Crossing Border 2009




Na 16 edities in Den Haag was het Crossing Border festival vanaf
dit jaar ook in ons land te gast. Locatie werd de leuke
Arenbergschouwburg in Antwerpen, die de namen van de zalen
veranderd zag naar ‘Continental Upstairs’ of ‘Red Eyed Fly’ om er
twee op te noemen. In vier zalen kwam een groot aantal schrijvers
voorlezen uit eigen werk, werden interessant geachte mensen
geïnterviewd en kregen we de kans heel wat concerten mee te pikken.
Zo was het de eerste keer dat Mumford & Sons, The Antlers en
grote publiekstrekker Monsters Of Folk in België op een podium
stonden. Niet toevallig was het bij deze bands dat hun
respectievelijke zalen te klein bleken en fans naast een staan- of
zitplaats grepen. Op tijd zijn, was dan ook geen onbelangrijke
boodschap.

De reputatie van Mumford And Sons (****) was hen
als door een storm op de hielen gezeten al vooruitgesneld en lokte
een horde ongeduldige mensen die allang voor het aangekondigde
openingsuur van Crossing Border voor de deur samengedromd stonden,
naar de in der haast in elkaar gebokste zaal Continental Upstairs.
Ze probeerden naarstig hun plaatsje te handhaven in de langzaam
maar zeker warmer tot bloedheet wordende ruimte.
De drummerloze band Mumford and Sons deed de solide brok genot die
hun plaat ‘Sigh No More’ is helemaal eer aan op het podium en
maakten het voor de vele vrouwen aanwezig nog warmer dan het al
was. Opener ‘Sigh No More’ toonde meteen de tomeloze energie van
een jonge band die met volle plezier op het podium staat. Ze
ontpopten zich nog voor het Crossing Border festival goed en wel
begonnen was tot een van de sympathiekste bandjes in de omloop. Zo
was er een onderhoudende Franse conversatie van de hilarische
banjoman Winston Marshall, die er een persoonlijke missie van
maakte om iedereen naar Steve Earle te lokken, en een sollicitatie
naar een slaapplaats in Zuid-Afrika tijdens het WK. Het blijven
Britten natuurlijk. Maar muziek. Het behoeft geen uitleg dat hun
‘Little Lion Man’ de topper van hun avond was, maar in
tegenstelling tot wat Mumford zelf beweerde, was niemand rouwig dat
ze bleven staan in plaats van het concert van The Low Anthem bij te
wonen (we wisten ook niet beter natuurlijk).
Wat wil je wanneer je hem met roodaangelopen hoofd de klanken van
‘White Blank Page’ of ‘The Cave’ uit zij rasperige keel ziet persen
en zijn bandleden met de ogen dicht van hun eigen muziek
genieten.
Uiteindelijk mocht Marcus zijn geliefde drumstokjes toch nog
oppikken om het laatste nummer ‘Dust Bowl Dance’ vanachter de
onaangeroerde drums in goede banen te leiden.
Deze heren zullen met groot gemak een van onze grotere en meer
geschikte concertzalen uitverkopen. Dus we zien ze graag volgend
jaar terug! ™

De eerste band in ‘La Zona Rosa’ – jawel – kwam uit Rhode Island en
brak dit jaar bij ons door met hun ‘Oh My God, Charlie Darwin’.
The Low Anthem (****) was voor de gelegenheid met
vier en bracht ons een knappe set, nu eens verstillend zoals in
hoogtepunt ‘Charlie Darwin’, dan weer wilder en uitbundig (‘The
Horizon Is a Beltway’). De vier wisselden lustig van instrument,
met de mondharmonica van Ben Knox Miller als certitude. In het
midden van de set zagen de folkrockers hun contrabas uitvallen met
microfoonproblemen en bracht een basgitaar soelaas. Een bijzonder
moment werd het gitaarloze ‘This God Damn House’, dat koperblazers
en orgel inzette om het verhaal te vertellen van het ex-bandlid dat
plots ook ex-roommate werd. Eind januari in de AB! (kvv)

Giechelig als een schoolmeisje dat een briesje onder haar
schoolrokje voelt waaien, stond Patrick Watson (and the
Wooden Arms) (***1/2)
, hoedje na al die jaren nog stevig
op het hoofd, op het podium van de grote zaal. Het gegeven dat hij
op zondag om 18u al op een podium stond, leek hem evenwel zeer
surrealistisch voor te komen.
De koning van eclectische geluiden propte zijn band in een hoekje
in het sluimerende waxinelicht, de rest van het podium overlatend
aan zijn piano en het vrouwelijke strijkkwartet dat hem vergezelde,
hoewel zijn band en hun eindeloze gamma van geluidjes met een grote
hoofdrol in het theaterstuk ‘Wooden Arms’ gingen lopen. Het mag
niet verwonderen dat zijn nieuwe plaat de grootste hap uit de
setlist wegat.
Het is een vreemd figuur die Patrick Watson, het ene moment weet
hij ‘Shitaday’ uit te brengen met een freaky lachje erachter,
terwijl hij nog geen minuut later professioneel als het maar kan
een nummer brengt en de hele wereld vergeet.
Hij leidt zijn nummers zorgvuldig in, legt het publiek netjes uit
waarvoor ‘Bird in a Small Cage’ bijvoorbeeld staat, hoewel de grens
tussen fictie en realiteit niet altijd duidelijk is. En bij het
zien van de rode lichtjes van zijn podiumthuishaven zet hij een
dronkemanslied in en laat hij ons zwalpen op de tonen van
‘Travelling Salesman’.

Zijn open sollicitatie als soundtrackschrijver voor de film ‘Where
the Wild Things Are’ is in dovemansoren gevallen, maar het levert
op het podium een fantastisch resultaat op. Er worden overal als
was het magie tonen en geluiden naar boven getoverd om uiteindelijk
te eindigen in een filmische bombast.

Als kers op de taart stapt hij met zijn band het podium af en zette
akkoestisch (zelfs zonder microfoon) ‘Man Under the Sea’ in, om
langzaam maar zeker zijn band terug naar het podium te dirigeren en
uiteindelijk weer in die bombastische teneur van de avond te
eindigen. ™

Met pijn in het hart verlieten we de set van Patrick Watson om
beneden als allerlaatste binnengelaten te worden in de Red Eyed
Fly-ruimte, waarin The Antlers (****1/2) zouden
debuteren op Belgische bodem. Het New Yorkse ‘The Antlers’ verraste
dit jaar vriend en vijand met hun conceptplaat ‘Hospice’ en vulde
hun drie kwartier integraal met songs uit dit klein meesterwerkje.
Lag het aan de kleine ruimte waarin we als sardines tegen elkaar
stonden of toch aan de capaciteiten van het trio en de pakkende
zanglijnen van Peter Silberman zelf, maar wat de Amerikanen in
Antwerpen lieten horen, benaderde vaak de grens met het magische.
Intens, emotioneel geladen en muzikaal prikkelend pasten bij de zes
songs, die live (uiteraard) nog een danig grotere impact hadden dan
op schijfformaat. Vooral afsluiter ‘Wake’ werd een song om in te
kaderen. (kvv)

De enige (muzikale) levende legende aanwezig op Crossing Border, is
een Amerikaanse politiek activist en gevierd schrijver maar in de
eerste plaats een country- en folkartiest. Steve Earle
(***1/2)
brengt country in de stijl van zijn leermeerster
Townes Van Zandt, die hij op het podium (terecht) uitvoerig
bewierrookte. Dat niet alleen met woorden maar ook met songs van
Van Zandt, waarvan Earle er dit jaar nog een 15-tal uitbracht op
zijn tribute album ‘Townes’. Zo passeerden ‘Brand New Companion’
en het straffe ‘Pancho & Lefty’ de revue, zoals steeds
voorafgegaan door een vaak grappige introductie. Earle is als
artiest vooral erg naturel en is een troubadour zoals er nog weinig
zijn. Met een weinig eigentijds genre en een vlotte eerlijkheid
wist Earle Antwerpen mooi in te pakken. (kvv)

Stephen Malkmus (***) had de grote pech dat
tachtig procent van de bezoekers in de Arenbergschouwburg plaats
had genomen voor Monsters Of Folk of vaak vergeefs stond aan te
schuiven in de hoop nog een plaats te bemachtigen. De frontman van
Pavement (dat volgend jaar terug gaat touren) had zijn Jicks thuis
gelaten en bracht een sympathieke maar ook wat nonchalante set voor
een publiek dat gelijdelijk dan toch wat groter werd. We kregen
songs uit zijn gehele carrière met als hoogtepunten ‘We Dance’ en
‘Shady Lane’. (kvv)

In navolging van Harrison, Dylan, Orbison, Lynne en Petty, kneedden
Jim James, Conor Oberst en M. Ward een hedendaagse versie van The
Travelling Willbury’s uit de vruchtbare klei van hun muzikale
talent. Monsters of Folk (***) brachten na vijf
jaar knutselen achter de schermen in september hun eerste plaat uit
en besloten in tegenstelling tot de ietwat voorbarige naam van hun
legendarische voorgangers, de koffers te pakken en op tournee te
vertrekken. Een tournee die zijn eindpunt vond in de grote zaal, La
Zona Rosa van de Arenbergschouwburg. Het was al een ruim een uur op
voorhand drummen geblazen om de bij nader inzien toch niet zo grote
zaal binnen te raken voor wat dé revelatie van het eerste Crossing
Border festival zou worden.
Wanneer de heren het podium betraden, mocht het publiek ook in een
keer ervaren dat er meer mensen achter Monsters of Folk steken dan
alleen de usual suspects. Het is als de vierde man bij Them Crooked
Vultures zijn, maar ook Mike Mogis en Will Johnson stonden
zondagavond in stijl, in pak, op het podium. Jim James zag er met
zijn korte gekapte coupe, maar nog steeds met die zware baard, en
in zijn ietwat lompe kostuum, uit alsof hij een
begrafenisondernemer was die zich vergist had van voordeur en dan
zomaar het podium was opgewandeld en dat nog wel onder de
begeleiding van een sexy en funky klinkende Curtis Mayfield. Conor
Oberst en M. Ward zaten dan wel weer gegoten in hun pak en Ward
ontpopte zich tijdens het openingsnummer ‘Say Please’ als een ware
Jerry Lee Lewis, zingend, staand en rammend op de piano achteraan,
die pose van Lewis blijft hem overigens akelig aan ‘t lijf te
hangen. De rollen werden de eerste drie nummers in een handomdraai
gewisseld en de drie protagonisten mochten alternerend plaats nemen
achter de piano. Het was misschien een truc om de fotografen de
kans op een kiekje van James, Oberst en Ward broederlijk naast
elkaar, door de neus te boren. Jim James – of Yim Yames zo u wil –
mocht ‘The Right Place’ voor z’n rekening nemen en uiteraard mocht
Conor Oberst zijn eigen ‘Soul Singer in a Session Band’ tot groot
jolijt van het publiek ten berde brengen. Blitzkrieg!
Maar dit concert ging niet om de Monsters of Folk als eenheid want
de troef van drie (en bij uitbreiding vijf) talenten bij elkaar op
een podium werd zelden ten volle uitgespeeld. Ze schipperden eerder
tussen hun eigen werk wat het publiek, dat zijn voorkeur voor een
van deze heren niet onder de rood pluchen zetels kon steken (M.
Ward, het kneusje, moest het met heel wat minder aandacht stellen
overigens), alleen maar kon aanmoedigen. Het staat uiteraard buiten
kijf dat het een absoluut voorrecht is om ‘Bermuda Highway’ en ‘At
Dawn’ van My Morning Jacket nog eens live te horen of ‘We Are
Nowhere And It’s Now’ van Oberst maar het blijft ergens jammer dat
ze er geen gebalde explosieve Monsters of Folk-set van gemaakt
hebben. Ze hadden zo met het loos gaan in monsterlijke folk een
dipje kunnen vermijden na een dik uur, in de ruim tweeënhalf uur
durende set.
Daarenboven was helaas ook het Jansen&Jansen-effect niet ver
weg, de bolhoedjes ontbraken er nog net aan. “Mijn beste, een ware
eer om met u samen op het podium te staan” “Sterker nog: het is een
hele eer om met u samen op het podium te staan!”. De wierrook om in
elkaars achterwerk te steken was amper aan te voeren en ze
behandelden elkaar en elkaars nummers met zo’n devoot respect en
jovialiteit, dat het misselijkmakend werkte.
Het liefst van alles hadden we een volwaardige band gezien die zich
de moeite niet had gedaan om aan het publiek te bewijzen dat ze
elkaar toch allemaal als wolvenleiders zijnde een plek in het
maanlicht van de roedel gunden. Maar je kan ze niet verwijten dat
ze er geen plezier in hadden om met elkaar op het podium te staan,
de plagerijtjes en brede, speelse glimlachen rond de mondhoeken ten
bewijs.

Het venijn zat hem zoals gewoonlijk helemaal aan het staartje met
‘Smokin’ From Shootin” en ‘Hit the Switch’ en de bisnummers die er
na een paar uur spelen nog achtergeplakt werden. En ook hier was er
weer een hoofdrol weggelegd werd voor de man die onder geen geding
van het podium af te slaan valt: Conor Oberst met ‘At the Bottom of
Everything’.Hij hoeft zich niet voor alles te verontschuldigen
uiteraard. ™

Meer afbeeldingen Mumford
And Sons
The
Antlers

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 1 =