Left Of The Dial 2025 :: Een beginnerskwestie met vuistje

Bedànkt

Sommige mensen vervellen, anderen houden er een tweede leven op na. Zac Lawrence maakte hier al verschillende keren het mooie weer, dit jaar – met de barometer een stuk minder gunstig – staat hij er onder eigen naam. “Ik heb het even uitgeteld: het moet de zevende keer zijn dat ik in Rotterdam speel. Dat is meer dan ik thuis ben geweest”, grijnst hij die met Deadletter de afgelopen jaren het continent rond trok.

Verwacht echter niets van de energieke post-punk van die band. Solo ontpopt Lawrence zich ook op recente tweede plaat Beware Of Pity tot een folkie die al in openingsnummer “You Must Be The Rain” – “Een song die ik speciaal voor vandaag schreef”, grapt hij over de storm – laat horen een aardige picking in de vingers te hebben. Deadletter-kameraad Nathan Pigott staat hem bij op klarinet. Het is zo anders dan wat we van deze man gewoon zijn dat het bijna een mindfuck wordt, maar als in een parallel universum lijkt dit voor Lawrence gewoon te zijn. Met ook nog Blossom Caldarone op cello brengt hij songs die thuishoren in een intieme setting, en laten horen wat voor goeie zanger hij kan zijn als hij geen vinnige teksten moet scanderen. Je hoort het in “The Great Rodeo’s Star Return” maar ook in “Hotel Hamburg”, een geweldig verhaal over een treurig hotel dat vooral niét in die stad gelegen was. “Bedànkt”, klinkt het droog na afloop. Na zeven keer mocht dat ene woordje Nederlands wel.

En zo zitten we aan dat iets zeldzamere ingetogen kantje van Left Of The Dial, waar ook Brown Horse zich laat horen. Wanneer de band in Rotown, de bakermat van Left Of The Dial, goedlachs opkomt in een gezellig warme, bruin-gouden gloed, voelen we ons onmiddellijk op ons gemak. Frontman Patrick Turner – met z’n seventies-haarsnit en dito snor heeft hij in dit licht aardig wat weg van peak George Harrison – heeft ook die simpele charme en rustgevende stem die de muziek van zijn band de nodige stabiliteit geven. Met de combo van accordeon, lap steel guitar en banjo knutselt de zeskoppige band aangename country-folk en americana met het hart en een halve voet in de jaren zeventig.

Het zijn steengoeie muzikanten. De basgitaar verwisselt drie keer van nek, bijna zonder dat het opvalt. Soms horen we een vleugje Band Of Horses op z’n gemoedelijkst, of labelgenoten Felice Brothers. “Wipers” is een uitschieter: we wanen ons op een herfstnachtelijke autorit door het niemandsland tussen grootstad en provinciedorp, een tocht die levensvragen stelt zonder antwoord te bieden, maar je weet dat het ritme van de song dat van de ruitenwissers matcht. Laat Brown Horse vrij en vrank op z’n prairie draven, en wij komen nog wel eens kijken.

Met haar glasheldere stem was het een uitgemaakte zaak dat Clara Mann perfect zou passen in de Paradijskerk. De Britse singer-songwriter groeide op in het landelijke hart van Frankrijk, en de sporen daarvan zijn terug te vinden in een zekere chanson-achtigheid die haar intimistische fluisterfolk uniek wil maken. Uit de boxen komt naast haar stem en akoestische gitaar een geknisper, wellicht een onbedoeld artefact van de versterking, maar het voegt een nieuwe laag toe aan de fragiele performance.

Naast songs uit haar album Rift brengt ze ook nieuw werk, dat ze lachend aankondigt als opgewekter, wat volgens haar intimi not on brand is voor haar. Sowieso blijft het wondermooie romantiek om bij weg te dromen, alsof ze ons in een fleecedekentje wikkelt en ons zachtjes knuffelt. Ja, soms hebben wij daar ook nood aan, en niet alleen omdat er buiten een natte kou in onze knoken kruipt.

Ook rustig, maar dan met veel zin voor drama: een Franse crooner met voet aan de grond in Mexico. Ryder The Eagle doet het op z’n eentje, maar haalt toch een larger-than-life performance uit zijn tijdslot in de Worm. Zijn backing track stelt te weinig voor om bij stil te staan, maar zo trekt hij wel alle aandacht naar zijn persoon. In kostuum oogt hij als de bastaardzoon van Nick Cave en Hans Teeuwen (denk die enkele krullige lokken dan snel weg), en ook qua podiumprésence blijven die vergelijkingen overeind. Geen plek in de zaal is veilig: staat hij niet op het podium, dan is het op de PA-booth, of op de toog, of ergens willekeurig in het publiek.

Hij zeult ook, in schrandere teksten, een verhaal over De Liefde mee dat groots genoeg is om een roman te vullen. Hoe zijn jeugdlief zijn vrouw werd. Hoe dat onvermijdelijk tot een scheiding leidde. Hoe hij de hoop in zijn romantische droom verloor, zocht op foute plaatsen, en vond in een Française voor wie hij sax leerde spelen voor exact één eigen compositie. “Eloïse” heet die ultieme ode aan zijn geliefde, en je zal dan maar het geluk hebben dat er een romantische clown rondloopt die voor jou zo’n domme moeite neemt. Dat maakt Ryder The Eagle niet per se voor herhaling vatbaar, maar wiens romantische hart wat zalf kan gebruiken, die weet waarheen.

Vage romantiek

Mumble Tide speelt in de Bibliotheek voor een veel te beperkt publiek: singer-songwriter Gina Leonard en multi-instrumentalist Ryan Rogers – ex-geliefden, zo leren we snel – moeten in deze knusse theaterzaal dus uitkijken op heel wat lege stoeltjes, maar dat laten ze niet aan hun hart komen. Hun mierzoete, uitermate charmante melancholie waar geen storm tegen opgewassen is, brengt soms Beach House voor de geest, maar is zachter in zijn aanpak.

Songs om in elkaars armen bij weg te dromen, zijn het keer op keer, dankzij de authentieke chemie door of ondanks romantische voorgeschiedenis. “This is what I do, isn’t it something?”, zingt Leonard ergens – het is meer dan zomaar iets, wees gerust. Enkele keren is het op het randje van te poppy, maar Mumble Tide kan het net zo goed ook folkier, zij op akoestische gitaar en hij met accordeon, gezellig met hun tweetjes. Zo willen we Mumble Tide nog wel eens terug zien.

Langkamer-frontman Joshua Jarman is hier dan weer met dubbele pet: naast zijn job als manager van Mumble Tide staat hij hier ook met soloproject Classic Trucks. Zijn pet, letterlijk dan, draagt trouwens steevast de naam van zijn band: beetje onnozel, maar bon. Met Classic Trucks mag Jarman zijn innerlijke folkie uitlaten, en met Mumble Tide als begeleidingsband komen we snel bij Silver Jews uit.

Vlot behapbare indierock met folkrandje vult dus de Paradijskerk. Een tekstflard vat de sound van de band mooi samen in “Letting In Too Much Light”: “This whole world is too damn bright / How am I supposed to hide / The coward I am inside?”. Het charmante loser-typetje dat Jarman hier opvoert, mist zijn levensbevestigend effect niet. De set vliegt voorbij, want met de laatste song komt de boodschap dat de band vanavond nog terug naar Bristol rijdt. Je moet maar zin hebben.

De bio van Oliver Wilde leest alsof de dichter-muzikant hengelt naar een literatuurprijs (“…dragnetting the depths of tape machined clouds, quicksanding feelist plumes and alt-flock avian surrealism…”), maar het is op z’n minst eens iets anders dan die platte zelfverheerlijking vaak. Voor zijn concert in de Paradijskerk brengt Wilde een hele band mee: hij op akoestische gitaar, met nog bassist, drummer, tweede gitarist en backingzangeres.

Dat is best ruim voor de lofi-folktronica-muziek met slaapkamerproductie waaraan Wilde al jaren op z’n eentje knutselt. In het prachtige kader van de galmende Paradijskerk komt het geluid van die hele bende maar mondjesmaat tot zijn recht. Zo vallen aanvankelijk de stillere momenten, met Wilde echt als solo-artiest, nog het meest op. Pas voorbij de helft van de set, nadat het geluid van de band zijn draai gevonden heeft, vallen alle puzzelstukjes op hun plaats. Net niet te laat!

Green Gardens brengt in het Theater gemoedelijke, integere indierock die ook popgevoelig durft te zijn – een beetje als onze Marble Sounds, dus. De set van de Britse band meandert en kabbelt, maar heeft soms moeite om een monding te vinden. Ook geen goed teken: leadzanger Olaf Blanch oogt zo knullig in zijn rol, heeft niet het charisma om de band te dragen zoals dat hoort.

Focussen op de vage romantiek van die wandeling door groene tuinen, zoals de bandnaam suggereert. Wanneer songs openbreken en de gitaren van de ketting mogen, gebeurt er wel iets op het podium. Green Gardens heeft nog een steengoeie finale in petto: alles nog een laatste keer uit de kast. Het doet bijna alle overige zonden teniet. Bijna.

Een kerk vullen met een enthousiast publiek: voor het transatlantisch vennootschap DUG (Lorking O’Reilly uit Ierland en Jonny Pickett uit de VS) is dat zelfs zonder de naweeën van die dekselse Benjamin een koud kunstje. De aanstelijke mix van bluegrass en country met traditionele Ierse invloeden die het duo typeert, doet inderdaad wonderen voor de verkleumde aanwezigen, die zich kunnen opwarmen aan knusse klanken van banjo en akoestische gitaar.

Dat dat hele “stomp clap hey!” ondertussen belegen als oude Hollandse kaas is, deert de band niet. Religie is nooit veraf in de muzikale wereld van DUG, en in deze setting klinkt dat soms alsof The Tallest Man On Earth zich aan gospel waagt. Voor afsluiter “Cumberland Gap” – met een melodie die al dan niet per abuis knipoogt naar “Cotton Eye Joe” – krijgt het duo de hele kerk recht en aan het klappen. Wie zijn wij dan om hier vragen bij te stellen?

Beschaafde stofzuigers

En dat het stiekem dus ook Left Of The Dial was waar post-punk langzamerhand plaatsmaakt voor iets nieuws. Of eerder iets ouds? Aan de Slowdiveliefde van de TikTokgeneratie was al te zien dat shoegaze nieuwe hoogdagen beleeft, ook in Rotterdam bliezen de gitaren als stofzuigers, al hielden ze het meestal beschaafd. Hier geen ‘Holocaust Section’ op zijn My Bloody Valentines, maar eerder het dromerige geluid van, welja, Rachel Goswell en Neil Halstead. En meteen bleek dat het niet evident is om dat goed te doen.

Want als een mens bij het Amerikaans-Spaanse Green Star uit Londen herinneringen krijgt aan Just Mustard, dan geeft dat te denken. Die Ieren slagen er ook al jaren niet in om hun shoegaze echt boeiend te maken, en ook dit viertal overtuigt maar matig, en daarbij helpt het ook niet hoe Pedro Soler en Alberto de Torre Lilah Bobak proberen uit te spelen als frontvrouw, terwijl zij toch het grootste deel van de zang voor hun rekening nemen. Het is ook jammer, want als de bassiste wel vocaal op het voorplan mag, moeten we zelfs even denken aan The Cranes.

In de Salsability laat Roscoe Roscoe feeërieke postrock en dromerige shoegaze van het soort dat Sigur Rós pionierde kringelen. Dan zijn vier gitaren geen overbodige luxe, natuurlijk. De songs zwellen langzaam aan, laag na laag gitaar, tot de uitbarstingen ons finaal in de greep krijgen. Toch is het zonde dat de drum niet net voor de zang gemixt lijkt te zitten. Nu ja, het zijn en blijven sluimerende postrocksoundscapes die Roscoe Roscoe de zaal instuurt, en dan hebben vocals geen rol van betekenis. Sigur Rós hoeft niet onmiddellijk te vrezen dat het genre dat het op de kaart zette om zeep is, maar een vervanger is Roscoe Roscoe nu ook weer niet.

In Studio 1 van De Doelen is het aanschuiven geblazen voor de jonge Ieren van Croíthe (Iers voor iets als “hartjes” of “liefjes”, naar ’t schijnt). Dat ruikt naar hype, maar die lost de band die niet in. Het geluid van de band staat zo slecht gemixt dat de songs amper drie rijen diep het publiek in reiken. Leg daar een schrijnend gebrek aan présence naast en besef: dit doet pijn.

Met welk getormenteerd gezicht, gestolen van landgenoot Grian Chatten, de frontman tussen zijn vrij banale gitaarlijnen ook naar de microfoon grijpt, we blijven ons afvragen: gekweld door wát? We krijgen geen antwoord te horen, en naarmate de set vordert verwachten we er ook geen meer. Hier vallen amper songs te rapen, en als iets onze aandacht haalt, dan is het monotoon en verveeld gebracht, zonder enig gevoel voor dynamiek. Ergens willen we wel geloven in dit Croíthe, maar deze passage was bijna zonde van de moeite.

Stappen in het ongewisse zijn schering en inslag op Left Of The Dial, maar bands die zo goed als geen online aanwezigheid hebben, maken het zichzelf nodeloos moeilijk. Neem nu Ierse intrige Theatre, dat zijn tactiek mag komen uitleggen in Rotown. Wie pokert met de kaarten zo dicht bij het lijf, kan maar beter niet te hard bluffen.

Theatre heeft geluk dat zijn muziek snel kan charmeren. Zo horen we alvast een zangeres – Maeve, zou ze heten – die heel goed bij stem is: alvast één punt gemaakt. Met zweverige, duistere melodieën gestut door strak ritmewerk brengt de band wel enkele intrigerende songs op het knooppunt van indiefolkrock en shoegaze. Misschien is het tijd voor Theatre om de strategie van anonimiteit te laten voor wat die is, anders dreigt de vergetelheid.

Tobias Hammermüller – met zo’n naam zijn we bijna ontegensprekelijk in Oostenrijk – begon Laundromat Chicks vijf jaar geleden, maar ondertussen is het soloproject van de krullenbol uitgegroeid tot een van de best bewaarde geheimen van de Weense muziekscène. In De Doelen laten de jonge Oostenrijkers horen dat ze aandachtig geluisterd hebben naar het zeemzoetere werk van The Cure, en da’s nooit een slecht idee. Voor een vleugje eigenheid brengt Hammermüller zijn sympathieke songs die melodisch knap in elkaar steken al eens op smaak met mondharmonica, en dat helpt zijn band nog effectief vooruit ook. De juiste band voor de bovenzaal van De Doelen, noteren we, en beslissen meteen nog eens naar Sometimes Possessed van eerder dit jaar te luisteren.

Het is uiteindelijk Nightswimming, aan de looks te zien de braafste van de klas, die in dit nevenconcours wint. Gitarist Samuel Allen haalt de mooiste texturen uit zijn zes snaren, op een manier die aan Cigarettes After Sex doet denken, Meg Jones is het soort zangeres die met beide voeten in de klassieke folktraditie staat: haar zang is helder en clean, doet bij momenten denken aan Dolores O’Riordan in haar rustigste momenten. Haar frasering hangt ergens tussen betrokken en onthecht, maar houdt je wel bij de les, en zo is “Warmer” wel degelijk warmer, en houden de gitaren het lijzige “Dark Colours” boeiend. Ook het erg nieuwe “Poison Berry” blijft staan, daar in de overbelichte werkelijkheid van Uniek, zelfs al voel je dat het nog niet helemaal volgroeid is.

Dat is dan ook de crux van Left Of The Dial. Wat je hier ziet is pril, zo pril, en zal soms de moeilijke vroege fase van het bandjes-zijn niet overleven, maar soms ook wel. Het duurt al rap twee jaar voor je weet of in één van deze jonge honden een toekomst, laat staan een knap debuut zit. We zagen hier eerder al Deadletter en Nightbus veel beloven om dat later ook te bevestigen. Wie weet heet de toekomst dit jaar dus Clutter, Nightswimming, en ga zo maar door.

Wij zijn er om u daarvan op de hoogte te houden.

Beeld:
Left Of The Dial

verwant

recent

Pulp :: Live!

Het lijkt wel alsof Jarvis Cocker en de zijnen...

Frans Kalf + Dressed Like Boys

5 september 2026OLT Rivierenhof, Deurne

Het is hard gegaan voor Dressed Like Boys. Stond...

Bieke Depoorter :: Bezoekerscentrum Westfront Nieuwpoort

Wie is Bieke Depoorter? Ze is geboren in 1986...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in