het is programmatorische gemakzucht en een schande voor alles wat Pukkelpop zou moeten zijn.

Niet alleen Natasha Bedingfield is aan een onverwachte comeback bezig (ja, we hebben u gehoord, wei!), maar godbetert ook Deftones zijn weer razend hip bij het jonge volk. We zien verbazingwekkend veel tieners met een shirt van deze intussen oudgedienden van de *hoest, slik* nu-metal rondlopen, en aan de mainstage worden we zowaar omringd door meisjes en jongens half zo oud als onszelf. Het ligt blijkbaar aan Tiktok, dus voor één keer zijn we eens niet boos op het onding, maar gelukkig ook aan het vorig jaar verschenen Private Music dat Deftones’ beste plaat in jaren is.

Maar het oudere werk slaat ook nog steeds aan, merken we wanneer we jong en oud “I DON’T CARE WHERE JUST FAR” horen brullen tijdens inmiddels vast openingsnummer “Be Quiet And Drive”, waar we helaas enkel de ingekorte singleversie van krijgen. En we missen uiteraard ook gitarist Stephen Carpenter: te paranoïde om naar Europa te reizen en vervangen door twee invalgitaristen, die gelukkig het snot voor hun ogen spelen. Een rotstrak “Around The Fur” (wat een drumintro toch!) maakt echter alles goed, zeker wanneer we horen dat Chino Moreno’s stem er betrekkelijk goed bijzit vandaag. Nuja, dat schreeuwen gaat hem al een tijd niet meer af, maar zingen kan hij nog steeds als de beste. Bewijs daarvan het intens knappe “Rosemary” van op het ook alweer 14 jaar oude Koi No Yokan.

Zo laveert Deftones tussen zalven met “Entombed” en “Sextape” en “Change (In The House of Flies)” en slaan met energiepieken bij “Rocket Skates”, “My Mind Is A Mountain” en uiteraard gouwe ouwe “My Own Summer”. Vaste afsluiter “7 Words” zet de mainstage nog een laatste keer in de fik, en dan is het optreden na een uurtje al achter de rug. Dat had voor ons gerust nog een half uurtje mogen doorgaan, maar om weer festivals te headlinen zal Deftones nog wat meer Tiktok-viral moeten gaan. Verdorie, hoor ons nu eens bezig…

Het lijkt alsof het gisteren was, maar het is alweer van 2019 geleden dat Amyl And The Sniffers voor 200 punkers in Het Bos in Antwerpen speelden. Vandaag moeten deze Australische nektapijten maar liefst 15.000 losgeslagen festivalbezoekers trotseren. Maar met een frontvrouw als Amy Taylor, wiens energie moeiteloos heel Pukkelpop van stroom kan voorzien, is dat voor dit viertal een piece of piss. Eén uur, negentien nummers: dat zijn verdorie grindcoresnelheden!

Aftrappen met een vlammend “Control” vanop het debuutalbum, en er nog een paar van die heerlijke van die heerlijke punkstampers (“Capital” en “Cup of Destiny”) bijkletsen: zo grijp je een stampvolle marquee moeiteloos bij het nekvel. Geleidelijk aan wordt er ook in het latere werk gedoken, en maakt de ziedende punk meer en meer plaats voor de wat meer gezapige pubrock van het recentere werk. “Chewing Gum”, “Tiny Bikini” of “Me And The Girls”, allen het laatste album Cartoon Darkness halen de energie wat uit het optreden, wat toch voor een flinke dip halverwege zorgt. Eindigen doen we gelukkig toch in zesde versnelling met “Some Mutts (Can’t Be Muzzled)” en de uppercut “GFY”. En geef toe, niets zegt meer ‘geslaagd optreden’ dan een volle Marqee die “Go Fuck Yourself” scandeert.

Gehoord, Lil Kleine?

“Everybody Scream”, beveelt Florence, en ze geeft zelf het goeie voorbeeld. Met wat hekserige danseressen in haar kielzog, en haar Machine in de rug, pakt ze op de Main Stage revanche voor haar afgezegde headlineset van 2023. Op blote voeten pleit ze voor dankbaarheid, bevrijding en hoe je soms een offer aan de goden moet brengen. Dat komt vandaag neer op: mensenstapeltjes richting de hemel bouwen. Van waar wij staan kunnen we ze niet zien, maar onze kop eraf als die viertoren van bij Gurriers en Turnstile hier niet herbouwd wordt.

Die levensbedreigende toestanden van drie jaar terug zijn duidelijk overleefd: Florence Welch staat hier in goeien doen, is sterk bij stem en bezweert zich op blote voeten door een carrière-overspannende set. “Rabbit Heart (Raise It Up)” was een oudje dat nog geen dag versleten leek, dat het ingekort moest om er “You Got The Love” te laten uit voortvloeien was onnodig; die Candi Station-cover voelt ondertussen wél vermoeid. Neen dan liever “Hunger” en “King” waarin ze nog maar eens liet horen wat voor goeie zangeres ze is.

En toch: het Céline Dion-schap ligt op de loer. Af en toe gaat het iets te vaak om lang en luid loeien, rollen met de stembanden; showboating. En wie powerballads schrijft als “Never Let Me Go” lonkt sowieso naar Vegas. Goeie powerballad anders wel, maar geen “Listen To Your Heart”. Waarna alle lichten aangaan, een harp in het heel erg groot op de gargantueske schermen – goeie innovatie, Pukkel! – verschijnt, en u, uw buurvrouw en de rest van de wereld meebrult met “Dog Days Are Over”. Naar verluidt was het maar enkele kilometers minder ver te horen dan dat “Unwritten” van een paar uur eerder.

En zo zijn we alweer aan uitbollen toe. Karl Hyde, immer de Walter Capiau in zich loslatend, speelt Hoger Lager op de achtergrond terwijl we richting Camping Pukkie fietsen, de nightcap lonkt, de tent nog meer. Morgen alweer de laatste dag. Nét nu we er inkomen.

Beeld:
André Joosse, Jan Van Den Bulck

verwant

recent

Kristin Hersh :: Sugar On Blackstone

Van indieband Throwing Muses over punkgroep 50 Foot Wave...

Westside Cowboy :: It Goes On

Stel je je meest zorgeloze zomer voor, zo eentje...

Carissa’s Wierd :: No One Lives Here Anymore

Bijna 25 jaar na hun laatste plaat brengt Carissa's...

La Biennale Arte di Venezia:: Venetië (Deel II)

Omdat de Biënnale van Venetië een gigantisch evenement is...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in