Dennis Rollins Velocity Trio :: The 11th Gate

Wie doorgaans in funky wateren zwemt durft wel eens door de mand vallen in jazzcontext. Kijk naar Candy Dulfer die, ondanks een prima instrumentbeheersing, blijft afkomen met belegen Maceo Parker-afleggertjes op een strakke beat. Dennis Rollins, die al aan de slag ging bij The Roots, Jamiroquai, US3, Blur en Courtney Pine laat iets van een andere orde horen. Hij is een meester op de trombone en maakte een bruisende plaat te maken die nergens vervalt in derderangsfunk.

Dennis “BadBone” Rollins is met deze plaat toe aan z’n eerste internationale release, maar je kan hem moeilijk beschouwen als een nieuwkomer. De 47-jarige Brit van Jamaïcaanse afkomst heeft immers ruim twee decennia ervaring bij elkaar gespeeld aan de zijde van een hele waslijst muzikanten en bands uit allerlei genres, maar ging intussen ook de slag met z’n BadBone-project, verschillende solo-experimenten en kleinere bezettingen. Het experiment wordt hier mooi binnen de lijnen gehouden: nu en dan manipuleert Rollins elektronisch z’n trombonesound, waardoor het haast lijkt alsof je meerdere muzikanten te horen krijgt, maar het heeft weinig invloed op het vloeiende samenspel met z’n kompanen.

De bezetting is alleszins ongewoon: een orgeltrio kom je doorgaans immers tegen met een gitarist of saxofonist, maar de samenwerking met Ross Stanley (Hammond) en Pedro Segundo (drums) loopt vanaf de eerste seconde gesmeerd. In bijna alle uitgewerkte stukken staat groove en dansbaarheid centraal, maar dat gebeurt dan op een manier die ook boeiend kan blijven voor wie z’n tanden in iets wil zetten. Baan je een weg doorheen het album en je kan best geloven dat Rollins een verscheidenheid aan figuren als Larry Young, Steve Coleman, Julian Priester, Bob Marley en Charles Mingus tot z’n helden rekent. Ongedwongenheid, exotische broeierigheid en experiment gaan hand in hand.

“Samba Galactica” is meteen een vurige opener, met staccato aanzet van Rollins en Stanley en ritmisch complex drumwerk van Segundo. De taal die door de drie gehanteerd wordt is zo vloeiend als de pest. Terwijl Stanley vaak al een fond legt met z’n baspedalen is z’n spel perfect ondersteunend wanneer het moet en treedt hij soms op de voorgrond met expressieve bijdragen. Ook “Freedom Jazz Dance” (het had zo op een Blue Note-plaat van pakweg Lee Morgan kunnen staan) en “Emergence” zijn uit dat hout gesneden, met simultaan uitgevoerde melodieën, extravert drumwerk en rijk geschakeerde solo’s.

Hier en daar gaat het er lichtjes anders aan toe – zo wordt in “Ujamma” een sleazy swing op poten gezet om de gevulde broeken van de achtersteegjes te begeleiden en mag Rollins z’n romigste klank bovenhalen voor het verleidende “The Other Side” – al zijn het vooral de vier korte solostukjes die zorgen voor rustpunten en hernieuwde interesse die voorkomt dat het album verglijdt in monotonie. Korte afsluiter “The 11th Gate” laat bovendien horen dat vernuftig gebruik van de elektronische mogelijkheden, waarbij het lijkt alsof je naar een trombonekwartet luistert, mooie resultaten kan opleveren.

The 11th Gate is een makkelijk verteerbare plaat die niet in de val van de luchtledigheid trapt en een echte jazzplaat is die ook voor niet-ingewijden voldoende toegankelijk blijft. Daardoor is Rollins een artiest die zowel de hardcore liefhebbers die nog niet vergeten zijn dat jazz ook fun mag zijn, als de terloops geïnteresseerden kan aanspreken. En hoewel hier misschien niet zo veel krachtpatserijen te noteren vallen vegen deze drie het (veel bekendere) James Carter Organ Trio gewoonweg van tafel. De spetterende, kleurrijke hoes zegt het allemaal.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie + zes =