PUKKELPOP 2012 :: Marquee, vrijdag 17 augustus

De Marquee staat vandaag in het teken van een paar uitmuntende reünies. Aftellen naar Grandaddy en Afghan Whigs, dus, maar eerst gaan we naar de essentie: ambiance.

De verrukkelijke vijftien van Pukkelpop:

Wie meer Pukkelverslag wil, klikt voor de langere verslagen van de vijftien beste concerten hieronder.

Bijna twee uur, tijd voor frietjes, worst en pretentieloos amusement! Het is nog maar vrijdag, dus hebben we nog wel een paar bonnetjes op overschot, maar voor het muzikale gedeelte rekent (lt) toch op wat hulp van bands als Oberhofer. Met een nominatie voor slechtste groepsnaam, lelijkste hemd en foutste bassist (Dat staartje! Die diepzinnige blikken naar het plafond!) van de dag op zak kan het al bijna niet meer misgaan, en dat doet het ook niet. Met een hyperkinetische, onvermoeibare frontman als Brad Oberhofer (vandaar dus) is het sowieso makkelijk om meegesleept te geraken: als een bezetene tolt hij over het podium tijdens het springerige “Gold”, terwijl hij zijn Born Ruffians-achtige spastische zanglijnen en ooh-ooh-oohs de tent in slingert. Oberhofer weet zijn publiek bijzonder goed te entertainen: tijdens de instrumentale break van “Dead Girls Dance” huppelt hij van het podium om al solerend een rondje door én uit de Marquee te maken — verbaasde blikken van pintjesbestellende tooghangers gegarandeerd. Dat het muzikaal allemaal niet zo inventief is, deert dan ook niet echt: aan zo veel aanstekelijke vrolijkheid kunnen wij moeilijk weerstaan.

Vrolijkheid is niet meteen waar The Walkmen voor staan. Zoals vanouds spelen ze een secure set, maar secuur zonder goede melodieën mondt, ook als vanouds, uit in enkele tinten grijs. Op hun eerder dit jaar verschenen laatste plaat, Heaven, gingen ze wel op zoek naar die melodieën, daarin geholpen door producer Robin Pecknold van Fleet Foxes. Maar een meerwaarde zal The Walkmen er bezwaarlijk door worden, zoals blijkt uit pakweg “We Can’t Be Beat”. The Marquee wordt dan ook al snel een beschut praatcafé. Niet zo bevorderlijk voor de concentratie, en dus steken we onze kop even snel buiten de tent voor een frisse pint.

De eerste echt grote naam van deze Marquee-dag dan maar. Ze hadden er even aan getwijfeld of het een goed idee was om na een split van zes jaar terug samen te komen. Het lijkt een grap maar Jason Lytle, die er nog steeds dezelfde uitziet als destijds, is serieus en Grandaddy brengt een van dé concerten van deze Pukkelpop-editie. Het voordeel van een reünie is immers dat je ongegeneerd een best-of van je songs kan brengen, wat de Californiërs ook doen. De betere songs van Sumday, Under The Western Freeway en vooral klassieker The Sophtware Slump staan op het programma, waardoor het optreden één grote nostalgische meezingshow wordt. De planken vloeren van de Marquee daveren tijdens het combo “The Crystal Lake” en “A.M. 180”, mensen schreeuwen zich de longen uit het lijf bij “Summer Here Kids”, maar het absolute hoogtepunt komt er helemaal op het einde, wanneer de band aan het overleggen lijkt of er nog tijd is om dan toch nog “He’s Simple, He’s Dumb, He’s The Pilot” te brengen, ongetwijfeld hun meest iconische nummer. Benieuwd of ze na de respons op hun festivalshows van het idee afstappen om het bij een aantal optredens te houden. Haal Grandaddy voor een langere set in een zaal, alstublieft.

Waar we na vanavond helemaal niet meer benieuwd naar zijn, is het verdere verloop van Jamie Woons carrière. Vorig jaar nog sfeervol debuterend met Mirrorwriting, in de door dubstep beïnvloede slipstream van James Blake en Katy B, vandaag al die songs vakkundig leegzuigend in de Marquee. Woon heeft zijn songs stuk voor stuk tot anonieme en monotone eenheidsworst met gitaar, drum en bas vertimmerd. Op zoek naar een aan Michael Kiwanuka grenzende authenticiteit? Gaat dat dan even compleet de mist in. “Night Air”, “Shoulda” en “Lady Luck” zijn schimmen van zichzelf, en Woons zoutloze bewerkingen doen ermee wat te veel drank met mensen in de blakerende hitte doet: alle leven eruit zuigen. Over vijf jaar horen we hier niets meer van.

Waarna The Afghan Whigs met de vingers in de neus een triomftocht afwerken. Hun extatische concert in het Koninklijk Circus eerder dit jaar wordt door een nog steeds enorm scherpe Dulli, opvallend goedgeluimd en goed bij stem, straf overgedaan. “I’m Her Slave”, “Fountains and Fairfax” en vooral “Gentlemen” klinken messcherp. De talrijke dertigers en veertigers rondom ons schreeuwen die puberperikelen van weleer uit of bewegen met de ogen toe mee. Toch overstijgen The Afghan Whigs het jeugdsentiment met songs die nog steeds staan als een huis, met zinderende riffs die als vanouds als prikkeldraad rond bloedende hartjes worden geweven. “66” klink bloedmooi in die deels nieuwe arrangementen, “Debonair” is de ultieme catharsis. We won’t forget the alcohol, baby.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × twee =