Richmond Fontaine :: 28 september 2011, Trix

Het leuke aan bands in welomlijnde genres is dat ze gevolgd worden door een publiek dat als een stel trouwe loebassen achter het baasje aanloopt. Het zou ons dan ook niet verwonderen dat Richmond Fontaine voor krek hetzelfde publiek speelde als vorig jaar in de Arenbergschouwburg. Het verschil is echter dat de aanwezigen dit jaar net iets minder voldaan naar huis keerden. Dat bleek alleszins al uit het makke applaus na het concert.

Het was ook met enige argwaan dat we naar Antwerpen getrokken waren. Recente plaat The High Country valt best te omschrijven als een op muziek gezette novelle, die duidelijk de stempel van Vlautins literaire hand draagt, maar zelfs na een hele resem luisterbeurten nog altijd niet écht weet te overtuigen. Als Vlautin vervolgens aankondigt dat de band zijn nieuwste worp integraal gaat voorstellen, gevolgd door een handvol extra songs, dan was het een beetje bang afwachten. En anderhalf uur later zou blijken dat die twijfels terecht waren.

Eerlijk is eerlijk: de band had het ook niet helemaal zelf in de hand. De start van het concert, die nochtans begon in het verlengde van fantastische pauzemuziek (Fairport Conventions “Who Knows Where The Time Goes?”), schoof al op door een probleem met de bas en even later bleek dat ook het toetsenbord van vijfde lid Amy Boone de geest gegeven had. Ze speelde lustig verder op het ding en nam ook de vrouwelijke vocalen van The High Country voor haar rekening, iets dat ze vanaf de gesproken intro van “Inventory” deed met een frisse naturel. Maar net zoals de lijm niet altijd pakte op het album, zo kende de uitvoering van de audioroman ook te veel inzinkingen.

De korte sfeerstukken, de vele instrumentwissels, het onderbrekende applaus en het duidelijke gebrek aan inkleuring zorgden ervoor dat het ook live nooit echt klonk als een geheel. Als het in een ruk gespeeld had kunnen worden, desnoods met eerder opgenomen muziek tijdens de overgangen, of misschien zelfs als begeleiding bij beelden, dan had het kunnen zorgen voor een coherente luisterervaring, maar nu kreeg je hier en daar een paar hoogtepunten (“The Chainsaw Sea” ontpopte zich tot een meeslepende rocker, het kaal sentimentele “The Meeting On The Logging Road” werd mooi ingeleid door Vlautin en “Angus King Tries To Leave The House” was de verwachte oplawaai), maar daar stond regelmatig een wat mindere song of een saai moment tegenover.

Op die manier viel op dat de beste momenten – “Lost In The Trees” en “The Escape” – doorgaans de potige songs waren. Het albumhoofdstuk afsluiten met het instrumentale, uitdovende “Leaving” zorgde voor hetzelfde effect als op de plaat. Jammer, want het is een goed idee dat mits enkele aanpassingen tot een sterk geheel kan leiden. De tweede helft van het concert beloofde aanvankelijk totaal andere kost te worden, met de vurige countrypunk van “1968”, de eerste song die de band pende en die liet horen dat ze ooit startten met werkmansattitude en no nonsense-songs. De band schudde acht songs uit de mouw uit maar liefst zes albums, gaande van sleutelplaat Winnemucca’s “Northline”, dat liet horen dat de band z’n sound gevonden had, tot twee stukken uit Post To Wire.

“Always On The Ride” en (vooral) het titelnummer uit dat album zijn loepzuivere Richmond Fontaine-klassiekers, maar ook zij konden geen ommekeer bewerkstelligen en na een chagrijnig en dreigend “Two Alone” zat het er dan ook onherroepelijk op. De band heeft voldoende karakter om tussen de overvloed aan Americanabands overeind te blijven en beschikt met Vlautin over een charmante, gortdroge frontman, maar met dit concert kregen ze zelden een vonk in de zaal, wat er dan ook toe leidde dat de helft van het publiek al afdroop voor de laatste noot uitgestorven was. Een gemiste kans op een wat ongelukkige dag. Nu wordt het uitkijken naar de verfilming van Vlautins The Motel Life.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − elf =