Waar leerde je vroeger je partner kennen? Niet op Tinder, maar op de dansvloer. Waar hoorde je de nieuwste muziek? Niet via Spotify, maar uit een krakende jukebox of tijdens een avond in de plaatselijke dancing. En waar werd België onverwacht een wereldspeler? Niet op het voetbalveld, maar in de internationale clubscene. Met C’est Party! brengt het Gentse Huis van Alijn, vlak vóór de start van de 183e editie van de Gentse Feesten, een bruisende en heupzwaaiende tentoonstelling die honderd jaar uitgaansleven in Vlaanderen en Brussel samenbrengt. Het resultaat is veel meer dan een nostalgische terugblik: het is een verrassende en rijke cultuurgeschiedenis van hoe muziek, mode, technologie en maatschappelijke veranderingen elkaar op de dansvloer ontmoetten.
Uitgaan lijkt vandaag voortdurend onderwerp van discussie. Clubs verdwijnen, cafés sluiten de deuren en jongeren zouden hun vrije tijd anders beleven dan vorige generaties. Toch leert C’est Party! dat zulke bezorgdheden van alle tijden zijn. De vorm verandert voortdurend, maar de behoefte om samen te komen, te dansen, verliefd te worden of gewoon even de dagelijkse sleur te vergeten, blijft opvallend constant. Precies dat maakt deze tentoonstelling zo actueel.
Het Huis van Alijn, het vroegere Kinderen Alijnshospitaal en sinds 1962 het Museum voor Volkskunde, waagt zich met C’est Party! aan een bijzonder ambitieus project. Voor het eerst wordt een volledige eeuw uitgaansgeschiedenis van Vlaanderen en Brussel in kaart gebracht. Niet als een droge chronologie van muziekstijlen, maar als een levendig verhaal waarin mensen centraal staan. Van de eerste jazzorkesten uit het interbellum tot de hoogdagen van de baandancings en de revolutie van de discotheken, en vervolgens de opkomst van new beat, megaclubs en festivals als Tomorrowland: de tentoonstelling laat zien hoe iedere generatie haar eigen soundtrack en ontmoetingsplaatsen creëerde.
Wat C’est Party! onderscheidt van een klassieke muziektentoonstelling, is de veel bredere invalshoek. Natuurlijk speelt muziek een hoofdrol, maar deze expo gaat evenzeer over emancipatie, migratie, technologie, seksualiteit, mobiliteit, identiteit, veiligheid en inclusie. De dansvloer blijkt daarbij een verrassend nauwkeurige graadmeter voor maatschappelijke veranderingen.
Wanneer jazz in de jaren twintig vanuit de Verenigde Staten Europa bereikt, verandert niet alleen de muziek. De nieuwe stroming brengt een ongekende energie met zich mee, maar ook de sociale omgangsvormen veranderen ingrijpend. Nieuwe dansen zoals de charleston en de foxtrot brengen mannen en vrouwen dichter bij elkaar dan ooit tevoren. Ondanks economische onzekerheid en een strenge katholieke moraal groeit uitgaan uit tot een belangrijk onderdeel van het dagelijkse leven. In tearooms, volkse cafés en art-decodancings ontstaat een nieuwe vrijetijdscultuur waarin muziek, mode en sociale contacten hand in hand gaan.
Na de Tweede Wereldoorlog dient zich opnieuw een revolutie aan. Rock-‘n-roll zorgt voor het ontstaan van een echte jongerencultuur. Muziek wordt meer dan ontspanning: ze wordt een onderdeel van de identiteit. Jongeren stemmen af op buitenlandse radiozenders, verzamelen zich rond jukeboxen en spiegelen zich aan Amerikaanse sterren. Voor het eerst ontstaat een generatie die zich nadrukkelijk wil onderscheiden van haar ouders. Het café wordt een plek waar nieuwe muziek, nieuwe mode en nieuwe ideeën elkaar ontmoeten.
Een van de meest fascinerende hoofdstukken van de tentoonstelling is zonder twijfel dat over de baandancings. Wie vandaag langs Vlaamse steenwegen rijdt, kan zich moeilijk voorstellen dat zich hier ooit het kloppende hart van het uitgaansleven bevond.
Vanaf de jaren zestig verrijzen langs de grote verkeersassen honderden danszalen met ruime parkeerterreinen, draaiende dansorgels en grote dansvloeren. Namen als De Toverfluit, De Dierentuin, De Willem Tell, De Riva of De 14 Billekens spreken vandaag nog altijd tot de verbeelding van wie die periode meemaakte. Elke zaterdagavond reden duizenden Vlamingen tientallen kilometers om er vrienden te ontmoeten, te dansen of misschien wel de liefde van hun leven tegen het lijf te lopen. De baandancing was tegelijk café, balzaal, concertzaal en sociaal ontmoetingscentrum. De uitbaters programmeerden er niet alleen buitenlandse orkesten, maar ook populaire Vlaamse artiesten zoals Will Tura, Salvatore Adamo, Louis Neefs, Rocco Granata en later zelfs The Pebbles.
De expo maakt op een knappe en rijk geïllustreerde manier, aan de hand van authentieke opnames uit verschillende periodes, duidelijk hoe democratisch deze plekken waren. Arbeiders, bedienden, boeren en studenten ontmoetten elkaar op dezelfde dansvloer. Sociale grenzen vervaagden er voor één avond.
Vanaf de jaren zeventig verschuift de aandacht geleidelijk van het liveorkest naar de dj. Nieuwe technologie maakt het mogelijk platen naadloos in elkaar te laten overlopen, waardoor dj’s met hun talentvolle mixen urenlang een dansvloer in beweging houden. Mobiele discobars zoals de Mike & Zaki Show, het drive-in-pioniersproject van Mike Verdrengh en Jackie ‘Zaki’ Dewaele, trokken van parochiezaal naar fuif en van dancing naar dancing. De dj groeit langzaam uit van iemand die plaatjes draait tot de spil van een volledige uitgaansavond.
Dat proces krijgt in België een bijzonder vervolg. In de jaren tachtig ontwikkelt zich een unieke muziekscene die uiteindelijk leidt tot de geboorte van de zogenaamde popcorndancings, waar exclusieve importplaten en een eigen dansstijl een trouwe aanhang creëren. Van daaruit ontstaan, via de Electronic Body Music (EBM), uiteindelijk ook de eerste vormen van new beat, die op hun beurt de basis leggen voor de latere Europese techno-, rave- en dancescene.
De bekendste versie van het verhaal over het ontstaan van dit beroemde muziekgenre vertelt hoe een dj in de Antwerpse club Ancienne Belgique per ongeluk de EBM-plaat “Flesh” van A Split-Second op 33 toeren in plaats van 45 draaide, waarbij hij bovendien de pitch iets verhoogde. Daardoor kreeg de muziek een traag, zwaar en hypnotisch karakter. Dat bleek onverwacht perfect om op te dansen. Andere dj’s namen het idee over en begonnen bewust platen te vertragen. New beat is trouwens een van de weinige muziekgenres die wereldwijd rechtstreeks met België worden geassocieerd. Denk daarbij vooral aan Belgische groepen als Front 242, The Neon Judgement, Absolute Body Control en Confetti’s die zorgden voor ‘the sound wich creates a new dimension and a new style of music’, die tijdens het bezoek via de hoofdtelefoon ongetwijfeld voor de nodige lichaamsbeweging zorgen.
Niet toevallig speelt ook Gent daarin een belangrijke rol. De befaamde megaclub Boccaccio in Destelbergen groeit, met ster-dj’s Olivier Pieters, Phil Watts en Frank De Wulf en de legendarische Sunday Parties, uit tot een bedevaartsoord voor duizenden jongeren uit binnen- en buitenland. Terecht besteedt de tentoonstelling in dit hoofdstuk ook ruime aandacht aan The Popcorn (genoemd naar de gelijknamige hit van James Brown), een voormalige hoeve in Vrasene die door uitbater Robert Opgenhaffen werd omgetoverd tot een hippe internationale place to be. Gilbert ‘Gibbe’ Govaert en Freddy Cousaert, de onvermoeibare platenjagende dj’s, lanceerden in deze muziektempel de zogenaamde popcornmuziek, die al snel een mythische reputatie kreeg. Later volgt I Love Techno, dat vanuit de Gentse Vooruit uitgroeit tot een van Europa’s bekendste dance-evenementen. België wordt plots een internationaal referentiepunt voor elektronische muziek.
De kracht van C’est Party! zit niet alleen in het grote, overzichtelijke, chronologische en uitstekend gestructureerde verhaal, maar vooral in de details. Achter nagenoeg ieder zorgvuldig gepresenteerd object in het Huis van Alijn schuilt een herinnering.
Een eenvoudig koffietasje uit tearoom Fritz in de Gentse Veldstraat vertelt hoe men honderd jaar geleden tijdens een thé dansant koffie dronk terwijl het orkest speelde. Een originele Rock-Ola-jukebox roept meteen de cafés uit de jaren vijftig op, waar jongeren voor enkele muntstukken hun favoriete nummers konden kiezen. Ook de hoed van Bobbejaan Schoepen is meer dan zomaar een museumstuk. Hij herinnert aan een artiest die erin slaagde muziek, entertainment en ondernemerschap met elkaar te verbinden en uiteindelijk Bobbejaanland uit de grond te stampen.
Ook de gitaar waarmee Bobby Setter voor vele dansende menigtes optrad, spreekt tot de verbeelding. Na een carrière als jodelende kindster groeide Bobby Setter uit tot leider van de Bobby Setter Band, een razend populair dansorkest in binnen- en buitenland.
Het witte, iconische paar Buffalo-schoenen met oranje veters, een zool van ongeveer tien centimeter hoog en een opvallend brede, golvende vorm, was veel meer dan een modegril uit de jaren negentig. De schoenen zijn uitgegroeid tot een icoon van de Europese dance-, rave- en popcultuur, vergelijkbaar met de betekenis die Dr. Martens hadden voor de punkbeweging of Converse All Stars voor de rockcultuur. Ze maakten de dansvloeren van de megadancings in de jaren negentig letterlijk onveilig.
De Lenco-platenspeler L75 is een van de meest vermaarde platenspelers. Met twee exemplaren bouwden vele dj’s vanaf de jaren zeventig een discobar op. Ze trokken met hun drive-inshows rond en praatten de plaatjes aan elkaar, totdat het mengpaneel een vloeiende overgang tussen twee platen mogelijk maakte. Ook de transistorradio van het Belgische merk SBR (Société Belge Radio-Electrique), waarmee luisteraars de zogenaamde piratenzenders konden ontvangen, vormt een mooi tijdsdocument.
Indrukwekkend is zeker het front van een Caprice-dansorgel, ooit het kloppende hart van talloze baandancings. En voor bezoekers die de Belgische dancescene bewust hebben meegemaakt, zijn vooral het authentieke new beat-jasje, de inmiddels legendarische I Love Techno-onderbroek en de exclusieve Tomorrowland-ticketbox met polsbandje absolute blikvangers. Het zijn objecten die nog verrassend recent aanvoelen, maar tegelijk al cultureel erfgoed zijn geworden, maar die de bezoekers van dichtbij kunnen bewonderen.
En misschien zijn de vele anekdotes waarmee de tentoonstelling voortdurend verrast, nog boeiender dan de eerder aangehaalde topstukken. Zo ontdek je dat Vlaanderen ooit honderden baandancings telde, dat België in de jaren negentig bekendstond als ‘het land zonder sluitingsuren’ en dat bezoekers uit Nederland, Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië speciaal naar ons land kwamen om er een volledig weekend te feesten.
Minstens even interessant is dat C’est Party! ook bijzondere aandacht schenkt aan mensen die doorgaans buiten beeld blijven. Toiletmedewerkers, portiers en veiligheidspersoneel blijken al decennialang een cruciale rol te spelen in het nachtleven. Zij boden vaak hulp aan bezoekers die onwel werden, met liefdesverdriet kampten of te maken kregen met ongewenst gedrag, lang voordat begrippen als ‘care teams’ ingang vonden. Daarmee toont de expo dat uitgaan niet alleen draait om muziek, maar ook om zorg, verantwoordelijkheid en solidariteit.
Een van de meest originele inzichten van C’est Party! is dat het nachtleven nauwelijks tastbare sporen nalaat. Een schilderij hangt eeuwenlang aan een muur. Een kerk blijft vaak honderden jaren overeind. Maar een flyer verdwijnt na één avond in de vuilnisbak. Een toegangsticket belandt in een broekzak en wordt vergeten. Een affiche wordt overschilderd. Digitale uitnodigingen verdwijnen vandaag soms al na enkele uren uit onze tijdlijn.
Juist daarom verdient deze tentoonstelling bijzondere aandacht. Ze toont hoeveel moeite nodig is om het geheugen van het uitgaansleven te bewaren. Voor deze expo werden honderden foto’s, affiches, tickets, persoonlijke archieven en getuigenissen samengebracht uit musea, privécollecties en de dancewereld zelf. Daardoor ontstaat niet alleen een boeiend overzicht, maar ook een belangrijk historisch archief voor toekomstige generaties.
Gelukkig vervalt C’est Party! nergens in goedkoop sentiment. De tentoonstelling eindigt nadrukkelijk in het heden en kijkt zelfs vooruit. Ze stelt vragen over de toekomst van het nachtleven, over sociale media, inclusie, queer-uitgaanscultuur, veiligheid, middelengebruik en de impact van de coronaperiode. Uitgaan blijkt voortdurend in beweging te zijn, maar blijft tegelijk een essentiële vorm van sociale verbondenheid.
C’est Party! behoort zonder twijfel tot de meest verrassende tentoonstellingen die deze zomer in Vlaanderen te zien zijn. Niet omdat ze zoveel iconische objecten samenbrengt – al is dat op zich al indrukwekkend – maar omdat ze erin slaagt een vluchtige wereld tastbaar te maken. De expo toont hoe de geschiedenis van cafés, danszalen, discotheken en festivals tegelijk de geschiedenis is van Vlaanderen en Brussel zelf.
Wie de expo verlaat, heeft niet alleen een eeuw muziekgeschiedenis doorkruist, maar ook een beter inzicht gekregen in hoe generaties elkaar vonden, verliefd werden, zich afzetten tegen bestaande normen en telkens opnieuw hun eigen plek in de nacht creëerden.
Dat maakt C’est Party! tot veel meer dan een vademecum over uitgaan. Het is een levendige cultuurgeschiedenis van het dagelijkse leven, verteld aan de hand van muziek, herinneringen en honderden kleine verhalen die samen één groot verhaal vormen. En precies daarin schuilt haar grootste verdienste.
Een welgemeend applaus verdient curator-conservator Evelien Jonckheere en Ann Van Nieuwenhuyse, directeur van het Huis van Alijn, die samen met een brede groep partners, de UGent en tal van experts, deze indrukwekkende tentoonstelling realiseerden. C’est Party! is een must voor jong en oud, want het is the sound of C, the C of C’est Party!
C’est Party! loopt nog tot 30 september 2027.
C’est Party! is te zien in Huis van Alijn, Kraanlei 65 in 9000 Gent. Dagelijks van 10u tot 18u (behalve op woensdag). Meer info via de website van Huis van Alijn.



