Le Super Borgou De Parakou :: The Bariba Sound

“Ten sterkste aanbevolen voor wie een boon heeft voor Afrikaans funky gerief uit de jaren zeventig,” zo zouden we in principe al onze recensies van de compilaties totnogtoe uitgebracht door Analog Africa kunnen samenvatten. Dat is niet minder waar voor de allernieuwste in de reeks, The Bariba Sound.

Op die laatste legt het label zijn focus op de muziek die door de Bariba, een van de vele etnieën die het West-Afrikaanse Benin rijk is, gemaakt werd, in navolging van lichtende voorbeelden uit Ghana, Nigeria en vooral Congo. Hoewel er meerdere bands actief waren in Noord-Benin (met als spil de stad Parakou) met de zogenaamde Bariba-sound, domineerde het ensemble Orchestre Super Borgou (met ettelijke varianten op die naam) de scene in grote mate, waardoor deze compilatie zich ook volledig op deze groep onder leiding van gitarist/zanger Moussa Mama en drummer Bori Borro toespitst.

Al is er wel een zware kenner van de West-Afrikaanse muziekscene (en van de Baribataal) voor nodig om die zogenaamde Baribasound duidelijk te kunnen onderscheiden van andere gelijktijdige stromingen. In essentie is het hier immers weer good ol’ funky rhythms en groovende jams, aanleunend bij de bekendere Nigeriaanse afrobeat en Ghanese highlife (bijvoorbeeld op “Abakpé”), alsook bij de iets vroegere Congolese rumba’s (“Me Ton Le Gbe”). Van de “islamitische melodieën” die Analog Africa erin herkent, horen wij hoegenaamd niets, en van de teksten kunnen wij niet veel meer maken dan wat meezingbare klanken. Niet dat er geen variatie te horen valt op The Bariba Sound, maar het is wel meteen thuis te brengen binnen de West-Afrikaanse muzieksfeer.

En daar is hoegenaamd niets mis mee, want zolang er stomende songs genre het door een groovend orgeltje aangedreven “Wegne Nda M’Banza” of “Bori Yo Se Mon Baani” (toegegeven, wij onthouden ze meer als “nummer 2” en “nummer 8”) te horen zijn, hoort u ons niet klagen. Opvallend is wel dat het merendeel van de nummers hier meer dan zomaar jams zijn en van een grotere complexiteit getuigen dan sommige van hun tijdgenoten, met meerdere thema’s per nummer en ietwat complexere songstructuren. In “Guessi-Guéré-Guessi” (oftewel “nummer 5”) wordt bijvoorbeeld voortdurend op een vloeiende manier afgewisseld tussen verzen en refreinen, terwijl veel van hun tijdgenoten gewoon een kwartier lang op dezelfde akkoorden bleven doorjammen. Al moet u nog geen Afroprog gaan verwachten, daarvoor moet u bij het Nigeriaanse BLO zijn.

Het enige nadeel dat we kunnen bedenken voor The Bariba Sound is dat de geluidskwaliteit voor sommige van de opnames, alle moedige restauraties van Analog Africa ten spijt, eerder lamentabel is. Zo klinkt de bas in “A Na Gan Garo Ka Nam” meer als een verzameling gsm’s op trilfunctie dan als een echte basgitaar, een euvel dat ook in andere nummers (zij het daar ietwat minder storend) aanwezig is. In “Abere Klouklou” klinken de trompetten dan weer bijzonder vals, al lijkt dat meer te liggen aan de muzikanten dan aan de opname. Hoewel het ook in “Aske” klinkt alsof de gitaren verkeerd gestemd zijn, speelt de groep hier eigenlijk gewoon een Bariba-traditional, inclusief met dissonanten volgestouwde harmonieën. Sowieso klinken de originele uitgaven van deze platen vaak ook alsof ze wat te lang hebben liggen bakken in de Saharaanse zon en is de staat waarin ze hier te horen zijn, vaak al een hele verbetering op de versies die je als vinyljager zou vinden.

Wie er dus geen probleem mee heeft om een klein uurtje lang naar lo-fi afrobeat en soukous te luisteren, kan The Bariba Sound zonder meer op zijn winkellijstje zetten. Wie echt gebeten is door deze klanken, doet er daarenboven niet slecht aan om ook de volledige verdere catalogus van Analog Africa op datzelfde lijstje te zetten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

tien − 1 =