Bijna-catchy
Liever klassieke punk, zegt u? Soms moet een bandnaam niet meer zijn dan gewoon Piss. De radicale punkband uit Canada begint met een trigger warning voor de expliciete aard van zijn muziek, en vraagt – nee, eist – dat iedereen die de nood voelt om te ontsnappen een veilige vrijgeleide richting uitgang mag krijgen. Met die dienstmededeling achter de rug ontploft de band in een razernij van compromisloze noisepunk. In vergelijking is Lambrini Girls nog vrij bedaard.
In haar fysieke performance gebruikt zangeres Tay Zantingh haar lichaam bijna als instrument op zo’n extreme manier dat ze na elke song om adem moet happen. Dan weet je: dit is geen act, ze méént elk geschreeuwd woord. Het meest intens, zeg maar waar die trigger warning echt voor diende, is nog het traumatische “Blocking A Scene You Can’t Remember”. Die confronterend trage stomp in de maag doet iedereen naar adem happen. Huilen mag, voelen moet.
C’est qui? voelt meer als c’est quand?, want voor dit Nederlandse viertal moet het immer 1980 zijn, en dienen songs dus aan halsbrekend tempo in de zaal gesmeten. Frontvrouw Jazzebelle heeft een woordendebiet dat nauwelijks te volgen is, en evenveel te melden, maar is in deze zaal nauwelijks verstaanbaar. Echt overrompelend is deze wat doorsneepunk dus niet, maar als dit het leven van een paar jonkies in het publiek heeft veranderd, dan is dat alleen maar toe te juichen.
Neen, gelukkig is er dus meer dan genre-oefeningen, al viel ook dat niet altijd mee. Met “Alone In The Universe” had No Fun tijdens onze voorbereiding immers een van de leukste singletjes in petto, en ook op het podium van de V11 tiereliert de popsong prettig weg. “extremely danceable lad rock to shout along to”, verkoopt de band dat en bij dit nummer gaat dat helemaal op. Jammer dus dat de rest van de set van deze Britten nog niet aan de knieën van die ene track geraakt. Alles klinkt wel bijna-catchy, maar frontman David Sturgess is een flauwe, eentonige zanger, die de melodieën niet kan dragen. En zo kabbelen “Know Me Well” of “Different Kind Of Blue” voorbij zonder erg veel indruk te maken. We blijven “Alone In The Universe” echter koesteren.
Dan overtuigt Naya Mö meer. En wie op basis van zijn voorbereiding een popmeisje verwachtte met een band achter haar – guilty as charged, pardon – is eraan voor de moeite. Naya Fellonneau staat er met een gitaar om de lendenen, en twee andere exemplaren achter haar. St. Vincent is het daarom niet, maar toch is haar gitaarspel pittiger dan je van een popartieste verwacht. En zo werd dit een wel heel erg straffe show waarin ze met een drummer/laptopbedienaar naast haar liet horen heel erg sterke songs te kunnen schrijven.
“Wanderlust” is pure pop, “Outsider” injecteert ze met een vleugje shoegaze, zodat het op de droompop van Hatchie lijkt. Dat er in het midden van de set een zakje zit met al te wazige nummers? Beginnerskwestie, want met een fijne finale zet de Bordeauxse dat helemaal recht: dat vuistje net voor ze een nummer nog even een pittige gitaarcoda geeft! Dat “Dealing With Ghosts” waarmee ze afscheid neemt!
Popgevoeligere gitaren dan die van Low Island zullen er op dit Left Of The Dial echter niet te rapen vallen, maar wat dat betreft benadert de Britse formatie wel de perfectie. Noem het met een magazinewoord “glossy”, net als de gladde synths die zonder schroom naar de jaren 80 verwijzen. Enkele keren moeten we denken aan iets als Future Islands, weliswaar met een frontman die qua intrigerend charisma vooralsnog niet tot aan de enkels van Samuel T. Herring reikt: daarvoor is zijn posterboygehalte te hoog, en die wifebeater om dat strakke lijf iets te pretentieus.
Low Island heeft ook minder prangende songs dan Future Islands, met een jeugdiger ziel die nog geen littekens van het leven draagt, maar toch: er is een ziel. Deze band toont zich een onschuldige deugd voor iedereen met een jong hart, vlot gevonden en even vluchtig verloren als een eerste zomerliefde die tegen de herfst alweer helemaal verwaterd en weg met de wind is. Het lijkt dat de band zich voorlopig schikt in zijn status, en die sympathieke ingesteldheid scoort net zo goed, al is het dan maar voor een wel heel beperkt publiek hier, in de Annabel.
Instrumenten googelen
Na alle regenmiserie is de opgewekte indierock met fijne melodieën van de Schotse Tina Sandwich een aangename opsteker. Hier denken we onmiddellijk aan Rilo Kiley, of recenter, The Beths: niet mis om goede moed te tanken voor wat nog komen moet, weer of geen weer. Met een gezonde dosis punk in haar performance kan Tina Sandwich de Salsability best beroeren, zeker omdat de band zijn gebreken niet wegmoffelt onder gimmicks. Recente single “Grit”, bijvoorbeeld, heeft dat ruige randje dat toont dat er meer in zit. Uitkijken of een langspeeldebuut onze vermoedens bevestigt.

Good News toont zich dan weer als een ronduit bizar groepje. De bas van Dan Philpott maakt de melodie, terwijl Beth Aylward – net als haar bandgenoten in kek ‘Waar Is Wally?’-t-shirtje – spreekzingt ergens tussen Dry Cleaning en Wet Leg in, met een hint van DIY die naar labelgenoten The Bug Club ruikt. In het begin speelt ze gitaar, maar die laat ze al snel aan de kant voor een amalgaam aan instrumenten. Dan googelet een mens dus de naam van dat slaginstrument dat vibraslap blijkt te zijn, maar net zo goed herkennen we zonder moeite een klarinet. Een melodica? Kan er wel bij.
Ondertussen steekt Philpott een drumstok tussen zijn snaren, verderop zingt Aylward in, euh, het Pools in “Kishki”. Denken wij aan Tom Tom Club? Zonder kikvorsdansje dan toch. Raar bandje, zeiden we dat al? En toch de volledige veertig minuten uitgekeken. Kijk niet op als Good News alsnog iets wordt; er is iets intrigerends aan.
Mock Media begint er in een bijzaaltje van de Rotterdamse bibliotheek op vrijdag wat wankel aan met een set die vintage indie ademt: het meurt wat naar americana, maar het is steviger, het wil wel rocken, maar het scheurt niet echt. Tot na een viertal songs deze Canadese veteranen (u kent hen van Crack Cloud, Pottery en nog wat bands) een turbo op hun spel zetten. Plots krijgen we reggaetexturen, dan weer strakke discorock of de witte funk van “Louis Won’t Break”, waarin voor het eerst een voorliefde voor West-Afrikaanse gitaartjes spreekt. “Jungle punk” is dat in hun eigen woorden, en zo eindigt wat zo flets begon als een vet en dansbaar feestje.
Het Schotse Tanzana is pas sinds 2023 actief, maar speelde het toch voor elkaar om deze zomer in eigen scène genoeg naam te maken om een ticketje Rotterdam op te strijken. Qua vestimentaire keuzes en ook wel qua geluid bewandelt Tanzana hetzelfde pad als The Last Dinner Party, al houden deze vijf dames (nergens namen te vinden) de allergrootste gebaren nog achter de hand. De zangeres heeft alvast wel de stem die de band nodig heeft, en als de leadgitariste een solo uit haar instrument moet knijpen, dan lukt dat ook aardig. Nu nog werken aan een eigen sound die minder de duidelijke voorbeelden aanhaalt, en wie weet, als The Last Dinner Party aan drama ten onder gaat.
En nu we toch buitenbeentjes aanhalen: wat een feest was De Kift in het official unoffical middagparcours. 37 jaar bestaat de band rond Ferry Heijne en Wim ter Weele, en nog altijd is er niemand als deze fanfare van punk en dorst. In krap een halfuurtje liet de groep zijn kunnen horen, en vierde het de dertigjarige distributeur Sonic Rendez-Vous. “Paradijs” is de in Klezmertexturen gedoopte opener, “Feest van het hondvot” danst, met een ukelelesolo als toemaatje. En dan is er nog de heerlijke chaos van “Bal”, waarvoor ter Weele van achter zijn drumstel komt, en op zijn hoogst unieke manier brult “IK HOU VAN JULLIE”. Het was geheel wederzijds, daar op die boot.



