We Are Open :: 10 + 11 februari 2017, Trix

We Are Open: dat gilt muziekcentrum Trix steevast één keer per jaar. Onzin natuurlijk, u kunt er van september tot juni terecht voor uw gezonde portie optredens. Maar een reden om in één klap meteen een hele staalkaart van Belgisch geweld te proeven laten uw verslaggevers natuurlijk nooit liggen. Een showcase? Wel ja, laat maar eens zien wat jullie in je mars hebben, brothers!

Vrijdag 10 februari

Want met een stevige focus op hiphop is het vanavond aan die al dan niet gebleekte brothers. We struikelen binnen in het Trix Café wanneer TheColorGrey aan zijn laatste nummers toe is, en dat vinden we meteen al jammer. Met een extra gitaar die de decks ondersteunt krijgt de erg smoothe, op Amerikaanse leest geschoeide flow van deze Woody Smallsprotégé een mooie ondersteuning. Het zorgt voor meer melodie en soul, en dat apprecieert het publiek dat luidkeels smeekt om meer. De Antwerpenaar moet met pijn in het hart weigeren: “They gon’ kill me”. Snel naar boven dan maar, naar de Bar.

Anderhalf jaar geleden is het ondertussen dat Lili Grace debuteerde met de boeiende EP The Spell, en sindsdien was het stil gebleven. Vandaag blijken de zusjes Bogaerts klaar voor de volgende stap: van The Spell is op de titelsong die in een vertimmerde versie afsluit na geen spoor in deze set. Wat er aan komt, wordt dan ook anders: meer dansgericht, met nog meer aanwezige percussie. En helaas, zo lijkt het toch, niet de sterkste nummers. Het wordt al snel formulaïsch in zijn opbouw: eerst kletterende drums van Diene, dan ingehouden samenzang, en uiteindelijk de strijkstok van Nelle die dreigend pulserend de cello op gang trekt. Bastille met borsten? Soms wel, ja, al is het tot puur ritme uitgebeende “Lucy” een mooie nieuwkomer. Wanneer in het voorlaatste nummer wordt gestoeid met donkere en lome discobeats op zijn Oscar & The Wolfs knijpt een hand ons hart echter samen. Wat de toekomst brengt voor Lili Grace? We zijn er niet helemaal gerust op.

Voor Delv!s is die toekomst duidelijk – eindelijk – begonnen. Niels Delvaux wordt immers al een paar jaar her en der als grote belofte genoemd, en maakte dat in 2016 dankzij één single toch nog waar. Geheel terecht ook: Delvaux beschikt immers over het soort soulstrot die zeldzaam is bij bleke, ongemakkelijk dansende jongetjes – Jamie Lidell is dan ook de onvermijdelijke referentie. Daarmee weet hij ook live moeiteloos de vrouwen in te pakken (getuige de enthousiaste bakfietsmamagilletjes bij de vraag “of er ook moeders in de zaal zijn”) en de mannen stikjaloers te maken. Aanvankelijk is het nog íets te veel flauwe Stevie Wonder-funk en “It’s gonna be alright / In the morning light”-rijmelarij, maar met oudje “Tell Me” vindt Delv!s alsnog zijn draai. Het laidback gitaartje en heerlijke refrein kunnen zelfs door een rondje basslappen niet verpest worden, en wie dan nog niet zijn heupen uit de kom gewiegd heeft, wordt vervolgens wel verpletterd door dat onweerstaanbaar groovende “Come My Way”. Neem het van ons aan: deze zomer danst élke festivalwei hierop de funky chicken.

Al van bij opener “Teacher” duiken we bij Amongster een warm bad in. Met een competente band in de rug weet Thomas Oosterlynck de miniatuurtjes van op plaat perfect te recreëren. De Afrikaanse gitaartjes dansen, soms openlijk zoals in het huppelende “Trust Yourself To The Water”, vaak eerder stiekem. Het zijn de voetjes van de zelden echt stilstaande frontman die dat verraden. En toch voelt het allemaal wat te statisch aan, is het visueel oh zo braaf en Oosterlynck zo bedeesd, dat het een beetje saai wordt. Noem het de Vlaamse ziekte waar ook Marble Sounds zo aan lijdt: mooi, maar weinig begeesterend.

Op papier is Hydrogen Sea gedoemd om in hetzelfde bedje ziek te zijn, maar de Brusselse band wéét dat en heeft zijn voorzorgen genomen. Met wat gespannen kabels – een soort modernistische tuinafsluiting – werd een strak driehoekig decor gebouwd waarin zangeres Birsen Uçar centraal achteraan de punt mag spelen. Het geeft deze trage muziek, die af en toe doet denken aan de triphop van wijlen Sneaker Pimps, een visueel cachet die het kan gebruiken. Dat werkt. “Only Oleanders” met zijn minimalistische bliepjes is hypnotiserend genoeg, single “Worry” danst zich elegant een weg naar ons hart. Fijn bandje.

Het Bergense duo La Jungle speelt het liefst zo dicht mogelijk bij het publiek en dat doen ze ook in het Trix-café. Al van bij opener “Ape In A Python” ontpoppen Mathieu Flasse (stem, keys, gitaar) en Rémy Venant (drums) zich tot twee Duracellkonijnen die de enthousiaste meute meesleuren in een draaikolk van energie, en dat ondanks een ondermaats geluid. Ook in de daaropvolgende nummers van hun tweede plaat II vormen pompende drums en allerlei gekke geluiden uit de gitaar, pedalen en Casio-keyboard een onwaarschijnlijk krachtige motor. Hoogtepunt is “Hahehiho” waarin meteen stemmetjes door een loopstation herhaald worden terwijl drums en gitaren onophoudelijk doorrazen. Hypnotiserend en dansbaar, net als Battles, maar dan met drums die soms aan Lightning Bolt doen denken. Ook “Blood Watermelon” komt in de buurt van muzikale waanzin. En daar heeft de eerste dag van We Are Open net nood aan. La Jungle is niet alleen op plaat maar ook live een van de geweldigste acts uit Wallonië. De komende maanden speelt het duo onder meer in Aalst, Kortrijk en Opwijk. Zorg dat u erbij bent, ook daar wordt het ongetwijfeld een weergaloos, lawaaierig feestje.

Over Robbing Millions kunnen we kort zijn: Tame Impala en franglais. Sympa, quoi, maar ook dubbelop, want de psychedelica van de Australiërs is nog niet versleten. Dan maar terug naar beneden waar het ook al van over de taalgrens te doen is. Of ligt die niet rond Brussel? Soit; Roméo Elvis + Le Motel doet nogal stevig van Starflam. We horen potige Franse rap, uitgepuurde beats en opzwepend veel energie. Heerlijk Néérfrançais ook, dat “maak laouaai!” en dus jammer dat het plots toch gedaan is met de pret. Het tempo zakt in tot alweer een bijna triphopachtig ritme, de raps worden oeverloos gepraat en wij muizen er van onder. Onterecht, zo blijkt, en niet alleen omdat de geweldige hit “Bruxelles Arrive” naar verluidt de boel helemaal in de fik zette.

Want heremejezus, neen Brihang, dat is geen West-Vlaams. Neem het aan van uitgeweken Bruggeling (mvs): wat deze Knokkenaar doet is een belediging. Terwijl ‘t Hof van Commerce al lang bewezen heeft dat het pure dialect zich perfect leent voor hiphop, krijgen we hier het soort gekuist pseudo-Nederlands met gewisselde g’s en h’s dat zelfs Tourist reduceert tot onverstaanbare wauwelaar. Dat is niet alleen een gemiste kans om de muzikaliteit van het West-Vlaams te eren, het doet ook de teksten van de jonge rapper geen recht. Want dat hij duidelijk iets te vertellen heeft, blijkt uit nummers als “Balanceren” en “Kleine dagen”. Radicale keuzes; het is er anders de tijd voor.

En laat ons dus ook maar even rabiaat zijn: fuck de keytar. Pomrad mag nog zo hard gewerkt hebben aan zijn lichtshow, wie blieps en twiets en fwieps uit dat fucking bastaardkind van een synth en een gitaar haalt, heeft bij voorbaat verloren. En als wij een pornosoundtrack willen horen, dan moet het mét beelden.

Neen dus, We Are Open Dag Eén was niet dàt, al was La Jungle een fijne uitzondering. Ach, niet erg, morgen is er nog een dag, en met het smakelijke Brutus op de affiche kan dat gewoon niet mislopen. Zoals we altijd sussend fluisteren als ons lief een crisis heeft: alles komt altijd goed.


Bon, Dag Twee en er valt iets recht te zetten. Zullen we dat doen. Welja, en zelfs al liet dat Brutus het een béétje afweten, met Newmoon en Kapitan Korsakov kregen we meer dan waar voor ons geld. Geld? Hebben wij dat dan?

Geen bal originaliteit, nauwelijks songs die naam waardig, en toch hebben wij als twee dolenthousiaste veulentjes staan hobbelen op The Glücks. Het West-Vlaamse duo rammelt plezant weg in de traditie van The Cramps, en nog voor u “Daisies Up Your Butterfly” kunt neuriën zitten ze alweer drie nummers ver. Een gebrek aan songs is nooit ok, maar vandaag volstaat dit optreden als aperitief. Voor The Glücks wordt het waarschijnlijk nooit meer dan dit, maar als zijn daar vrede mee hebben, wij ook.

Hypochristmutreefuzz, dan. De geflipte Gentse noise-rockband rond Ramses Van den Eede komt debuut Hypopotomonstrosesquipedaliophobia voorstellen en dat heeft Trix geweten. Live is Hypochristmutreefuzz nochtans iets anders, wordt een concert een duistere trance waaruit je moeilijk kan ontsnappen en epileptische lichten bijdragen aan de intense ervaring. Toch kunnen Van den Eede en co ook de variatie aanhouden. Opzwepende noise-rock met zowel funky als venijnige riffs (“Elephentiasis”) passeert, bijtende hiphop met elektronische dreunen (“Clammy Hands”) en bommen van songs zoals “Hypochondria” en “Gums Smile Blood” volgen. In “Hypochondria” komt Lien Moris van Piquet even een vocale bijdrage leveren, en ook dat nummer klinkt tegelijk loodzwaar, toegankelijk en heerlijk groovy. Fantastisch hoe Elias Devoldere zijn drumvel geselt en met Sander Verstraete een verschroeiende ritmesectie vormt. Ramses’ vader en acteur Peter Van den Eede knikt goedkeurend mee. Afsluiter “The Spitter” stuwt de bloeddruk nog een laatste keer de hoogte in. Hypo laat ons met stuiptrekkingen en knikkende knieën achter. Missie geslaagd.

Een stelletje indie-oudgedienden mag het stokje overnemen. Hoe lang is dat ondertussen dat Star Club West ergens de wereld probeert te veroveren? Is het dat anderhalf decennium dat enola ook al aan een nood probeert te voldoen, of nog langer? Op We Are Open blijkt het vet van de soep, en staat de band – met een nieuw album ergens in de nabije toekomst op de planning – stuurloos te fröbelen. Alsof we passagier zijn op een brokkenparcours sjeest de groep van de ene wending in de andere. Nu eens kruipt drummer Raf de Backer achter een xylofoon, dertig seconden later triggert hij een elektronische beat. Vergeef ons als wij daar wat zeeziek van worden, zeker als frontman Nico Jacobs van de Pavementschool van “vals zingen geen bezwaar” blijkt. Alles, werkelijk alles wringt dus tegen, en daar kan geen schoon Grandaddygitaartje of Sparklehorsemelodietje tegen op. Nuja, alles beter dan Dvkes dat we beneden twee minuten bezig zagen, maar laat toch maar snel beter volgen. Kan dat?

Mwah. Het Leuvens noise/post/sludgemetal-trio Brutus kan prat gaan op een dijk van een livereputatie die in de loop van de jaren is opgebouwd, maar heeft pas sinds enkele weken een debuutplaat bij de platenboer gedropt en mag dus aantreden voor een afgeladen Club om die combinatie van pompend no-nonsense drumwerk van zangeres Stefanie Mannaerts en vloeiende, melodische gitaarlijnen van Stijn Vanhoegaerden zijn werk te laten doen. Bassist Peter Mulders moet in dat mengsel als bindmiddel tussen beide gehelen fungeren, maar speelt vandaag eerder stoorzender dankzij een compleet overstuurd geluid dat het subtiele gitaarwerk als het ware opvreet. Het slaat het mooi gebalanceerde geheel dat Brutus kan zijn flink uit zijn lood. Jammer, want het materiaal staat er. Brutus kiest voor een mix tussen oud en nieuw materiaal, maar geeft niet naar ieders zin voorrang aan de meer snedige, hardere nummers uit het repertoire.

Mannaerts’ combinatie tussen drummen en zingen is nog steeds straf, ondanks de beperkingen die dit met zich meebrengt. Op het einde van het optreden tast ze duidelijk naar haar keel, en voor de uitgebreide fills — al zien we toch een paar snedige — ben je ook aan het verkeerde adres, maar hey, we zien ù het nog niet doen. Maar dat dit een verre van perfecte set was, die misschien wat meer variatie kon gebruiken en zeker een betere geluidsmix verdiende, is duidelijk, al walste Brutus met straffe nummers als “Justice De Julia II” en persoonlijke favoriet “Horde” zelfs op deze mindere dag de zaal plat. “We will stay where we belong”, zingt Mannaerts op het eind van het optreden. Van ons mocht ze gerust blijven zitten.

Hoewel. Op het podium achteraan de ruimte staat het Brusselse Mont-Doré klaar om de honden los te laten. De relatief jonge en onbekende band trok onze aandacht door de aanwezigheid van Jérôme Considérant, voormalig bassist van Castles, de beste Waalse mathcoregroep waar niemand ooit van gehoord heeft (doe geen moeite, ze bestaan niet meer). En jawel, ook hier zijn adjectieven als ‘hard’, ‘intens’ en ‘chaotisch’ perfect op hun plaats. We horen duidelijke invloeden van Converge (de hoes van debuutplaat Fractures is ook een vette knipoog naar Converge’s You Fail Me), maar de bredere invloeden van screamo, mathcore, post- en zelfs een scheutje black metal zijn intrigerend en opwindend. Een nummer als “Let’s Not Slam Doors Anymore” demonstreert de wendbaarheid en muzikaliteit van dit Waals/Brussels vijftal, maar blijft van begin tot eind als een vloedgolf op het publiek inbeuken. Ook de grinta waarmee Mont-Doré het kleine podium bestiert is aanstekelijk. Behalve misschien dat nekbijten van die zanger, dat was wel een beetje vreemd. Niettemin: topshow van misschien wel dé ontdekking van deze editie van We Are Open. Goed bezig, die fransozen.

Uit de My Bloody Valentineschool van “En Als We Nu Eens Alles Op Elf Zetten?”: Newmoon, Antwerps-Gents gitaarcollectief, moet het van galmende lagen shoegazegitaren hebben, en doet daar zijn voordeel mee. Met drie gitaristen wordt een muur aan geluid opgetrokken die al snel naar de hemel reikt. Zo gaat dat dan ook als je straffe, goed in elkaar stekende kathedralen van songs als “Helium” hebt zitten. De gortdroge drumklappen zijn heipalen waarmee de fundamenten de grond in worden gedreven, het epische snarenwerk bouwt daar lichtvoetig boven. “Onze plaat Space gaat over je plaats vinden in de wereld. We willen gewoon zeggen dat het ok is om geen plaats te vinden in deze wereld.” Merci jongens, nu voelen we ons een stuk beter, al lag dat meer aan dit fijn optreden. Voorlopig heeft Newmoon We Are Open gewonnen, maar laten we niet op de feiten vooruit lopen. De nacht is nog jong, de bio-curryworsten nog niet geproefd. Ja, dat is unrelated, maar niet zonder belang.

Balthazar zendt zijn zonen uit. Wat zeggen we? De zonen van Balthazar zwermen tegenwoordig zo hard uit dat ze niet te vermijden zijn. Terug in de Club vinden we Zimmerman, die in het dagelijkse leven ook maar gewoon Simon Casier heet, en zich ontpopt van bassist tot frontman. Dat werkt, en de songs van debuut The Afterglow blijken live ook erg goed op eigen benen te staan, al is de herinnering aan het moederproject nooit te onderdrukken. Niettemin is “What Will We Do And When” een prachtig ingetogen nummer, en kan ook single “You Won My Heart” – waarvoor wederhelft Noémie Wolfs achter de microfoon opduikt – best bekoren. Als het weerzien straks een beetje ongemakkelijk blijkt, dan is Zimmerman altijd nog een goed Plan B. Niets mis met dit zijstapje.

Het lijkt er op dat Pieter-Paul De Vos ondertussen een paar extra sloffen onder de chauffage van Steve Albini heeft staan, want na de tweede Raketkanon-plaat, blikte hij nu ook het nieuwe Physical Violence Is The Least Of My Priorities van zijn eigenste Kapitan Korsakov bij de topproducer uit Chicago in. En waarom ook niet, want een plaat die wordt opgenomen door Albini staat nog steeds garant voor een belachelijk straffe sound. Helaas is daar in de grote zaal van Trix niet veel van te merken: gitaren te modderig, snaredrum overstuurd … Gelukkig kunnen we van het soort smerige noiserock waar Kapitan Korsakov in grossiert wel wat bagger verdragen. De band laat het dan ook niet aan zijn hart komen, en trekt een iets meer dan halfvolle grote zaal mee in een bad van stomende riffs, vette baslijnen en pompend drumwerk. Vooral de wisselwerking tussen het met effecten volgepropte gitaarspel van Devos en het speelse baswerk van Pieter Van Mullem is meer dan top. Nieuwe nummers als het fantastische “Rabid Ghawazi Shuffle” en oudere kleppers als “F k Me” wisselen elkaar af in een knappe set, die onder andere daardoor geen seconde verveelt. Ook de podiumstrapatsen van Devos — publiek induiken, gitaar het zwerk in lanceren, u kent dat wel — en bijdrage van Wallace Vanborn-bassist Dries Hoof maken dit een stukje topentertainment onder een deken van vuile noise.

Topentertainment; dat zou een We Are Open eigenlijk elk moment moeten bieden, maar dit jaar was het wat minder dan andere keren. We vloeken eens, trekken ons op aan de goeie momenten die er ook waren, en zetten onze kraag recht tegen de gure wind buiten. Trix, u ziet ons dit jaar nog wel een paar keer terug, en volgend jaar zijn we opnieuw op de afspraak. Tot dan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 1 =