Indré Jurgelevičiūté

30 mei 2021 M, Leuven

Muziek is ook een religie, dus het hield steek om deze zondagvoormiddag naar Leuven te trekken, waar Indré Jurgelevičiūté de binnentuin van Museum M moeiteloos inpalmde met drie kwartier puur escapisme.

Want zo voelde het aan: onderduiken in een wereld van rust en verstilling. Diep vanbinnen een bruisend feestmoment, met live muziek waar we al veel te lang op zaten te wachten, maar ergens voelde het ook aan als het einde van een tijdperk. Als die voorbije periode ons iets bracht dat goed was, dan was het méér ademruimte. 9 juni en alles dat erbij komt kijken gaat ongetwijfeld deugd doen, maar gaat ook garant staan voor too much van vanalles: drukte, lawaai, stress.

De ingetogen muziek van Jurgelevičiūté – bekend van onder andere Merope, Book Of Air, Mephiti en Efterklang – wordt gedomineerd door de klank van de kanklės, een instrument dat ze op schoot bespeelt en dat qua sound ergens het midden houdt tussen andere citers, een harp en een mandoline. Hier en daar werd deze akoestische klank aangevuld met wat effecten, toetsen of een EBow, maar dat gebeurde allemaal erg subtiel, zonder het evenwicht of de dromerigheid te verstoren. De muziek, met songs die geput zijn uit de folklore van Litouwen, moest het niet hebben van nodeloze complexiteit of opsmuk. Integendeel: Jurgelevičiūté ging recht naar de kern der dingen, met een geluid dat even apart en uitgepuurd als tijdloos was.

Door de setting, de weldadige zon en de ruisende eik die de tuin domineert, werd het concert een haast idyllische belevenis: getokkel daalde wiegend neer als bloesem, de mysterieus klinkende taal en melodieën namen je mee op sleeptouw langs onbekende, maar herbergzame oorden. In tegenstelling tot muziek uit sommige andere oosterse landen was hier geen plaats voor somberte of zware melancholie. Evenmin voor goedkope tranerigheid. Dit was musiceren volgens een natuurlijk ritme: harmonieus en op een herkenbare manier gewoon erg nabij.

Achter de songs zaten geen dure concepten of kunstige invalshoeken. Ze bleven dicht bij mens en de natuur, de verwondering bij het dagelijkse leven, het mooie daarbuiten. Het was dan ook toepasselijk dat Jurgelevičiūté regelmatig weerwoord kreeg van merels die in de buurt rondhingen. Het gebruik van een EBow en wat effecten suggereerde een orgelklank, iets later was het misschien een beetje aanleunen bij de etherische momenten van onder andere Dead Can Dance of Cocteau Twins, of het sjamanisme van sommige noordelijke folktradities. En héél soms herinnerde het zelfs aan een ingetogen ceremonie die plaatsvond in een Japanse tuin.

Maar opnieuw: of Jurgelevičiūté nu tokkelde, zong, neuriede of rinkelde met metalen voorwerpen: het was de puurheid die centraal stond, en dat was in tijden van volgeplamuurde digitale producties eigenlijk adembenemend – voor een keertje niet uit overdaad. Afsluiten gebeurde toepasselijk met enkel het oudste instrument (de stem) en een ode aan de vogels. Het was een plaatje dat klopte, een weldoende meditatie, een comfortabele dromerij. Bedwelmend, zonder ook maar een moment te wollig of afgelikt te worden.

3, 2,1, you’re back in the room.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht + 12 =