Cycle + Nate Wooley & Ken Vandermark :: 15 mei 2016, Incubate Festival, Paradox Tilburg

More Incubate for everyone, that’s how we see it. Het Incubate Festival schudde de kaarten eens goed door elkaar en biedt in plaats van één groot festival in september drie kleine festivals aan in 2016. Voor de rest bleef alles bij het oude, met de meest uiteenlopende muzieksoorten, vooral uit de meer experimentele en/of extreme hoek, verspreid over een tiental locaties in Tilburg (intussen toch al even dé festivalstad van de Benelux). Terwijl headliners Wolf Eyes en Nurse With Wound hun ding deden in de 013, pikten wij twee uitstekende concerten mee in jazz- en improvisatieclub Paradox.

Dirk Serries is de laatste tijd alomtegenwoordig. Hoewel hij voor velen nog altijd een onbekende blijft, is zijn al immense cv nog steeds aan het uitzetten, vooral door een reeks projecten die resoluut binnen de sector van de vrije muziek te situeren zijn. Met Yodok III was hij te horen op Roadburn én Dunk!festival, terwijl je de band net zo goed op een hardcore improvisatiefestival zou kunnen zetten, omdat ze moeiteloos de grijze zones tussen al die werelden opzoekt. Op Incubate stond hij daags ervoor ook al solo en met het Kodian Trio. Het recent opgerichte Cycle, waarvan er nog geen opnames bestaan (iets wat vermoedelijk een kwestie van tijd is, Serries’ productiviteit kennende), is een trio met bassiste Martina Verhoeven en drumster Karen Willems.

Dit trio heeft altijd al het minimale aspect benadrukt, maar dat was nu nog veel meer dan onlangs in Brugge het geval. Het leidde tot een ingetogen, coherente set die een kleine drie kwartier een eb- en vloedbeweging maakte die het niet moest hebben van extreme volumes of tactieken. Vanaf de start stond alles in het teken van de dosering en een web van klanken dat soms veel ruimte liet, maar soms ook snel won aan complexiteit en densiteit. Bij Serries gebeurde dat met gebruik van stokjes en schroevendraaier, maar in plaats van het atonale wringen dat je bij enkele andere projecten hoort, gebeurt het hier harmonieuzer, zonder de dissonantie op te zoeken.

Idem voor Verhoeven. Van de drie muzikanten houdt zij haar bereik het nauwst, vooral dan door geen losse noten te spelen maar de snaren te dempen en de strijkstok te laten schuren of tikken. Maar dat volstaat, want ze kiest de meer expressieve momenten zorgvuldig, plus met Willems beschik je sowieso over een muzikante die zelfs op fluistervolume speelt met een levendige lijfelijkheid. Met opnieuw een arsenaal attributen – we zagen, in willekeurige volgorde, een haarborstel, een ringsleutel, belletjes, schaaltjes, een houtblokje en twee meter ketting passeren – zorgt ze voor een onophoudelijke beweging. De ene keer klinkt dat speels en spontaan, haast kinderlijk. De andere verwacht je dat ze elk moment gezelschap kan krijgen van een stel Tibetaanse monniken met een arsenaal klankkommen.

De set vloeide, schuifelde zo voort, met een vanzelfsprekende flow die nergens te vrijblijvend werd. Maar een concert als dit wordt pas écht memorabel als er op z’n minst een passage in zit, of een moment, waarop je plots beseft dat alle stukjes helemaal op hun plaats vallen, of er een niveau hoger geschakeld wordt. En dat kwam er naar het einde toe, toen de drie muzikanten elk op hun manier een ritmische bijdrage leverden. Het leken wel drie manieren om neerslag uit te beelden. Serries met de losse prikjes van geïsoleerde druppels die een glas doen zingen, Verhoeven met het gestage gedruppel op een luifel, Willems met het onophoudelijke geruis van een plensbui, die ze wist uit te beelden met een ongedurig schuiven van een deksel over een trommel.

Had de muziek daarvoor voortdurend een transformatie nodig, dan werd dit moment, met die mooie klankencombinatie en dynamiek, aangegrepen om even verticaal uit te werken en te verdiepen. Het werd een killertrance, helemaal akoestisch, maar met een wentelende herhaling die net zo goed herinnerende aan elektronische muziek. Alsof ze plots de zone tussen The Necks en Radian gingen aanboren. Heldhaftige pieken en volumes kwamen er niet aan te pas, maar dat was ook niet nodig. Elkaar vinden, dàt is de kunst, en dat kan op alle volumes. Cycle gaf het bewijs.

En dan: het eerste duoconcert van Nate Wooley en Ken Vandermark in de Lage Landen. De twee vonden elkaar een paar jaar geleden, wat intussen leidde tot twee bijzonder knappe albums (East By Northwest en All Directions Home) en een resem concerten met het kwartet Shelter, waarmee ze zonet een eerste album opnamen, dat zou verschijnen in het voorjaar van 2017. Maar nu dus als duo, met een handvol stukken uit hun duoplaten. Die bestaan helemaal uit gecomponeerd materiaal, zowel van zichzelf als een paar illustere voorgangers/helden, maar laten natuurlijk ook heel wat ruimte voor improvisatie en spelletjes met klankkleur. Zo werd meteen geopend met John Carters “And She Speaks”, waarvoor Vandermark natuurlijk de klarinet hanteerde. Een knap stuk dat meteen de speelzone uit de doeken deed, met een statige, harmonieuze aanzet en later een slingerbeweging tussen meer hechte en abstracte kleuren.

Het mooie was ook dat je, ondanks deze naakte en intieme context, een vrij goed beeld kreeg van de individuele tics en sterktes van beide muzikanten, met uitstapjes naar zowel meer cerebrale als directe oorden, met composities die soms ook maximaal inzetten op transparantie en herhaling. Knap voorbeeld daarvan is Vandermarks “Another Lecture”, dat hij voor zich uit blijft duwen met een lekker stotende baritonsaxherhaling, waar Wooley vervolgens expressieve, bluesy lijnen over kon uitstrooien. Vergelijkbaar ging het eraan toe in “Lutoslawski” van de trompettist, waarmee weer een prijsbeest werd vrijgegeven. Snelle trompetloopjes, terwijl de rietblazer uithaalde met een verschroeiende, extreme dynamiek.

Dan was “I Prefer The Company Of Birds” een heel ander beestje. Aangekondigd met een grappige anekdote van de trompettist (die doorgaans erg ingetogen is, maar vanavond een kampioen van de droge humor was), maar tegelijkertijd ook een beproeving voor minder getrainde oren, door het schijnbaar in zichzelf gekeerde gemurmel van Wooley en de gierend hoge frequenties van de klarinet. En zo werd deze compacte duoset net als de albums een oefening in de vele gezichten van de improvisatie en hoe ze te verenigen valt met compositie. Bij het aan John Carter en Bobby Bradford opgedragen “Deconstructed Folks” viel de combinatie van strakheid en vrijheid op, bij “Call The Numbers” de imponerende extended techniques van Wooley, en in afsluiter “I Heard It Over The Radio”, die ze haalden bij Ornette Coleman, werd maximaal ingezet op lyriek en zachter vloeiend verkeer. Grote verrassingen leverde dat eigenlijk niet op, maar het was een knappe, evenwichtige en uitgepuurde set, die nogmaals benadrukte dat je voor dergelijke muziek best zo vaak mogelijk uit je kot komt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeven + negen =