Christophe Albertijn/Audrey Lauro Duo + Peter Evans Trio :: 22 maart 2013, ‘t Werkhuys

Wind, regen, files, burgeroorlog, een namiddag met een dozijn life coaches. Ja, alles willen we trotseren om goochelaar Peter Evans in z’n trukendoos te zien duiken. En dat zou deze keer ook weer terecht geweest zijn, want de man bevestigde nog maar eens wat sommigen al wisten en anderen gisteren over zich heen gekapt kregen: er staat gewoonweg geen maat op. Met een spetterend concert dat onze onnozele bezwaren over een wat lange plaat compleet van tafel veegde, werd nog eens duidelijk gemaakt wie dé trompettist van het moment is.

Christophe Albertijn was ook weer van de partij. Deze keer om een duoconcert te spelen met de Franse, maar in Brussel wonende/werkende altsaxofoniste Audrey Lauro. En van meet af aan werd duidelijk dat dit een heel ander concert zou worden dan dat met Coomans en Campaert enkele weken geleden. Had het enerzijds een meer rigide aanpak door het zorgvuldig spreiden van ideeën, dan speelde Albertijn ook assertiever in deze context, met grotere extremen tussen de al bekende detailaanpak en krachtiger statements op terrein dat flirtte met de noise.

Lauro ging van start met lange uithalen die ze voortdurend manipuleerde om zo subtiel te kunnen variëren. Albertijn kwam haar het ene moment tegemoet met gelijkaardig aanzwellende golven vol effect, maar counterde soms ook met ontregeld spel, waarbij gespeeld werd met volumeschommelingen en de ebow even voor een spookachtige sfeer zorgde. De taaie abstractie van de improvisaties had iets van de samenwerking van Christine Abdelnour en Ryan Kernoa, al werd hier iets krachtdadiger gespeeld, door Lauro bv. ook met een plastic darmpje en bij Albertijn door de gitaar te bespelen met slide, plectrum, de vlakke hand of een soort tapping-effect, waardoor het een percussieve klank voortbracht die zelfs even deed denken aan de duimpiano’s van Konono No. 1.

Na de lange opener volgden twee kortere stukken een vergelijkbaar en wat minder geduldig parcours, het eerste nog wat grilliger, al wilde de intense concentratie (Lauro zat er voortdurend met dichtgeknepen ogen bij) niet wijken. In het slotstuk manipuleerde de saxfoniste haar mooie klank door het einde van de beker tegen haar been te bewegen, opnieuw een houding die herinnerde aan Abdelnour. Albertijn reageerde onverwacht met sci-fi-achtige geluiden die de muziek plots wat lichtvoetiger maakte. Opnieuw geen makkelijk verteerbare hap van de gitarist, maar het werd wel duidelijk dat zijn spectrum en methodes niet zomaar vast te pinnen vallen.

De muziek van het Peter Evans Trio was dan een pak toegankelijker, maar gebracht op een duizelingwekkend hoog niveau. De trompettist pakte meteen uit met een reeks extatische notenslierten die een mindere muzikant na 30 seconden keel- en hoofdpijn zouden bezorgen, maar nu met een meesterlijke controle uitgevoerd werden. Slechts vijf minuten had hij nodig om een aanzienlijk deel van zijn beheersing tentoon te spreiden: van sputtereffecten en gespleten tonen tot waanzinnige circulaire ademhaling, gegrom, gereutel, plofjes en plotse melodische uitbarstingen in onvervalste hardbopstijl: het arsenaal lijkt schier eindeloos.

Het had een vertoon van technische improvisatie kunnen worden die nergens toe leidde, maar dat was allerminst het geval, want de vijf stukken die we te horen kregen waren niet minder dan een muzikale verleidingsdans, muziek met een plagerige lichtvoetigheid en een bedrieglijke eenvoud. Nu ja, dat het concert ondanks de onophoudelijke stortvloed van Evans toch niet verzandde in corpulente overdaad, mag op het credo van de uitstekende ritmesectie geschreven worden. Zowel bassist John Hébert als drummer Kassa Overall hebben duidelijk de bagage in huis om de leider te voorzien van al even excentriek weerwerk, maar kozen doorgaans voor een vrij sobere, kloeke aanpak, met terugkerende grooves, soms zelfs rockachtig gepomp en zwierige inkleuringen.

Wisten we aanvankelijk niet of Overall wel de juiste man zou zijn, dan speelde die onze vrees volledig weg met vloeiend spel dat met een haast nonchalante souplesse gebracht werd. Heel knap ook hoe de muzikanten steeds in een vingerknip wisten over te schakelen naar thema’s en wendingen. Nergens had je het gevoel dat je aan het luisteren was naar een trio dat samen eigenlijk nog maar een heel beperkte staat van dienst heeft (dit was hun eerste concert buiten New York!). Het was de complexloze, intuïtieve interactie van een stel veteranen die genoeg hebben aan een blik en een knik. Van de shock & awe van opener “Echo” en het met terugkerende salvo’s volgestoken “Broken Cycles” tot een stuk dat Evans componeerde voor zijn kwartet (“Tag”) en eentje dat diezelfde middag afgewerkt werd: de drie speelden met alarmerend gemak.

Ging het er het ene moment vrij subtiel aan toe, met een baslijn die uit amper twee noten bestond en vervolgens werd overgenomen door Evans, zodat Hébert eens kon schitteren met de strijkstok, dan werd even later gesoleerd met zo’n vurigheid, snelheid en intensiteit dat we verwachtten dat die trompet roodgloeiend zou oplichten. De reactie van het publiek was dan ook navenant: hier viel iets te beleven dat je zelden te horen en te zien krijgt. Jammer dat er geen terugspoelknop voorhanden was. Collega-trompettisten worden er misschien moedeloos van, maar liefhebbers van avontuurlijke jazz hebben nu een icoon die, als het even mee zit, nog een paar decennia gaat blijven verbluffen. Een intimiderend goed concert.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 + 18 =