Ward Zwart & Enzo Smits :: Ik kom van ver maar blijf niet lang

In 2016 verscheen het stripdebuut Wolven van Enzo Smits en Ward Zwart. Smits was een nobele onbekende die behoudens een kortfilm datzelfde jaar nog niets kon voorleggen, terwijl Zwart al naam als illustrator en tekenaar verworven had. In 2009 debuteerde hij bij Bries met Herd Animals al verkoos hij vooral de undergroundzines boven de meer reguliere printmedia. In het eerste samenspel van beiden was dan ook de stem van Zwart doorslaggevend in die zin dat Smits verhaal zowel verhaaltechnisch als qua uitwerking achterbleef op het tekenwerk. Toch toonde de graphic novel wel een verbondenheid tussen beide auteurs die een intrigerende belofte inhield.

Stellen dat met Ik kom van ver maar blijf niet lang die belofte ingelost is, mag geen overdrijving heten. In de voorbije jaren is Smits als verteller duidelijk geëvolueerd terwijl Zwart, in zoverre nodig of mogelijk, er nog beter in slaagt de thema`s ook te visualiseren op een manier die pijnlijk echt aanvoelen. Net als in Wolven staat een gevoel van verlatenheid, weemoed en ennui centraal zoals die zich in het bijzonder in kleine dorpen en gemeenten manifesteert. En hoewel het merendeel van de inwoners daar niet (openlijk) onder lijdt, zijn er altijd enkelingen die er van dromen uit te breken en een geïdealiseerde “echt” wereld te betreden, terwijl anderen er zich lijdzaam bij neerleggen en zich gereduceerd voelen tot zonderlingen en/of norse buitenstaanders die vooral de cohesie van de gemeenschap versterken.

Waar Wolven opgebouwd was uit enkele kortverhalen die losjes met elkaar verbonden zijn, bestaat Ik kom van ver maar blijft niet lang uit een lang verhaal dat met 352 pagina`s ruim de tijd neemt om zich te ontplooien en grotendeels opgebouwd is rond enkele personages en hun interactie met de anderen. Aanvankelijk lijkt Gus Jensen centraal te staan, een alternatieve rockheld die op zijn dertigste samen met zijn relatie ook zijn band Herzog (waarvan de zangeres zijn vrouw was) op de klippen ziet lopen en tijdelijk onderdak zoekt bij zijn familie die het geboortedorp nooit verlaten hebben. Snel echter zoomt het verhaal ook in op Cas, die samen met Saul en een niet bij naam genoemde tweede vriend, een band gestart heeft en er, net als Gus voor hem, van droomt via de muziek het dorp te kunnen verlaten.

Op een zomeravond ziet Gus tijdens een wandeling in het bos enkele vreemde lichten, waarna hij in het skatepark in een ramp valt en daarbij gewond raakt. De volgende dag wordt hij door Cas en zijn vrienden gevonden wordt, waarna hun levens voorzichtig in elkaar lopen. Op diezelfde avond is immers ook een zendmast half afgebroken en een andere jongere, “Ufo” Dave Kallio verdwenen. Ufo Dave wordt als een zonderling beschouwd en dankt zijn bijnaam aan het feit dat hij als kind vertelde dat zijn vader ontvoerd is door ruimtewezens. Dave is ook een vroegere vriend van Eva, de nieuwe vriendin van Cas, al is die vriendschap duidelijk verwatert doorheen de jaren. Ruim een maand nadat hij plots verdween, verschijnt Dave opnieuw in het bos en is het Gus die hem tegen het lijf loopt.

Hoewel beide er zich van bewust zijn dat de verdwijning van de jongen en de vernieling van de zendmast samen hangen met de vreemde lichten (en mogelijk buitenaardse wezens) besluiten ze er met niemand anders over te praten. Dave geeft zelf te kennen het beu te zijn als “Ufo Dave” en die “rare” bekend te staan, waarop Gus hem laat weten dat dergelijke stigma`s verdwijnen. Net als eerder bij Cas en zijn vrienden toont hij zich hier als een grote broer annex vertrouweling die beseft wat ze doormaken en wil tonen dat geen van die gevoelens eeuwig noch determinerend hoeven te zijn. De verstandhouding die hij met de jongeren opbouwt, staat in schril contrast met de rest van het dorp die maar niet weet hoe om te gaan met een bekende dorpsgenoot/familielid die opeens terug opduikt.

Toch staat vooral een hartverwarmende eerlijkheid centraal, zo ook in de omgang van de jongeren met elkaar. Weliswaar vallen er harde woorde, verwijten en scherpe opmerkingen maar eronder lijkt steeds een onzekerheid en vraag om bevestiging te schuilen. Allen worstelen ze met dezelfde vragen en beseffen ze dat ze vooral op elkaar kunnen en moeten steunen. Die angst en nood wordt ook duidelijk in de nieuwe toenadering van Eva tot Dave en de openhartige bekentenis van Dave die maar al te goed wist dat zijn vader hem en zijn moeder verlaten had maar als kind de leugen verkoos omdat die minder hard klonk. Subtiel geeft Eva bij het afscheid te kennen dat wat haar betreft, hij de prijs ervoor al lang betaald heeft.

Het UFO-gebeuren is zo blijkt uit het verhaal weliswaar maar al te reëel toch laten Smets en Zwart (die het wel magistraal op papier zet) het als niet meer dan een fait-divers passeren dat niet meer dan een kleine katalysator is binnen een gemeenschap die nu eenaal voortdrijft op kleine gebeurtenissen en roddels. Veel belangrijker zijn de interacties en de leefwereld van de verschillende personages en hoe ze zich verhouden tot een dorp dat niet als het hunne aanvoelt. De portrettering ervan blijft dan ook beperkt en subjectief. Behoudens door de ogen van Gus en Cas en zijn vrienden, komt de lezer er weinig over te weten. Het is een intelligente keuze van Smits die zich veel meer focust op de gevoelens van de personages en hen vooral zoekend portretteert.

Het is uiteraard een wat naïeve portrettering maar binnen het verhaal werkt het wonderwel, meer nog omdat Smets nergens de parallelen tussen Gus en Cas te duidelijk in de verf zet. Waar Gus terugkeert naar het dorp na aanvankelijk succes staat Cas net aan het begin van zijn avontuur. Zowel op relationeel vlak als binnen de band liggen nog alle wegen openen en drukt het verleden noch het gevoel van mislukking op zijn schouders. Naarmate het verhaal ontwikkelt groeit ook Gus in zijn nieuwe rol en voelt een terugkeer naar het dorp niet langer aan als een mislukking maar als een nieuwe start en een keuze die ook positief kan gezien worden.

De kracht van het verhaal, in al zijn eenvoud, komt net als bij Wolven overigens nog meer tot zijn recht dankzij het tekentalent van Zwart die als geen ander het verhaal tot leven brengt. Nu eens haast nonchalant en slordig en dan weer doordacht en uitgewerkt, roept hij het dorp en de personages tot leven op een manier die heel filmisch aanvoelt maar ook illustratief op zichzelf staat. In het bijzonder tijdens de UFO-scenes in het bos alsook bij de intrede van Gus in het dorp, weet hij een sfeer en gevoel op te roepen die het verhaal overstijgt en op zichzelf staat. De potloodtekeningen mogen vaak dan wel ruw en schetsmatig aanvoelen, ze vatten perfect de teneur van het verhaal samen en voegen meer dan een enkele dimensie toe aan Ik kom van ver maar blijf niet lang.

Kort voor het officieel verschijnen van het album, stierf Zwart op nauwelijks vijfendertigjarige leeftijd. Verschillende Vlaamse illustratoren en media wezen op het talent dat hiermee verdween en het gat dat achtergelaten werd. Het is vreemd om te merken hoezeer de titel nu op Zwart zelf van toepassing lijkt te zijn. Als posthume publicatie is Ik kom van ver maar blijf niet lang een troostende en indrukwekkende ode aan zijn talent. Het mag zonde heten dat net wanneer beide nog jonge auteurs met dit werk aantonen hoezeer ze elkaar begrijpen, hun samenwerking tot een voortijdig einde komt. En hoewel het verhaal nog bitterzoeter smaakt in het licht van het gebeuren, dient bovenal benadrukt te worden hoezeer Ik kom van ver maar blijf niet lang in de eerste plaats nu al een klassieker is die perfect het gevoel van opgroeien en terugkeren vat in woord en beeld.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 − twee =