London Calling

29 - 30 oktober 2021 Paradiso (Amsterdam)

De schappen zijn leeg. Het Kanaal onpeilbaar diep. De vissers worden aangehouden door de Fransen. Londen aan de lijn: ze willen toch nog eens praten met Europa. En ze sturen hun beste bandjes als ambassadeurs. Uw enolateam werd uitgezonden als diplomaten. Het werden moeizame gesprekken, daar in Amsterdam.

Vrijdag 29 oktober

En het is niet dat Paradiso geen ervaring heeft met dit soort bemiddelingen. Hier was het dat Britpop begin jaren negentig voet aan grond kreeg. Franz Ferdinand? Bloc Party? Ze debuteerden hier voor continentale oren. London Calling heeft pedigree, kortom, dus de verwachtingen liggen hoog. Kan de klas van 2021 daar aan beantwoorden?

Nou.

De openingszet van op het continent mag er in elk geval zijn. Wodan Boys zien er uit als New Kids met gitaren, maar zijn – ondanks een occasioneel nektapijt en geel marcelleke – slimmer dan dat. Dat krijg je natuurlijk als je je naam bij Van Kooten en De Bie haalt. Aan een rotvaart scheurt het viertal door de bochten, met harde rock die van veel spelplezier getuigt. “Yeahyeahyeah” gaat het in “Weekend Alligator”, in “Validation” draait de Flying V overuren. “De ballen!” gaat het in plat Haags voor de groep zijn laatste nummer inzet. Zeggen wij terug: “vier ballen. Op vijf.”

“This is a gig! We have a concert!” Thom Rylance van The Lottery Winners is een frontman van de enthousiaste soort, op een manier die eerst nog ontwapenend overkomt, maar al maar meer gladjakkerig lijkt. Dat de flauwe pop van dit kwartet ergens klinkt als een mash-up tussen The Kooks en Levellers – ja, wij zouden dat ook nooit besteld hebben, maar het is er nu – helpt niet. Songs als “Little Things”, “Favourite Flavour”, “Much Better” en “Start Again” grossieren in onderling inwisselbare stompzinnige refreinen, die ons toch elke keer weer worden aangeleerd, voor alle zekerheid. Ondertussen wordt nog een hoop publieksparticipatiebevorderende ongein afgevuurd, ‘want we gaan hier een videolip schieten’. The hardest working band from Manchester? Het zal dus wel. De slechtst klinkende helaas ook.

Piepjong, nog nat achter de oren, en helemaal alleen: zo staat George O’Hanlon nadien in de kleine bovenzaal. Normaal heeft ie een band rond zich, zegt hij, maar vandaag niet. Misschien is dat wel jammer, want echt overtuigen doet de 21-jarige niet. “The Storm” en “This Town” trappelen suf ter plaatse, zonder enige emotionele lading. Alsof O’Hanlon wel graag liedjes schrijft, maar je er nu ook niet echt mee wil lastig vallen. Kijk, daar hebben we dus ook niet veel aan.

Coach Party grijpt terug naar de jaren negentig, en doet daar niet moeilijk over: halverwege draaien ze een eigen nummer in elkaar met Nirvana’s “In Bloom”, en als schepje er bovenop smijten ze er nog een flard “Truth Hurts” van Lizzo tussen. Dat laatste, daar heeft het grungegeluid van deze band niets mee te maken, maar qua attitude klopt het. Frontvrouw Jess Eastwood staat er. Dat de songs iets minder overtuigend zijn, is helaas te betreuren, want de Throwing Muses-achtige harmonieën klinken mooi. Coach Party heeft nog altijd maar twee EP’s uit, dit kan nog groeien.

En daar is er weer eentje uit de Windmillschool van Dan Carey. Tiña groeide net als Black Midi en Black Country, New Road onder de hoede van Kae Tempests producer, en in ware Speedy Wundergroundstijl gaat dit optreden alle kanten op. Zoals altijd met falsetten valt ook die van Josh Loftin je onverhoeds op de nek, maar hé, wat kun je verwachten van een man die in fluoroze broek, roze cowboyhoed en roze sjaaltje optreedt. “This one is dedicated to all the penguins out there”, meldt hij, en de toetsenist legt een bedje van Bert Kaempfertorgel. Waarna Loftin zijn falset ruw opzij schuift voor een fors geschreeuwd refrein. Het is psychpop met een garagekantje, stonede country. Noem het: Black Lips met streken, véél streken. Meer streken dan memorabele songs ook, helaas. Wij zijn Tiña alweer bijna vergeten.

In januari was NewDad een van de beloftes van de online editie van Eurosonic, vandaag maken ze dat live helemaal waar. Julie Dawson staat er even verlegen als Hope Sandoval, maar zingt met het vertrouwen van iemand die weet dat ze mooie songs mee heeft. Er zit wat eighties jangle in, maar net zo goed Haunted Youthachtige droompopgitaren. En dreigt dat aanvankelijk wat eentonig te worden, dan horen we een nummer later een halve Smithsmelodie of echo’s van PIL’s “This Is Not A Love Song” in nog een ander. Het mooiste is “I Don’t Recognise You”, waarna een kersvers nummer nog meer belooft voor de toekomst: met meer melodie, krachtiger, helderder geeft het een richting aan die NewDad nog heel veel goeie dingen kan opleveren.

En nu we weer in de grote zaal van Paradiso staan, beseffen we: het is dertien jaar geleden dat we hier voor het eerst White Lies zagen. Vandaag is de cirkel rond, met The Ninth Wave dat wel erg nadrukkelijk knipoogt naar dat doemtrio. De kale drumcomputer herinnert aan Sisters Of Mercy, maar de broodnodige galm ontbreekt. “This Broken Design” klinkt dun op die manier, welja, als slechte White Lies. En dat hadden we niet nodig. Het wordt wat beter wanneer bassiste Millie Kidd Hadyn Park-Patterson bijstaat op zang, maar helaas niet véél beter.

En dat wordt het ook niet wanneer een Wodan Boysherhaling boven – Wet Leg, de andere belofte voor vanavond, raakte hier helaas niet – overgaat in de doffe electronic body dreun van PVA. Nog Windmillalumni, trouwens, maar met de inventiviteit van Black Midi, Black Country, New Road en anderen heeft dit niets te maken. Wij houden dus de aanmaning van de Wodan Boys in gedachten, en schikken ons naar de Nederlandse COVID-regels: “twaalf uur naar buiten, half één in je bedje!” Morgen beterschap? Laat ons hopen.

Zaterdag 30 oktober

Niet echt, dus. Halverwege het tweede optreden checken we nog eens het blokkenschema, en zien we daar plots Personal Trainer staan waar King Hannah had moeten spelen. Het zal toch niet? Jawel. Voor de tweede keer dit najaar missen we de kans om de belangrijkste nieuwe band van de afgelopen twaalf maanden live te zien.

De avond begon nochtans niet onaangenaam, met een Molly Payton wiens stem al eens naar Angel Olsen zweemt. Met die mooie strot brengt ze songs als “Corduroy”, “How To Have Fun” of “You Cut Me So Much Slack”; alt.countryrock die net iets te middelmatig is om helemaal te overtuigen. Interessanter wordt het in “While You’re Driving” – “Mijn favoriete nummer van de plaat!” – dat een dreunende coda mee krijgt. Payton is op zijn minst in de gaten te houden.

Instant-vergeetbaar daarentegen: The Zen Arcade, dat ondanks zijn Hüsker Dü-geïnspireerde naam vooral minstens vier Green Dayplaten te veel heeft. Want laat u niet misleiden door dat rockabillyhemdje van frontman Mikey Quartz. Dit is héél vervelende drie-akkoordenpunk met wat extra solo’s; niets wat deze tijden nodig hebben.

En of deze tijden zitten te wachten op een band die Peeping Drexels heet, is al even bediscussieerbaar. Maar als die muziek mee hebben die ons al eens doet denken aan The Murder Capital, dan valt er misschien wel te praten. Met zijn brilletje straalt zanger Dylan Coates net iets minder dreiging uit dan James McGovern, maar de stampende dansritmes compenseren en geven Peeping Drexels zijn eigenheid. Dit is danspunk die flirt met de monotonie, die durft dreunen, en erg aanstekelijk werkt. In single “Miami Lounge” switcht muzikaal meesterbrein Jacob Bagshaw van synth naar gitaar en terug, “Bloody Gums” raast voorbij terwijl Coates zijn beste Charlie Steen bovenhaalt. En wanneer “The Pit” wordt ingezet en het publiek loos gaat, deint de vloer op zorgwekkende wijze op en neer. Zijn we zeker dat Paradiso hier tegen bestand is? En zetten ze dat volgende keer toch niet beter in de grote zaal? De kutbandnaam zal niet helpen, maar als de wereld een beetje rechtvaardig is, zien we de groep volgende keer inderdaad beneden. Peeping Drexels: wen er maar aan.

Personal Trainer is geen King Hannah, en zal dat ook nooit worden. Maar het moet dan maar volstaan vanavond. Dat lukt wonderwel nog vrij aardig, want zoveel volk er op het podium staat – we tellen acht man – zoveel speelplezier valt er ook te rapen. Van bij opener “The Lazer” vuurt frontman Willem Smit zijn troepen aan, grijnsjes en glimlachjes tussen de muzikanten vliegen heen en weer. Je voelt dat dit inderdaad een supergroep is, waarvan de leden doordeweeks spelen bij Canshaker Pi, Teddy’s Hit en Pip Blom. Dit zijn rouwdouwers die al wat kilometers op de teller hebben, en het betere gooi- en smijtwerk tot in de puntjes beheersen. En als het misgaat – een gescheurde broek, we zeggen maar wat – dan wordt dat al dollend opgelost: Smit speelt het ding uit, checkt de scheur, trekt hem opnieuw aan. Dit was niet meer dan: plezant, maar wel heel plezant.

Met zijn retesnelle punk en titels als “Retaliation” en “Class Oppression” is The Chisel een anachronisme, recht uit het begin van de jaren tachtig. Misschien zegt het dus veel over deze tijden dat het zo niet aanvoelt. De woede van zanger Callum Graham is oprecht en authentiek, de gitaristen links en rechts spelen net melodieus genoeg om het hardcoreraggen verteerbaar te houden. Daar zal Margaret Thatcher ongetwijfeld niet van terug hebben, laat staan Boris Johnson. Als The Chisel een anachronisme is, dan in elk geval een erg opwindend anachronisme.

Op papier is London Calling hét festival voor nieuwe bandjes en aanstormend talent, maar hoe lang kun je blijven aanstormen? Holly Ross doet al sinds 1994 een gooi naar wereldroem, eerst met het meidengroepje Angelica, nu met echtgenoot David Blackwell op drums. Het zal er ook nu weer niet van komen, want The Lovely Eggs doen weinig interessanters dan doelloos rammen, beuken en schreeuwen. En het gaat nog even verder bergaf, want ook in de bovenzaal valt niets te rapen.

Vastgesteld bij Talk Show: het publiek heeft er zin in, in deze flauwe artpunk. Noteren wij in ons boekje: “knaldrang, maar waarom?” Afsluiten dan maar? Welja. In de benedenzaal staat Chubby & The Gang, en dat knalt en drangt ook. Eerder stond de frontman hier trouwens al gitaar te spelen bij The Chisel, hier mag hij zelf het betere raggen brengen. Goeie package deal, zeggen wij: twee keer rammen voor de prijs van één, want ook dit is gooi- en smijtpunk van de bovenste plank waarbij de bierbekers door het zwerk dienen te vliegen. Fun!

En zo loopt dit London Calling ten einde, met het gevoel dat we even niet te hard meer richting dat koppige eiland moeten kijken. Natuurlijk: met Wet Leg en King Hannah moesten de twee grootste beloften verstek geven, maar ook in de breedte lijken de Britse eilanden momenteel niet de meest boeiende muziek te bieden te hebben. Laat ons hopen dat dat in het post-covidtijdperk opnieuw beter wordt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 − twee =