Cactusfestival 2013 :: Sjamanen, tablets en tarwebieren

Op hoop van zegen dat we dit jaar van regenval gespaard blijven. Angstvallig houden we ieder uur van de dag nog de weersvoorspelling voor West-Vlaanderen in de gaten. Cactus had vorig jaar de onweersgoden tegen, maar deze editie blijken bovennatuurlijke krachten het kleine maar fijne Brugse festival wat gunstiger gezind te zijn. Mogelijk te verklaren doordat klimaatvoorvechter en regisseur Nic Balthazar — intussen al een levende legende en ongetwijfeld in het bezit van sjamaanse krachten — opnieuw de rol van presentator heeft opgenomen. Praise the Lord!

Uitgezonderd de presentator is er niet bijster veel veranderd aan de formule van het Cactusfestival. De enige verandering die in het oog springt, is de opvallend Belgisch getinte line-up, met alleen eigen volk dat keer op keer de festivaldagen afsluit. De enigszins ondankbare eer om het festival te openen, is dan weer voor de Nederlander Johannes Sigmund oftewel Blaudzun weggelegd. Even na vijf in de avond mag hij de spits afbijten en pogen wat vuur in het ietwat tam ogende publiek te krijgen. Met een arsenaal aan slagkracht lukt dat wel, gedemonstreerd door een stevig ritmisch spel tijdens “Who Took The Wheel”. Opvallend genoeg komt “Flame On My Head” al vroeg in de setlist aan bod, een van die momenten waar de band zich volledig loslaat en het publiek stilletjes aan begint mee te geven. “Solar” is tussen een pak vurige songs in een welgekomen moment van sereniteit in het concert, dankzij een pulserende hartslag die door het nummer vloeit. Tot slot bewijst Blaudzun met “Elephants” dat hij weinig voor zijn zuiderburen moet onderdoen. Binnen enkele jaren ongetwijfeld terug in Brugge, hopelijk later op de avond wanneer duisternis het Minnewaterpark heeft overtrokken.

Hoewel ze ooit al eens op Cactus stonden, bleek het nieuwe album Information Retrieved een overtuigende reden te zijn om het trio van San Diego dat als Pinback door het leven gaat, nog eens de grote plas te laten oversteken. Frontmannen Rob Crow Rulon Jr en Armistead Burwell Smith IV (de namen alleen al) zijn altijd wat strange bedfellows geweest, maar op een podium lijkt de combinatie te werken. De ietwat mollige Crow met Taxi Driver T-shirt heeft een hoge tenorstem waar weinig andere rockgroepen iets tegenover kunnen doen. Het duurt echter tot “Penelope” vooraleer er wat volk uit het publiek rechtveert, na eerst een kwartiertje wat indommelend hebben te staan luisteren. De tweede helft is duidelijk gevuld met vertrouwder klinkende nummers als “Fortress”, dat bij gelegenheid iets krachtiger wordt uitgevoerd. Voor Crow een gelegenheid om even zijn micro in het publiek te gooien, om vervolgens te beslissen zelf tussen het volk te springen. De fles sterkedrank op het podium waar hij zich regelmatig aan vergrijpt, zal hem geen goed doen. Twee goede stemmen, dynamische ritmes, maar al bij al wat te inschikkelijk om ons een geweten te bezorgen.

Voor eigen volk stroomt er dan plots toch een pak meer volk toe. Daan heeft zich sinds enkele jaren meer op akoestische muziek en zelfs Franse chansons toegelegd en dat zie je dan ook aan de bezetting, al blijkt de Antwerpenaar nog steeds het podiumbeest van weleer (inclusief de rollende r). Na wat Franse chansonserie en een countryliedje is het al meteen de beurt aan “Everglades” om een eerste maal het publiek wat te prikkelen. Meteen daarna komt “Exes”, al klinkt dat bij momenten nog te veel als de soundtrack van een soapopera. De akoestische Daan wekt een ander gevoel op. Bij een matige song als “The Gates” gebeurt er niet zo heel veel, maar “Melodies Paroles” weet op subtiele wijze Franse chanson met big band swing te combineren. De rest van de setlist is bijna uitsluitend vertrouwd terrein waar Daan zonder al te veel moeite de zege kan binnenhalen. “Icon” gaat van gezapig tot vlammend, terwijl “The Player” in akoestische vorm toch van een opvallend glorieuze uitstraling is voorzien. Met een vleugje elektronica, bestaande uit “Swedish Designer Drugs” en “Housewife” in de bis — hoe kan het ook anders — gaat het Cactusfestival voor het eerst volledig uit het dak. Geen Daan grand cru, maar zeker niet veel minder als we van hem gewoon zijn.

Ook al draait hij al twee decennia mee in het muziekcircuit, Thurston Moore en zijn gitaarspinsels blijven verrassen. Chelsea Moving Light is het laatste project van Moore, in een bescheiden poging om Sonic Youth volledig achter zich te laten. Desondanks is er vooral sprake van continuïteit: onbesuisde gitaren, rebellerende ritmes en een frontman die vlagen van genialiteit met gekte weet te combineren. “Burroughs” zet meteen de toon voor de rest van het concert: piepende intro’s en predominante gitaarriffs die nauw bij punkrock of zelfs metal aanschurken. Ondertussen hebben we in het publiek alweer de laatste trend gespot: na de smartphones en reflexcamera’s wordt er tegenwoordig ook met tablets foto’s genomen. Goed bezig jongens. Het zal Thurston Moore worst wezen, want hij is op Cactus om toch een klein beetje keet te schoppen, zoals met “Lip” dat als protestsong voor Pussy Riot wordt aangekondigd, of “Go” dat voor een (heel) vrije interpretatie van een liefdesliedje moet doorgaan. “The Ecstasy” in de bisronde is een ode aan de poëet John Donne en loopt zowel qua ritme als melodie iets vlotter dan de overige nummers. Op z’n vrolijkere momenten begint Moore zelfs wat als Mick Jagger te klinken, al doen we hem met die vergelijking waarschijnlijk weinig plezier. So what, in al zijn tegendraadsheid een meer dan behoorlijke passage van Chelsea Moving Light. Ondertussen is het laatste spoor van daglicht verdwenen. In de zwarte hemellucht zijn nog de laatste tekenen van het een schemering zichtbaar, een aankondiging dat het morgen een stralende zomerdag wordt.

Het contrast kan niet veel groter zijn met de net gestreken maatpakjes, de klassieke instrumenten en de gelkopkes bij Hooverphonic with Orchestra. Rebellie is verre van het eerste woord dat in ons opduikt als Alex Callier het podium opstapt om zijn muziek aan de man te brengen. “One Two Three” laat zich zachtjes opbouwen, terwijl Noëmie Wolfs aan het zingen slaat en zich ondertussen wat als ballroomzangeres probeert voort te bewegen. Hooverphonic en orkest wisselen zo vaak mogelijk oud en nieuw af, met “The Night Before”, “Heartbroken” en “Since You’ve Been Gone”. Daarin brengt het orkest telkens een verrijking teweeg, hetzij niet veel meer dan een bescheiden surplus: de meerwaarde valt te zoeken in het complexere melodische reliëf en een eerder golvend totaalgeluid. Op de momenten dat Callier niet de nood voelt om overbodige tussenpraatjes te placeren, wordt er nog wat goede muziek gebracht. “You Hurt Me” is voortreffelijk, al blijft een behoorlijke versie van “Unfinished Sympathy” toch dat tikkeltje te weinig en te flets om met het origineel in de strijd te gaan. Overigens zijn nieuwe nummers als “Happiness” en “George’s Café” duidelijk toch iets slappere kost dan hun oudere broertjes. Wolfs probeert zich met wat bewegingen en verleidingstrucjes uit de slag te trekken, maar in dat alles toont ze veeleer haar jeugdigheid dan ervaring. Met de steun van het orkest krijgt het publiek uiteindelijk nog een bekorende eindronde, met opeenvolging van klassiekers als “World Is Mine”, “Jackie Cane”, “Mad About You” en “Sometimes”. Bij die laatste song merk je dat de lage noten niet echt Wolfs’ sterkste punt zijn, waardoor Callier en co herhaaldelijk in de achtergrond meezingen. Met “Vinegar and Salt” en “Eden” breit Hooverphonic een prettig en innemend einde aan de eerste festivaldag. Zelfs met een gracieuze 2.0 bezetting en een vrij foutloos optreden blijft het moeilijk te verbergen dat de kracht van Hooverphonic voornamelijk in het verleden ligt. Zwanenzang, of blijft de weg naar nieuwe voorspoed open?


Zon, zon zon! Kijk eens aan, de tweede dag op rij geen regen en nu tevens geen wolk aan een blauwe hemel te bespeuren. Zelfs Nic Balthazars kale knikker glanst als nooit tevoren in dit onwaarschijnlijke lichtspektakel. Met een gunstig Brugs festivalklimaat is er opvallend meer volk in het Minnewaterpark opgedoken, zelfs vroeg op de dag. Of is dat enkel vanwege die andere kale knikker, Gaëtan Vandewoude van Isbells? Knappe liedjes, bedrukte sferen en een publiek dat de verstillende samenzang van de Leuvense groep vanaf “Stoalin’” meteen omarmt. “Heart Attacks” tilt het ritme wat de hoogte in, met tempoafwisselingen en extra percussie. “Reunite” is op een gelijke leest geschoeid, maar voeg nog wat bluesy ingrediënten aan het geheel toe. Isbells bouwen gestadig hun setlist op, totdat blijkt dat er nog vijf minuten beschikbaar zijn om een twaalf minuten durend slotnummer in te proppen. Hoewel we het enkel met de outro moeten stellen, hebben Vandewoude en co ondertussen al hun strepen verdiend. Knap openingsconcert.

Ghostpoet is stilaan een fenomeen geworden dat niet alleen de gewone muziekliefhebber aantrekt, want niemand minder dan Michael Kiwanuka komt al even in de persruimte piepen om zijn Londense collega aan het werk te zien. Groot gelijk, want sinds de dichtende rapper (of rappende dichter) als volwaardige act rondtrekt, is het geheel enkel boeiender geworden. Van los aaneenhangende optredens of dipjes al lang geen sprake meer. “Standing By The Fire” en “Dial Tones” illustreren al snel die rijkere discografie, maar ook de zelfzekerheid waarmee Ghostpoet zijn boodschap overbrengt. Zelfs onder een brandende zon weet hij met onderkoelde stem (en volledig in het zwart gehuld, goed zot) de Brugse schone tot een Londense achterbuurt om te toveren. “MSI MUSMID” is een splijtende track met weinig complexe teksten (“Dim sum and noodles make me feel alright”!), maar veel gevoel en zweverige, lang nazinderende geluiden. Uitgezonderd de soms bedrukkende thematiek, is dit niet minder dan opwindende muziek.

Goed gestart, die zaterdag van Cactus. Met The Raveonettes staat er echter een ander type product op het podium, dat het meer van luidruchtige gitaren en inspiratiebronnen als The Velvet Underground moet hebben. Desondanks het Scandinavische kwaliteitslabel passeren de eerste songs iets te schreeuwerig, waardoor er van muzikaal genot aanvankelijk weinig sprake is — uitgezonderd het selecte groepje van schoegazers dat op de eerste rij staat heen en weer te zwalken. Gelukkig zijn er voor ons nog de Brugse Tarwebieren. Beterschap is in zicht wanneer de songs ook wat meer de vorm van melodieën en songteksten verwerven. “She Owns The Streets” is er zo eentje dat een perfect zomers gevoel naar boven weet te brengen. “Enemy” raakt dan weer een treurige noot, ondanks de zachtaardigheid in stem en klank. The Raveonettes eindigt met alles wat de eerste helft niet had: goede songs (“Aly Walk With Me”), aardig wat schwung en een betere balans tussen power en beauty.

Bij Michael Kiwanuka hebben we ons altijd een stevige bonk voorgesteld, maar hij verzinkt steeds in het niets in vergelijking met zijn hoog uitrijzende, gespierde bandleden. Voor zo’n klein manneke te zijn, heeft hij gelukkig een verduveld schone stem (zoals een kleine nachtegaal, kunnen we zeggen). Kiwanuka is zo’n piepjonge, uiterst getalenteerde artiest die je met elke passage ziet groeien. De groep is duidelijk beter op elkaar ingespeeld — vooral trefzekerder — en hijzelf weet nog veel meer overtuigingskracht uit zijn stem en persoonlijkheid te halen. “Tell Me A Tale” is onberispelijk uitgevoerd, zelfs al sleept het wat langer dan gewoonlijk aan. “Waterfall” is een meer dan geslaagde ode aan Jimi Hendrix, terwijl “I’m Getting Ready” het beste van zijn akoestisch werk demonstreert. Persoonlijke favoriet is dan weer “Worry Walks Besides Me”, dat meesterlijk tussen soul en gospel flaneert en Kiwanuka’s stem tot het uiterste drijft. Als de Brit met Oegandese roots op die manier muziek blijft maken en zich niet te veel in zijsprongetjes verliest, dan ligt de weg voor alles open. “But I know where am headed”, zou hij dan zelf zeggen (“I’ll Get Along”).

Een beetje merkwaardig dat een van de meest geprezen zangeressen van de blues het met een plaatsje voor Calexico en Ozark Henry moet stellen, ook al heeft ze van alle artiesten op Cactus het meeste succes en faam bereikt en heeft ze met muziekgoden als John Lee Hooker mogen optreden. Bonnie Raitt heeft echter genoeg ervaring om daar moeiteloos mee om te gaan en uitgezonderd het relatief vroege uur, toch een beklijvende indruk na te laten. Een zeer open en ontvankelijke dame, die in een handomdraai haar publiek weet te bespelen met verhalen over een oude Vlaamse liefde en haar vorige bezoeken aan België. Ondertussen passeren een pak uitstekende songs (van componisten om u tegen te zeggen) zoals “Right Down The Line” van Gerry Rafferty en “Million Miles” van Bob Dylan. Qua ervaring, zoals blijkt in de technische uitvoering, is er vandaag weinig geweest dat in de buurt van Bonnie Raitt en haar band komt. Zelf weet ze nog een meer dan aardig stukje slide guitar te spelen, zonder aan charme in te boeten. Pianist Mike Finnigan krijgt de gelegenheid om een geweldige bluesversie van “I’ve Got News For You” te brengen. Kortom, Bonnie Raitt brengt alles wat we van haar verwachten en doet er zelfs nog een schepje bovenop.

Een kwartiertje voor het optreden zit Joey Burns van Calexico nog gezellig met een paar Belgische vrienden te keuvelen, maar op het podium lijkt de voorheen nog kalme, zelfs bedaarde Amerikaan helemaal open te bloeien. Misschien helpt het wel als je een volledige Tex-Mex groep achter je hebt staan. Calexico is hier duidelijk met een doel: een feestje bouwen voor allen die daar zin in hebben. Hoewel ze heel losjes met stijlen en Latijnse muzikale tradities omspringen, is het een van de weinige grote projecten waarin je een uitstekende blend tussen americana en mariachi weet te ervaren. Daarbovenop blijft het ook niet tot twaalf in een dozijn muziekjes beperkt maar spelen Burns en co een stapel van hun beste werk. Het treurig klinkende “Para” klinkt met iedere uitvoering nog sterker en indrukwekkender. “Inspiracion” brengt die heerlijke Spaanse toets onder de aandacht, terwijl “Maybe On Monday” als oppeppertje mag dienen. De rest van de setlist gaat op gelijke tred verder en onderscheidt zich telkens met sterke songs, zoals de akoestisch-elektrische spanning bij “Alone Again Or” of het upbeat karakter (de gitaren! de trompetten!) van “Crystal Frontier”. Calexico heeft er opnieuw een broeierig feestje van gemaakt.

Na zo veel kwaliteit en uiteenlopende stijlen ligt de druk natuurlijk bij afsluiter Ozark Henry om toch nog iets opmerkelijks uit de kast te halen. De Kortrijkzaan is niet alleen, maar in het gezelschap van zangeres Amaryllis Uitterlinden, wiens aanwezigheid heeft gezorgd voor een grondige hertekening van Ozark Henry’s oudere werk. Alle nummers zijn in twee stemmen gezongen en de instrumentale gedeeltes worden veel sterker door gitaren en percussie gedomineerd. Zo klinken “Indian Summer” en “Give Yourself A Chance With Me” nogal verschillend van de originele versies. Dat zorgt in het eerste half uur wel voor een paar (meestal aangename) verrassingen, al sluipt er na een tijdje wel wat herhaling in. Uiteindelijk vervalt Ozark Henry een beetje in zijn klassieke zonde: te veel op effect en te weinig op substantie georiënteerd. Het ziet er spektakelrijk uit, het klinkt alsof het complex en doordacht moet overkomen, maar gevoelsmatig blijft er iets ontbreken. Met sterkere songs als “At Sea” en “Godspeed” wordt die drang enigszins gecompenseerd, bij fletsere popsongs als “This One’s For You” valt dat moeilijker te verbergen. Niet slecht dus, maar diep vanbinnen weten we dat Ozark Henry toch een pak beter kan. En “Sweet Instigator” zou gerust ook mogen.


De heren van Terakraft zijn beter op de blakende zon voorbereid dan de overwegend halfnaakte tieners op de festivalweide: met lange, open gewaden en hoofddoeken blijven ze van de hitte afgeschermd – en zorgen ze tegelijk voor een mysterieuze Algerijnse noot op het podium. Ons Tamaqesh is met der loop der jaren wat roestig geworden, dus het gebrek aan songtitels moet u ons alvast vergeven. Qua sfeer en impressie zit het met de Toearegs wel goed, want gedurende een dik uur blijven ze onverstoord en zonder veel moeite stevige desert songs afhaspelen, met vlot lopende ritmes en terugkerende patronen. Behendige muzikanten, die vrijelijk met hun gitaar omgaan zonder de regels van de kunst te overtreden.

Soundscapes, ahoi. Hoewel de jonge snaken van Portico Quartet in een ver verleden – figure of speech – als jazzbandje zijn begonnen, staat alles tegenwoordig in het teken van geestverruimende beats en bedwelmende instrumenten. Vandaag leunt het eerste kwartier van het kwartet dan ook dichter aan bij Autechre dan bijvoorbeeld bij The Cinematic Orchestra. Kenmerkend is nog steeds de introspectieve stijl van spelen, podiumpresence kan hen niet zo veel schelen. “Ruins” is de eerste track die het gepantserde omhulsel van beats even weet open te breken: met een zoet klinkend percussie-instrument als de hang en een saxofoon die snedig door de ritmes stuwt. Met langgerekte songs heeft Portico Quartet weinig nood aan een uitgebreide setlist maar doet er op het einde toch nog een schepje bovenop. “City Of Glass” is de kleine climax voor de bisronde, terwijl het langverwachte “Clipper” het concert van de Britten in schoonheid afsluit. Wie denkt dat blieps en beats geen dragers van emotie kunnen zijn, heeft na de passage van Portico Quartet zijn mening moeten herzien.

Hé, wat stinkt er hier? Het is de electropop-hype die jaar na jaar klakkeloze imitaties blijft uitspuwen en ondertussen redelijk beschimmeld is geraakt. Veel meer dan twee singles, een opvallende arrogantie en het streek-effect is er niet nodig om de laatste nieuwe rage SX op het podium van Cactus te krijgen. Met een uur te vullen, hebben de Kortrijkzanen echter een stevige klus voor de boeg. De glitterende overdaad van “Gold” zet meteen de teneur voor de overige nummers: oorverdovende beats, groteske zang (met foutjes) en verwaand in het rond staan te springen. Barok over the top, voor wie er van houdt, nogal irritant voor zij die graag wat muziek willen horen. De nietszeggende praatjes (met het occasionele woordje Engels, kijk eens hoe internationaal we zijn) brengen weinig zoden aan de dijk. Zelfs een track als “Black Video” wordt in de live-uitvoering iets te sterk verkracht, de losjes bewegende ritmes zijn door het basgeluid en een grotesk gebarende zangeres overstemd.

Echt groot is hij niet, maar enig fysiek gebrek maakt de Zweed Kristian Matsson helemaal goed met zijn charisma en zijn weelde aan enthousiasme. The Tallest Man On Earth weet zowel vriend als vijand te charmeren met een bijna anderhalf durend spektakel waar songs als “King of Spain” en “Love Is All” elkaar in sneltempo opvolgen. Hoe deze man met zijn gitaar – nothing more, nothing less – de aandacht weet vast te houden, is een van die onverklaarbare Scandinavische raadsels. Songs variëren van luid tot stil (“unloud”), vurig tot ingetogen, groots tot intiem. Nieuwe koppeltjes vormen zich op de weide terwijl Matsson met zijn typerende stem over hoop en liefde zingt. Komt daar nog de “saddest song he ever wrote” bij (“Redemption Blues”) en het onafwendbare “The Wild Hunt” dat in een opgefriste versie van “Graceland” uitmondt. Niets minder dan voortreffelijk.

Nogmaals volk uit eigen streek, hoewel Balthazar ondertussen al een aardig palmares heeft bijeengesprokkeld wat op zijn beurt een plaats op Cactus rechtvaardigt. De heren en vrouw lijken goedgeluimd bij het aanschouwen van eigen publiek en geven met veel goesting een inkijk in het steeds groeiende repertoire van de band. Met songs als “The Oldest Of Sisters” en “Blood Like Wine” heeft Balthazar een arsenaal aan krachtige refreinen en meezingmomenten. Muzikaal komt een verrijkende toets grotendeels van de viool in de handen van Patricia Vanneste. De laatste songs leggen uiteindelijk de lat nog wat hoger: het donkere randje aan “Fifteen Floors”, de verfijning van “Sinking Ship” of de wijze waarop afsluiter “Do Not Claim Them Anymore” al swingend het publiek een laatste keer charmeert. Songs die zich ondertussen diep in de tienerjaren van Vlaamse jongeren genesteld hebben.

Met enige nieuwsgierigheid stonden we naar Victoria Legrand en Alex Scally van Beach House te kijken. Voor hen is het de voorbije jaren snel gegaan: van een niemendalletje uit Baltimore tot een van de meest vertrouwde namen binnen dreampop of indie in het algemeen. Ondanks het evenwichtige geluid, de mierzoete en golvende klanken hebben we toch wat moeite om ons in het dromerige avondspektakel in te leven. Veel valt te verklaren door Legrands neiging om iets te dicht in de micro te zingen waardoor het geheel door een wazig stemgeluid wordt gedomineerd. Onverstaanbaar voor het publiek, dus weg songteksten, weg subtiliteit. Voor een recensent zit er dan ook weinig anders op dan zich te ergeren aan de langgerekte maar enigmatische lettergrepen van Legrand (“Gaat ze die micro nu eindelijk opeten of niet?”) en de vocale foutjes die daarmee gepaard gaan. Kortom, weinig ontspanning in dat uurtje dat vooraf als een heerlijke trip is aangekondigd. Slow music, met vallen en opstaan.

Weinig minder dan een zegeviering, hoe dEUS van de eerste tot de laatste minuut het uitverkochte park van Cactusfestival rond zijn vinger windt. Knallen doen ze meteen met “The Architect”, kort daarop volgt al “Instant Street”. De eerste vijftien minuten van het optreden gutsen van zodanig veel energie, dat het moeilijk wordt om het vol te houden. Toch doen ze het, anderhalf uur lang, de ene na de andere prachtschijf spelen. Doordringend, krachtig, met het gaspedaal voortdurend ingeduwd. “Quatre Mains” voegt een buitengewone exotische toets aan het scala van rocksongs toe, met een Pawlowski die zelfs met stijl en volledige beheersing de meest elementaire gitaarpingels weet te spelen. Met “Oh Well” van Fleetwood Mac komt er zelfs een vleugje rock-’n-roll aan te pas. En hop, we gaan verder: “Sirens”, “Keep You Close” en “Nothing Really Ends” voegen enkel maar aan het nu al indrukwekkende gamma toe. dEUS bestrijkt alle genres en doelgroepen en maakt zich als een kameleon iedere omgeving meester. Weinig woorden schieten over om de bisronde nog te beschrijven, ingevuld met “Roses” en “Suds & Soda”. Zelden een publiek op Cactus zo uit zijn dak zien gaan. Meesterlijk.

Daar staan we dan alweer, zichtbaar afgemat na drie dagen peace and sun in het Minnewaterpark. De opvallend Belgisch getinte editie is dan toch verrassend goed uitgevallen, met artiesten als dEUS, Balthazar, Daan en Hooverphonic die hun landskleuren waardig hebben verdedigd. Zowel de zaterdag als zondag hebben, een paar missers uitgezonderd, het gemiddelde de hoogte in gestuwd. Op een paar vreemde kronkels van de programmatie na (hoe kan Bonnie Raitt nu geen festivaldag afsluiten?), zijn er enkel sporen van tevredenheid op te merken. Cactus staat terug onder de mensen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

tien + 12 =