The Decemberists + Lavender Diamond

Zou het dan toch kloppen dat Europa de in eigen land erg grote
The Decemberists nog moet ontdekken en dat je daarom nog op de
avond zelf een goedkoop kaartje kon kopen om ze in de Botanique aan
het werk te zien? Het is alleszins de reden waarom The Crane Wife pas
een aantal maanden na de release in onze contreien in de
winkelrekken lag. Nuja, kwaliteit sijpelt altijd naar de
oppervlakte en dat wist de goed gevulde Orangerie maar al te goed.
Al waren de meningen over het voorprogramma dan weer
verdeeld.

Dat voorprogramma gaat door het leven onder de naam
Lavender Diamond en werd door de publiciteitsman
van de Botanique omschreven als “een van de belangrijkste groepen
uit LA van het moment”. Laat ons eerlijk zijn. Als dit correct is,
dan heeft deze miljoenenstad een probleem. Niet dat we hier iets
slechts aan het werk zagen, maar lang zullen we ons dit viertal
toch niet herinneren.
Lavender Diamond is opgetrokken rond de feeërieke frontvrouw Becky
Stark. Becky combineert de vrolijkheid van Amélie Poulain met de
handbewegingen van Petra of La Sakhra en met heupswings die zelfs
veertig jaar geleden hun populariteit hadden verloren maar af en
toe toch nog tijdens de zomer te zien zijn op de dijk in
Blankenberge. De muziek zelf beschrijven we als statische folkpop.
De nummers zijn low- tot midtempo, hebben een piano als dominant
instrument en zijn heel aardig gefabriceerd. Het probleem waarmee
Lavender Diamond echter worstelde, naast bindteksten als “We
are Lavender Diamond; now you are Lavender Diamond”
, is het
gebrek aan kracht dat Stark vocaal live kon brengen, waardoor het
geheel vaak te verheven en afstandelijk bleef. Op plaat klinkt het
gelukkig net iets overtuigender.

Maar we waren dus voor The Decemberists gekomen en
die bewezen meteen waarom hun naam de laatste jaren steeds meer
klinkt als een klok. Geheel gelijklopend met onze verwachtingen
zagen we zes sterke muzikanten die geen halsbrekende toeren moesten
uithalen om te imponeren. Colin Meloy, voor de gelegenheid in een
wit gestreept mantelpak, stelde zijn set keurig samen met nagenoeg
enkel nummers uit Picaresque en
The Crane
Wife
en koos ervoor rustig van wal te steken met ‘The Crane
Wife 3’. Hét hoogtepunt van de avond volgde al onmiddellijk in de
vorm van het fantastische drieluik ‘The Island’. Instrumenten
werden vlijtig gewisseld waarbij ‘The Landlord’s Daughter’, het
laatste deel, met een accordeon, contrabas en twee violen een bijna
volledige bezettingswijziging was ten opzichte van de voorafgaande,
meer klassieke compositie. Toch had je nooit het gevoel, zelfs niet
bij de beste stukken, dat The Decemberists ons totaal van de kaart
zouden brengen. Het bleef allemaal zeer keurig en sterk maar werd
nergens uitmuntend. Het enige storende element waren de hoge
backing vocals van drummer John Moen, die niet alleen weinig
bijdroegen, maar ons ook deden afvragen waarom hij zijn stem moest
forceren om hoog te gaan als er twee dames op het podium stonden.
Ach, ze zullen wel hun reden hebben.

Tussen de nummers door nam Colin af en toe de tijd om met zijn
publiek te praten en hij beschouwde de Orangerie dan ook als een
grote woonkamer waarin hij rustig kon converseren met zijn gasten.
Zo kwamen we te weten dat hij high school president is
geweest van de French club met enkel vrouwelijke medeleerlingen,
maar dat hij desondanks nooit echt een vriend van de Franse taal
was. Het publiek kon het ten zeerste appreciëren dat hij vroeg om
de gefrustreerde buiten te zetten die al zeventien keer ‘Petra’ had
geroepen naar de niet onknappe violiste Petra Haden. Datzelfde
publiek werd het middelpunt van de actie toen het tijdens een zeer
lange ‘Sixteen Military Wives’ in vieren werd gedeeld en er een
competitie ontstond om het zeer moeilijke “ladiladila” om
ter luidst te kelen. “There is no fucking prize,” bleek
Colins antwoord op de vraag wat er te winnen viel. Net voor de
bisronde, waarin Meloy even naar zijn woorden moest zoeken in de
wondermooie ballad ‘Of Angels and Angles’, mochten de vier van
Lavender Diamond nog eens het podium bestijgen om samen als een
happy family in ‘Sons & Daughters’ mee te
zingen.

The Decemberists hadden de missie meegekregen de Botanique een
topavond te bezorgen en zijn daar helemaal in geslaagd. Met hun
professionalisme deden ze hun wisselvallige voorprogramma volledig
vergeten en hoewel dit optreden geen jaarprestatie was, zijn we
meer dan tevreden. Soms moet je niet naar de hemel kijken als je de
wereld in je handen gestopt krijgt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 6 =