Tunng :: Comments Of The Inner Chorus

Ze hebben hun fiedel thuisgelaten. De geitenwollen sokken aan de wasdraad laten hangen. Hun baarden getrimd. En meteen duurde het verdomd lang voor we het doorhadden, maar folk is wel degelijk terug. Naast gitaren en meezingfluisterliedjes bracht Tunng gelukkig ook een laptop mee naar het kampvuur.

In dichte drommen stonden ze plots voor de deur: de Nick Drake-alikes, de Nicoclonen, de Syd Barretts van nu. Kampvuren werden gestookt en er was geen ontkomen aan. In 2005 was folk al helemaal terug maar in Dranouter hadden ze daar niets van gemerkt en zetten ze Flip Kowlier opnieuw op het podium. Dan komt er al eens een new tradition langs.

Folk dus. Sommigen doen niet veel meer dan herhalen wat Drake, Barrett, Nico et les autres hen zovele jaren geleden voordeden, anderen zien in dat het iets origineler mag. Zo ook het Britse Tunng, dat zijn folk lardeert met een arsenaal elektronische effecten. Het resultaat gaat al langer door het leven als folktronica, maar in tegenstelling tot bij verwanten als pakweg Four Tet krijgt de song hier nog steeds alle aandacht.

Zo was dat op debuut Mother’s Daughter And Other Songs, en het is niet anders op opvolger Comments Of The Inner Chorus, al laat de groep in vergelijking hier en daar wat richtingloze steken vallen. Nochtans werkt Tunng verder in de sprookjesachtige, middeleeuwse sfeer, maar niet alle songs blijven even goed overeind in de krachtige storm van ons oordeel.

Op zijn best is Tunng wanneer het de ondergrond vol kan weven met samples en effecten. Fingerpicking gitaar en gefluisterde zang mogen dan de kern uitmaken, wat dit geluid bijzonder maakt is het tapijt waarop die songs worden gespreid: een haperende beat hier, een stuiterende stemsample daar, een vervorming tussenin. Zoals in single "Woodcat", waarin de held wanhopig op zoek gaat naar iemand die hem in een haas kan veranderen, net als zijn geliefde, zodat ze opnieuw samen kunnen zijn. "Middeleeuws" dus.

Wondermooi zijn de murderballad "Jenny Again" (Throw the knife into the stream/Run away across the fields/Leave me lying where I fell) en "Sweet William", waarin gekraak, ruis en discreet geklop aan- en afwaaien. Ook sterk is de diepe onderwaterbeat van "It’s Because We’ve Got Hair" en de manier waarop in afsluiter "Engine Room" stemmen zwermen op zijn Efterklangs, vooraleer een rasechte Johnnybeat het vanuit gindse boomcar overneemt.

Hoe hard de zon ook brandt, er zijn schaduwzijden die het licht van onze lof niet kan penetreren: "Man In The Box" weet geen aandacht te vatten, "Red And Green" begint wel bezwerend, maar halverwege is de betovering verbroken en wordt verveeld rondstarend het einde afgewacht. Dan liever de manier waarop het gebruik van stemsamples in "Stories" aan de eerste U.N.K.L.E. doet terugdenken, tot de beat herinneringen aan Afro Celt Soundsystem oproept.

Mother’s Daughter And Other Songs bestond uit tien over enige tijd geschreven songs die toevallig samen op plaat waren beland: het gevolg was een gebrek aan eenheid, maar ook een constant hoge kwaliteit. Comments Of The Inner Chorus voelt als het negatief daarvan: een veel meer samenhangende plaat, maar helaas is niet elke song even geslaagd en missen we uitschieters als "Tale From Black". Tunng blijft een hoogstpersoonlijk geluid hebben dat de middeleeuwen verenigt met vandaag, maar het vond tot nu toe nog geen ideale neerslag.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − zeven =