Zondag 14 september: Down under boven!
Het weer blijft een dubbeltje op zijn kant, op de derde en laatste dag van Leffingeleuren, maar nat of niet, enola gaat tot het uiterste om het hedendaagse muzieklandschap in kaart te brengen. Dat ziet er op zondag weer lekker veelzijdig uit, hier op Lefflingeleuren. Bijna verdacht Australisch, ook.
Hij heeft de verhaalstem van een saaie radiohost, die Hayden Pedigo, dus voor ons even goed dat hij instrumentale prairiefolk afwisselend elektrisch en akoestisch brengt. Salon-Fahey, noteren we als grap, maar op het gitaarspel valt helemaal niets af te dingen: Pedigo fingerpickt virtuoos op zijn instrumenten, en vooral op die 12-string is dat een streling voor het oor. Hij pauseert vaak in zijn contemplatieve composities, en verklaart tussendoor het belang van die stiltes om de vlakke leegte rond zijn hometown Amarillo poëtisch kracht bij te zetten. Ogen dicht, luisteren naar een uitdovende snaar, en tumbleweed komt zo voor de geest. “Het volgende is een slaapliedje”, zegt hij naar het einde van de set. Op een festival dat al te vaak luidruchtigheid viert, bewees Pedigo dat ook een verstillend optreden kan prikkelen.
Voor Ciska Ciska komen we nog eens naar de Busker Stage, en dat gratis podium trekt op een droge septemberzondag natuurlijk ook de lokale bevolking, kids incluis. Dat maakt het wat moeilijk om aandachtig te blijven: Ciska Dhaenens viert geen luidruchtigheid, maar moet er wel mee leven. Haar muziek knoopt aan bij de traditie van Big Thief en wat daarvoor kwam, en we horen effectief een en ander dat die referentiepunten benadert. Begin volgend jaar komt haar band met een debuutalbum, en wij zijn nu al benieuwd of die een groter podium zal rechtvaardigen.
Niet voor het eerst dit jaar op Leffingeleuren, en al helemaal niet voor het laatst, staat in de grote zaal een Australische band te springen om zijn kunnen te tonen. Surprise Chef, heten deze Aussies, en ze brengen het soort groovy jazzfunk die zo weggelopen lijkt uit tragisch hippe exploitation films uit de seventies. Bovendien doen ze dat met de nodige cool die daarvoor essentieel is. Zo klinkt de band al snel als een catalogus waaruit rappers hun samples kunnen jatten. Aardig genoeg, maar we kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat er iets ontbreekt.
Naar café De Zwerver dan maar, waar we op tijd willen zijn voor The Vovos (een geinige bandnaam is altijd half gewonnen), ook al uit Australië. Onze haast en spoed bleken geen overbodige luxe, want het café puilt uit: iedereen wil een stuk van de laatste female-fronted punksensatie. Qua sound gaan we inderdaad richting Amyl & The Sniffers, maar hier krijgen we ineens vijf frontvrouwen. De microfoon van de band is verknutseld tot dildo, met het, euh, business end richting publiek. Beetje potsierlijk, akkoord, maar het past bij de show. Om dat goed te maken hebben de dames een goudeerlijke speech voor erkenning dat hun plaat op Aborigine-grond gemaakt is. Punk met waarden, wij juichen dat toe.
Moet er nog Australië zijn? Vraag het aan Babe Rainbow, fysiek parate jongemannen uit Byron Bay, met lange blonde haren en zongebruinde huid. Surfhippies, zouden we ze net niet in hun gezicht noemen. Zo klinkt hun muziek toch: een argeloze mix van surfcultuur en nostalgische psychedelische rock die ze zo laid-back cool brengen dat het bijna arrogant wordt. Ter illustratie: “Monky Disco” heeft een strofe van “je suis le bel arc-en-ciel”. Bij momenten heeft Babe Rainbow wel het vernuft en de bezieling die voor vervoering kan zorgen, tot iets dat we Tame Impala in ’t wild kunnen noemen. Waar een vriendschap met King Gizzard & The Lizard Wizard al niet voor kan dienen.
Over naar de Apollo voor het terminaal hippe The Orchestra (For Now), dat zowel via ongebruikelijke leestekens als muziek concurrentie aangaat met acts als Man/Woman/Chainsaw. Iemand heeft de band getipt dat Leffingeleuren het graag ruw heeft, want wat we horen schuurt meer dan verwacht. Dat hoeft ook niet te storen, want met die cello blijft het, wel, orchestraal., voorlopig. De band heeft zeker enkele songs die de moeite waard zijn, en zeker als ze het experiment niet schuwen, zit er een vruchtbare toekomst in voor het zestal uit Londen.
Gut Health – opnieuw from down under – doet het net als The Orchestra (For Now) met z’n zessen, zij het op minder dan de helft van het oppervlak dat Apollo biedt. Dat dat spannend wordt, had café de Zwerver al gesnopen: er is opnieuw amper doorkomen aan. Met zijn dansbare, tikkie theatrale artpunk zou Gut Health dikke maatjes maken met Bodega. We hopen dat de band het ergens ten lande op een geschikter podium nog eens mag komen uitleggen, want onze agenda (laat staan het café) biedt te weinig ruimte voor onze volste aandacht. Zo moeten we R.M.F.C., Australische postpunk met sax, en passant meepikken. Tot als we eens meer tijd hebben, jongens.
Tijd om ons klaar te maken voor het hoofdgerecht van de avond: het onvolprezen Clap Your Hands Say Yeah bracht twintig jaar geleden zijn onovertroffen titelloze debuut uit, en viert dat met een tournee waarop de band het hele album speelt. Niet iedereen had in 2005 een quarterlifecrisis die gezalfd moest, en veel festivalgangers hier waren gewoon nog te jong, dus de zaal loopt maar met mondjesmaat vol. Het gunt Alec Ounsworth en gezellen de tijd om hun optreden aan te vatten, maar wannee ze starten, sprankelt het als twintig jaar terug. Ounsworths typisch hoge neusstemmetje! Die iconische synth-riff die “The Skin Of My Yellow Country Teeth” op gang trekt! Dat heerlijke gejengel iets verder op “Is This Love?”! Het is frappant hoe goed Clap Your Hands Say Yeah standhoudt, ook tegenover de concurrentie hier en nu, na al die jaren. We kunnen maar hopen dat er hier enkele jongeren die inspiratie nodig hadden, notities nemen. “Upon This Tidal Wave Of Young Blood”, nog zo’n kraker, krijgt van Ounsworth de duiding van protestsong. Hij haalt hier duidelijk voldoening uit, aan deze nostalgietrip. Met “Satan Said Dance” als toemaat hopen we dat hij nog lang mag blijven trippen.
Voor het feestje genaamd Getdown Services, nog zo’n band aan de vooravond van de grote doorbraak, is het ook al drummen in de Apollo. Op een bedje van subtiele en, goed ja, vaak minder subtiele elektronische beats versterkt met sneren elektrische gitaar spuwt het duo uit Bristol even hilarische als giftige teksten. Voorbeeld? “Eat Quiche, Sleep, Repeat”, titelt een van de toppers uit Primordial Slot Machine, de recente EP van de band. Ook live treft die raakt, net als ander recent materiaal. Onderweg door hun set verliezen Josh Law en Ben Sadler hun hemd, en zo staan er plots twee halfnaakte average blokes voor ons te grooven. Barry zou trots op jullie zijn, jongens! Eindigen doet Getdown Services met hit “Dog Dribble”, en wij vinden dat zowaar een van de beste songs van het festival – zeker omdat Law er nog een knappe gitaarsolo tegenaan gooit.
We kijken weemoedig naar het programma: nog welgeteld één optreden rest er ons op dit Leffingeleuren. De afsluiter is evenwel niet van de minste: met Black Lips heeft Leffingeleuren een ware cultband kunnen strikken. De garagerockers uit Atlanta zijn gekend voor hun onvoorspelbare stage antics, maar speelt het spel hier slim genoeg om niet onmiddellijk het achterste van zijn tong te laten zien. Wel krijgen we ongefilterd, dendered plezier te zien en te horen, door een band die bij het ontstaan in 1999 termen in zijn woordenboek als gêne en fatsoen overschreef met DIY en middelvinger. Het blijven “Bad Kids”, zoals die finale na een korte onderbreking, “kids like you and me”. De generatiekloof is opgeblazen, de klus is geklaard. Nog één lange nacht en ’t is van huiswaarts, die korst van bier en modder wegspoelen, en twaalf maanden aftellen tot de start van een nieuw rondje wereldreizen onder de kerktoren van Leffinge.




Ricky bekstok sloot af in het cafe, op busker heb je naar Big Muffin gekeken.
#justiceforricky
Bedankt voor de opmerking, dat verklaart ook een en ander en is bij deze dus rechtgezet. Ik sluit mij aan bij #justiceforricky, en volgende keer sta ik vooraan!