Sarah Mary Chadwick :: Please Daddy

Ondanks een indrukwekkende output is Sarah Mary Chadwick niet echt een ronkende naam in het muzieklandschap, iets waar het feit dat ze uit Melbourne (Nieuw-Zeeland) afkomstig is, ongetwijfeld een rol in speelt. Na jarenlang de rol van frontvrouw bij de postgrungeband Batrider opgenomen te hebben, ging Chadwick in 2012 solo waarbij ze de voorbije acht jaar niet minder dan vijf platen uitbracht. Oorspronkelijk louter een soloproject beperkte Chadwick zich lang tot gitaar of keyboards maar op haar vierde album Sugar Still Melts In Rain liet ze zich voor het eerst opnieuw ondersteunen door een band.

In 2019 schreef Chadwick in opdracht van de stad Melbourne een aantal songs voor een 19e eeuws pijporgel, het resultaat daarvan zou ook vertaald worden naar het album The Queen Who Stole The Sky. Het lijkt een eenmalige uitstap te zijn want op haar zesde album duiken niet alleen bassist Geoffrey O`Connor (tevens co-producer) en drummer Tim Deanne-Freeman opnieuw op maar wordt er ook plaats geruimd voor blazers en fluiten zonder dat er van een noemenswaardige stijlbreuk sprake is. Net zals op haar vorige albums blijft Chadwick immers kiezen voor een parler-vrai die er geen doekjes on windt, zij het dat de muzikale omijsting ditmaal melodieuzer en toegeeflijker klinkt, wat het geheel net iets makkelijker laat wegspoelen.

Naar eigen zeggen wou ze met opener “When Will Death Come” de `loungy zelfingenomenheid` van de late Elvis capteren al klinkt de song vooral als een aanstekelijk cabaretesk dronkemanslied wat meteen ook de toon zet voor de rest van de plaat. Opnieuw is de piano/keyboard dominant terwijl de ritmesectie de basis legt waar de blazers voor een lichtvoetigere toets zorgen. Een mooi voorbeeld van dit laatste vormt “The Heart And Its Double” dat laatavondblues met een gebroken hart laat contrasteren met een door het fluitspel gecreëerde frivole toets. Het geeft aan het geheel, en bij uitbreiding het album een nieuwe rijkdom die de zwaarmoedigheid opvangt en verteerbaar houdt.

Dat de ritmesectie op zich ook voor de nodige punch kan zorgen, bewijst onder meer de vrolijke meestamper “Let`s Fight” die muzikaal weliswaar rechttoe rechtaan vrolijke dronken is maar zich tekstueel op melancholischer paden begeeft. Dat de song moeiteloos naast het rijk(er) georchestreerde titelnummer kan staan, toont aan hoezeer Chadwick een bepaald gevoel weet op te roepen en dit naargelang de song een andere inkleuring geeft. Zo voelen het afsluitende “All Lies” en “If I Squint” zich meer thuis in balladeland waar cabaret en dronkemansliederen elkaar in de armen vallen. Vergelijkingen met een jonge croonende Nick Cave zijn dan ook niet vergezocht, althans wat benadering betreft (de verschillen tussen beide artiesten blijven groot genoeg).

Wie de teksten aan zich voorbij laat gaan, zal overigens niet snel opmerken hoe naargeestig het album wel niet is, met “My Mouth My Cunt” zowat als de meest uitgesproken van de songs (alvast in titel). In tegenstelling tot wat verwacht mag worden, kiest Chadwick hier voor een slepender aanpak met subtiele pianoaanslagen en een ondersteunende ritmesectie die de draagkracht grotendeels bij de klagende, gelaten zang van Chadwick legt. Net als op haar vorige albums mag haar uitvoering en doorleefde zang dan ook als een van de grote troeven gelden. Wie daar nog aan twijfelen zou, kan “Nothing Sticks” naast de andere songs leggen en opmerken hoezeer Chadwick opnieuw haar gebroken stem zo weet te leggen dat het nummer ondanks een minimale inkleuring zich toch weet te onderscheiden van de andere songs op de plaat.

Maar ook al is het een feit dat Chadwick de songs draagt, toch zou het haar muzikanten en muzikale omlijsting oneer aandoen om voorbij te gaan aan hoe de songs zich ook muzikaal van elkaar onderscheiden zonder zich in technische hoogstandjes te vervallen of zich op opvallend andere toetsen te beroepen. De cabareteske/baraanpak is dan ook terug te horen “I`m Not Allowed In Heaven” dat zich in dezelfde sferen als het vermelde “Nothing Sticks” lijkt te bevinden en toch heel anders klinkt. Tot slot zou het jammer zijn niet ook “Make Hey” te vermelden, dat weliswaar niet de beste song op de plaat is maar ook alle elementen bevat die Chadwicks laatste album zo boeiend maken. De ritmesectie levert opnieuw vakwerk af terwijl Chadwick alle stemregionen aftast en in het refrein zelfs een langoureuzere inkleding toestaat.

Na meer dan tien jaar aan de weg getimmerd te hebben, heeft Sarah Mary Chadwick nog weinig geloofsbrieven voor te leggen. Dat ze met band en solo nooit echt doorgebroken is naar een groter publiek is gezien haar eigenzinnig parcours niet helemaal onbegrijpelijk. Daarnaast kan niet ontkend worden dat ze doorheen de jaren en verschillende releases steeds meer een manier heeft gevonden om haar eigenzinnige stijl vorm te geven en ook muzikaal boeiend te houden. Op de eerste solo-albums was het potentieel al meer dan aanwezig maar het ziet er naar uit dat Chadwick de laatste jaren pas echt de stem heeft gevonden die ook een breder publiek zal aanspreken tijdens melancholische avonden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 − 7 =