North Sea Jazz :: 10 juli 2011, Ahoy Rotterdam

Ongelooflijk. Het blijft iets dat je enkel kan vatten als je ‘t met je eigen ogen ziet. North Sea Jazz, een driedaags evenement met een stuk of vijftig concerten per dag, verspreid over een klein dozijn zalen, gaande van de grote arena tot kleine achterzaaltjes voor occulte conferenties. Nog steeds in de Gentse state of mind (zelfs dat was al voldoende claustrofobisch) beperkten we ons grotendeels tot de Volga, de kleinste der zaaltjes, waar we een paar uitmuntende en verrassende dingen zagen.

Zijn de grootschaligheid (je waant je gewoonweg op Heathrow), het overaanbod, de inkomprijs (89 euro/dag, exclusief servicekosten – alstublieft!) en de hap en het drankje onwaarschijnlijk duur (2,40 euro vinden wij alleszins erover voor een Hollands minipintje, net als 6 euro voor een broodje tonijn, en dan hadden we de sushi-, oester- en champagnebar nog overgeslagen), dan valt ook meteen op hoe waanzinnig geolied deze machine functioneert, hoe de schema’s lopen als een Zwitserse klok, hoe vlot het pendelbussensysteem in elkaar steekt, hoe er werkelijk aan alles gedacht werd. Je kan er betaalbare cd’s vinden, instrumenten kopen en een paar tentoonstellingen bekijken. De parelwitte lach van de honderden hostessen voert je naar Testosteronland.

Op het zondagprogramma ook die ene wereldster (de kleine), een paar jazzgrootheden (Herbie Hancock, Wayne Shorter) en wat hedendaagse jazzkleppers (Dave Douglas, Branford Marsalis), maar net zo goed funk (Bootsy Collins), soul (Raphael Saadiq, Mavis Staples), een Nederlandse afvaardiging (met o.m. Han Bennink en Paul Van Kemenade) en een handvol namen uit de experimentele hoek. Dat je een ritualistische John Zorn-achtige performance van het Tyshawn Sorey Quartet kan bijwonen in zo’n kolos is op zich al surreëel, maar dat gevoel verandert in totale verbijstering als je bij het verlaten van het donkere zaaltje hoort hoe Tom Jones honderd meter verder “Delilah” nog eens door z’n strot jaagt. En Snoop Dogg even later over z’n biatches staat te lullen in wat zowat hét hufterspektakel van het festival moet zijn geweest. Only in Rotterdam.

Maar wij dus naar de Volga (alle zalen zijn genoemd naar rivieren), om daar wat jong geweld uit de experimentele hoek aan het werk te zien. Eerst het Mary Halvorson Quintet, aangevoerd door een opvallende gitariste die al jaren wordt getipt als de gedoodverfde opvolgster van figuren als Marc Ribot, Nels Cline en Henry Kaiser, en getraind werd onder de hoede van avant-garde grootheid Anthony Braxton. Ze valt meteen op door haar onconventionele stijl, die een voorliefde voor dissonante uitvallen combineert met elegante, vaak folkachtige melodieën en een zwak voor distortion en ongebruikelijke effecten. Haar composities zijn vaak net al zo grillig, complexe webben waar moeilijk een uitweg in te zien is, maar die toch met een zekere, soms wiskundige logica in elkaar lijken te zitten.

De band die ze had meegebracht was niet de minste, met Jon Irabagon (vorige maand nog ijzersterk in de Hnita hoeve) op altsax, coming man Jonathan Finlayson op trompet, Ches Smith (van o.m. Ribot’s Ceramic Dog) op drums en John Hébert op bas. Samen baanden ze zich een gedreven weg door materiaal dat vooral uit Saturn Sings (2010) kwam; composities die balanceren op de grens tussen samenhang (vooral in de partijen voor de blazers) en grillige solo’s, waarbij Halvorsons kringelige stijl — ergens tussen Derek Bailey en Ribot — regelmatig als stoorzender liet fungeren. Hoewel Halvorsons muziek vaak afstandelijke tegendraadsheid wordt aangewreven, viel dat nu erg goed mee: het kwintet liet vooral horen dat er ook frisse avant-jazz kan worden gemaakt die moeilijkdoenerij met een dosis toegankelijkheid kan combineren.

Toegankelijkheid was dan weer de laatste zorg van het Tyshawn Sorey Quartet, dat ongetwijfeld tekende voor een van de meest ongewone concerten van de driedaagse. Samen met pianist John Escreet (die, weggestopt achter z’n piano, geen enkele keer contact zou zoeken), rietblazer Michael Moore en trompettist Taylor Ho Bynum zorgde de imposante percussionist immers voor een uur durend hoorspel dat aanvankelijk wel een ritualistisch stuk van de hand van John Zorn leek. Het hele podium stond volgestouwd met materiaal (timpani, een gong, grote trom, vibrafoon, stalen buizen en een regulier drumstel), dat Sorey allemaal zou gebruiken in z’n voorstelling. Al ging het van start met dromerige interactie tussen Escreet en Moore, terwijl Ho Bynum en Sorey, beiden op trombone (!), vanuit de achterste rangen van het zaaltje naar voren geprutteld en geschetterd kwamen.

Het werd een feest van ongebruikelijke technieken: Escreet dook z’n piano in terwijl de blazers steeds herhalende motiefjes afwisselden met excentrieke uitspattingen waarbij een mens niet wist wat te denken. Vooral Ho Bynum liet ongehoorde dingen horen en bevestigde zijn status als een van de meest inventieve en avontuurlijke trompettisten van de nieuwe generatie. En Sorey, die begaf zich tussen z’n instrumenten alsof hij zopas de Hagakure achter de kiezen had en doelbewust z’n volledige arsenaal uitbuitte. Het leidde tot enkele donderende passages en spectaculaire volumecontrasten, maar net zozeer tot enkele van de stilste die we ooit hoorden. Het is dan ook een klein mirakel dat het publiek het respect had om minutenlang te blijven luisteren naar een concert dat uitgegroeid was tot een hypnotiserend hoorspel. Je kon een speld horen vallen en toen Sorey na een lange stilte aan het einde plots een brede grijns toonde en de band voorstelde, besefte je getuige te zijn geweest van een uniek concert. Eentje waar je wat lacherig over kan doen als je er niet bij was, maar dat wel de mond snoerde van elke aanwezige.

Chris Lightcap was eerder die dag al aan het spelen geweest met cultlegende Tomasz Stanko, maar daar viel niets van te merken toen hij het podium betrad met z’n Bigmouth Quintet. Hun album Deluxe was een van de hoogtepunten van vorig jaar en een album dat eigenlijk elke freejazzneofiet in huis zou moeten halen, want ondanks de prikkels van wereldmuzikanten als Gerald Cleaver (drums), Craig Taborn (Fender Rhodes) en saxofonisten Tony Malaby en Chris Cheek, gaat het over duidelijk gestructureerde songs die met enorm veel soul worden gespeeld. Als weinig andere bands kan dit kwintet een evenwicht vinden én aanhouden tussen melancholie en uitbundigheid, tussen onrust en vastberadenheid. Vooral Cleavers redelijk vrije rol is daarbij opvallend. Een eenvoudig strak ritme lijkt vaak te worden achtergehouden, maar net als William Parker lijkt er altijd een innerlijke groove aanwezig. Cleaver is samen met Nasheet Waits en Chad Taylor een van de freejazzdrummers van het moment.

Het kwintet draaide Deluxe er grotendeels door en de songs kwamen extra tot leven. Het gemak en de souplesse waamee Malaby en Cheek stonden te spelen was aanstekelijk, zeker als ze dan nog eens geruggensteund werden door het uitbundige weerwerk van Lightcap en Cleaver. Met “Platform” en “Silvertone” gaf het kwintet meteen twee van z’n prijsbeesten weg, maar ze bereikten er een plateau mee dat ze amper nog zouden verlaten. Voor de gemiddelde freejazzfanaat is dit muziek met misschien wat veel zelfopgelegde beperkingen, maar eigenlijk deed het gewoon deugd om eens muzikanten van dat kaliber, en met die achtergrond, zich een weg te horen banen door zulke melodische knallers. Chris Lightcap’s Bigmouth was alles wat we ervan verwachtten en zoveel meer en zorgde voor een domme grijns van gelukzaligheid op ons gezicht (gelukkig was er nog Snoop Dogg om daar komaf mee te maken).

De Hudson (de #2 van het complex) was aardig volgelopen voor het Branford Marsalis Quartet. De oudste van de illustere broers is intussen ook al een jonge vijftiger en mag stilaan worden gezien als jazzerfgoed. Het is dan ook gepast dat hij nu zowat de meest traditionele muziek van z’n carrière speelt, en dat met ondersteuning van vaste waarde/pianist Joey Calderazzo. Bassist Eric Revis was in allerijl vervangen door Orlando Le Fleming, die zich best goed kweet van z’n taak. Opvallendste pion was echter het twintigjarige drumwonder Justin Faulkner, die zonder verpinken in de voetsporen van Jeff “Tain” Watts trad. Dat hij constant in het oog liep, zelfs in de kalmere passages, als z’n ongedurige spel het geheel wat broeieriger maakte, had misschien ook te maken met de performance van de leider, die begeestering miste.

Marsalis is een uitstekende muzikant, op tenor- én sopraansaxofoon, een beetje verwant aan James Carter, maar dan zonder diens patserigheid. Toch had hij best iets meer bravoure mogen tonen, want regelmatig leek het alsof hij er niet echt bij was of geen zin had. Hij ging voor lange periodes als een patriarch achter z’n band zitten en als hij zelf nog eens soleerde, dan gebeurde het met een ongemakkelijke afstandelijkheid. Of het te maken had met de plotse afwezigheid van Revis of het soms irritante publiek (na elk nummer stonden dozijnen mensen recht om zich tijdens de aanloop van het erop volgende nummer luidruchtig naar de uitgang te begeven) was niet duidelijk, maar Marsalis maakte een makke beurt met ter plekke trappelend spel. Gelukkig maakte een aanstekelijke versie van W.C. Handy’s “St. Louis Blues” als bisnummer veel goed. De man mag zich gelukkig prijzen dat hij omringd wordt door fijn volk als Calderazzo en Faulkner.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × een =