Marika Hackman + The Antlers :: 1 oktober 2014, AB

Het was naar oktobernormen nog zwoel buiten, maar met het optreden van The Antlers is de herfst nu echt gestart. Al was de trompet net iets te veel de rode draad doorheen het bij momenten magische optreden.

Als kind was ze al model voor Burberry, maar sinds enkele jaren kennen we Marika Hackman beter als een aanstormend talent binnen de folkrockwereld. De amper 22-jarige Britse schone heeft nog maar weinig naambekendheid in ons land maar is daarom niet aan haar proefstuk toe. De EP Deaf Heat is haar vierde stuk en kwam in de lente van dit jaar uit. Wanneer de schuchtere Britse het podium betreedt met enkel een gitaar om de hals wordt het plots stil in de AB. Ze steekt van wal met bekendere nummers als “Bath is Black” en “Mountain Spines”, de twee eerste tracks van haar mini-album That Iron Taste (2013).

Doorheen de rest van de set wisselen oude en nieuwe nummers elkaar af en bleef het allemaal strikt akoestisch. De dromerige folkrock met simpele, melancholische gitaarlijnen pakt het publiek volledig in, maar haar grootste handelsmerk blijft Hackmans stem. Het zachte en dromerige timbre werd eerder al vergeleken met dat van Lucy Rose en Laura Marling. Het korte optreden zweeft voortdurend tussen illusie en dramatiek. Soms betoverend en dan weer aangrijpend. Eentje om in de gaten te houden, die Marika Hackman!

Hartbrekend en huiveringwekkend mooi. Zo kon Hospice, de doorbraakplaat van The Antlers, best genoemd worden. Na twee soloplaten bezorgde frontman Peter Silberman, voor het eerst met een volwaardige band, de luisteraar een krop in de keel met een plaat rond de emotioneel slopende relatie tussen een ziekenhuisverpleger en een terminaal zieke kankerpatiënte. Het verhaal was deels autobiografisch, deels fictief. Had de dromerige indiegezelschap uit Brooklyn nog een toekomst na zo’n wereldplaat die bovenaan de eindejaarslijstjes van 2009 prijkte? Silberman begon er zelf aan te twijfelen, maar vond zichzelf heruit. Er volgden nog twee indrukwekkende albums: Burst Apart in 2011 en dit jaar Familiars.

Net als zijn voorganger graaft de vijfde plaat van The Antlers nog altijd in de diepste krochten van de ziel en is de stemming al iets hoopvoller. Maar daarom niet minder melancholisch. Zo werd onze zomer toch al wat herfstig gemaakt. Familiars laat ook een iets toegankelijkere band horen. Vandaar verbaast het ons het niet dat de AB goed gevuld wordt. Maar toch: het blijft opmerkelijk voor een band die niet zo vaak gedraaid wordt op radio. Goed dat er nog een relatief groot publiek bestaat voor muziek die trager opbouwt en wat meer soul in zich heeft.

Het grote podium blijft echter akelig leeg wanneer Silberman, multi-instrumentalist Darby Cicci, drummer Michael Lerner en een extra multi-instrumentalist het podium betreden. Maar de driedelige openingscyclus van Familiars zorgt meteen voor een intiemere, herfstige sfeer. Na de bloedmooie, door twee blazers geïntroduceerde opener “Hotel” valt in “Doppelgänger” pas echt op hoe onderdanig piano, drum, elektronica én gitaar aan de trompet geworden zijn. Ook in “Palace” komen de blazers na piano-intro weer aanzetten. Zo komen de nieuwe nummers niet echt triest, eerder mijmerend over.

Daarna volgt met “Kettering” een uiterst intense uitbarsting van Hospice, dat jammer genoeg even overstemd wordt door irriterende babbelaars in het publiek (sorry, dat moest er even uit). In het extreem gevoelige nummer valt pas echt op dat de androgyne falsetstem van Silberman de grootste troef van The Antlers blijft. Daarnaast produceren zijn collega-muzikanten nog meer dan op plaat een heel rijk klankenpalet, dat soms knipoogt naar Sigur Rós, Radiohead en Pink Floyd. Zo is het (meestal) genieten met de ogen dicht, maar toch hebben we het gevoel dat de melodramatische trompetten zich af en toe iets te veel opdringen.

Zoals bijvoorbeeld in “Drift Drive”, afkomstig van de EP Undersea uit 2012. We zijn niet onder de indruk, maar dit omdat het niveau van de andere nummers nog hoger ligt. Silberman en zijn andere Antlers herpakken zich helemaal met enkele nieuwe nummers, zoals met het heerlijk voortkabbelende “Director”, waarin zijn prachtig solowerk opvalt. Ook “Revisited” en “Surrender” kunnen meer dan bekoren, al hadden we stiekem wat meer van Hospice willen horen. “Parade” doet ons al snel die gedachte vergeten want het meeslepende nummer is net als op plaat ook live een van de hoogtepunten.

Silberman is niet de meest spraakzame frontman ter wereld. Hij merkt tussendoor op dat het publiek erg stil is en bestoeft Brussel en de AB met heel lof nadat de band wordt teruggeroepen voor de encore. Daarin komen twee — hoe kan het ook anders? — pijnlijk mooie nummers aan bod: onze favoriet van Burst Apart “Putting The Dog To Sleep” en een iets langer uitgesponnen versie van het verscheurende “Epilogue”, waarin de onwerkelijk uitmuntende stem van Silberman ons bij de keel grijpt. Helaas bracht het viertal uit Brooklyn niet het gehoopte krop-in-de-keelconcert zoals het vroeger deed. Daarvoor was de setting niet intiem genoeg en waren (vooral) de blazers te dominerend.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 5 =