Jeroen Van Kan :: Hoe Matt een dode vis werd

Het kortverhaal blijft binnen de literatuur een ondergeschoven kind, voor veel auteurs is het een stijloefening, een opwarming voor het echte werk en jammer genoeg wordt het vaak ook door publiek en recensenten ook zo bekeken. Van auteurs die waardevolle kortverhalen afleveren, wordt vaak verwacht dat ze zich aan het `echte` werk begeven en de roman schrijven die de kortverhalen beloven. Nochtans zijn er doorheen de literatuurgeschiedenis meer dan genoeg schrijvers geweest die zich net hier op toelegden en daarbij net zozeer hun plek in het pantheon verwierven.

Dat het kortverhaal minder ernstig wordt genomen heeft uiteraard ook te maken met het feit dat sommige auteurs het inderdaad als een springplank naar meer zien, een aanzet voor een eerste roman waarna niet meer naar het genre teruggegrepen wordt. Bij debuten is het dan ook altijd afwachten hoe de auteur het zelf ziet en waar diens ambities heen reiken. Ook voor de Nederlandse redacteur en literatuurkenner Jeroen Van Kan is verre van duidelijk waar hij zichzelf plaatst. Van Kan was jarenlang redacteur van literaire tijdschriften, presenteerde VPRO-boeken en is sinds kort directeur van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. In 2017 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel onder eigen naam met gedichten die de voorbije kleine twintig jaar onder een pesudoniem in allerlei tijdschriften verschenen. De dichtbundel zelf werd positief ontvangen, maar Van Kan lijkt nu een andere weg in te slaan.

Hoe Matt een vis werd verschijnt onder eigen naam en bevat zeven kortverhalen die niet eerder gepubliceerd zijn. Het titelverhaal is zonder twijfel het best en meest surreële waarbij het titelpersonage een Italaiaans-Nederlandse jongeman met dwerggroei als kind ontdekt hoe hij zichzelf in gelijk wat kan omtoveren gedurende enkele minuten. Hoewel de metamorfose centraal staat in het verhaal, legt Van Kan veel meer de focus op het leven van Matt en hoe hij, niet aanvaard door zijn Italiaanse familie, na de dood van zijn ouders bij zijn Hollandse oom en tante gaat leven en daar zijn talenten ontdekt. Van Kan wisselt daarbij af tussen het verleden en de avond waarop Matt een voorstelling voor een groep vissers zal geven en zijn weigering zichzelf in een vis te transformeren aan bod komt.

Ook het openingsverhaal ‘Het delicate monster` is veelbelovend in de manier waarop het de lijdensweg van hoofdpersonage Philip Verstappen-Molenbreet uittekent terwijl deze met een vreemde kaakgroei kampt. In elk opeenvolgend stukje komt Verstappen-Molenbreet bij een andere specialist terecht die zich geen weg weet met de uitzonderlijke conditie die hem plaagt maar ook weinig geneigd is hem verder te helpen. Niet alleen is er een bureaucratisch pad te bewandelen maar de toestand van Verstappen-Molenbreet is ook zo uniek dat geen van de medici hem echt wenst te helpen, daarvoor is hij medisch te interessant geworden. Het spelen met perspectieven en verhaalmomenten lijkt echter een vast trucje te zijn van Van Kan want ook in het tweede verhaal `Kwispelen met de ketting` werkt hij vanuit verschillende oogpunten naar de apotheose toe.

Ditmaal vormen een man en vrouw de twee hoofdpersonages al lijkt er ook een derde in het spel te zijn, met als rode draad die hen allen verbindt de literatuur. Van Kan doet zijn best om het verhaal spannend en mysterieus te houden maar literaire besognes en afgunst krijgen sowieso snel een navelstaarderig gevoel, in het bijzonder wanneer het verhaal zelf weinig beklijft en eerder gemeenplaatsen betreedt (waaronder succes versus artistieke waarde). Gelukkig herpakt hij zich met het heel korte `Neem me mee` waar een oudere man een gezin bestudeert en vooral aandacht heeft voor de dochter. Daarnaast valt zijn blik ook geregeld op een oudere, droevige man die aan het tafeltje naast het gezin zit. Hoewel al snel de verhoudingen duidelijk zijn, weet Van Kan met enkele simpele gegevens toch een interessant verhaal te schrijven dat een niet al te voor de hand liggend einde kent. Grootse literatuur is het niet maar Van Kan toont hier wel een apart gevoel voor humor.

Ook de laatste drie verhalen zijn opvallend kort, het titelverhaal en `Kwispelen met de ketting` nemen samen bijna twee derde van het boek in, en hebben elk hun eigen wat vreemde dynamiek. Het eenvoudigste maar net daardoor ook meest unieke verhaal is `De doodroker` dat niet meer is dan een apologie van een roker. In enkele bladzijden erkent hij niet alleen zijn verslaving maar rekent hij ook af met de meeste argumenten tegen het roken en verantwoordt hij de eigen levenskeuzes. `De schaduw-Bertram` speelt dan weer met paranoïa en het dubbelgangermotief waarbij een fietser tot de conclusie komt dat de fietser die hem volgt, hijzelf is. Het afsluitende `In de orde van Apollo` neemt zijn tijd en focust op de oudere bediende/huisbewaarder Tanner die na de dood van zijn werkgever zichzelf ontslaan ziet van zijn taken en daarmee ook van zijn bestaansreden.

In deze laatste drie verhalen weet Van Kan opnieuw er de aandacht bij te houden waardoor het verdict positief uitvalt. Toch voelen tezelfdertijd de verhalen aan als stijloefeningen, opgebouwd rond een intrigerend idee maar verhaaltechnisch te weinig uitgewerkt. Zelfs in zijn beste verhalen weet Van Kan niet altijd de vaart er in te houden en blijft het te veel bij een goed idee dat onnodig uitgesponnen wordt. Zoveel maken de echt korte verhalen ook duidelijk, waar Van Kan zich de moeite bespaart te veel uit te weiden en snel tot zijn (absurde) conclusie komt, Als opstap naar een roman maakt Hoe Matt een dode vis werd zichzef niet waar. Van Kan heeft (nog) niet het talent om een langer verhaal boeiend te houden, en hoewel het als kortverhalenbundel wel zijn merites heeft, geldt ook hier dat Van Kan zich ondanks goede ideeën, nooit weet te onderscheiden van het peleton.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 7 =