Blues Peer 2012 :: Een dagje graven in het verleden

Er valt weinig te klagen: tijdens de festivalzomer is er voor elk wat wils. Zelfs de modale bluesliefhebber met deukhoed en jeansjasje kan nog ergens terecht voor een streepje muziek, weliswaar in een van de meest landelijke uithoeken van België. Blues Peer is aan zijn 28ste editie toe en heeft een handvol iconische namen gestrikt, de stokoude B.B. King op kop. Onze verslaggever verkent het zondagprogramma, de hoogmis van de blues.

Het is vroeg in de middag en de weide is nog nauwelijks volgelopen. Een ideale gelegenheid om te ontdekken wat het Kempense vierdaagse festival zo bijzonder maakt. De gemiddelde leeftijd van de bezoekers ligt in ieder geval een pak hoger dan in Werchter of Pukkelpop: we schatten ergens tussen de 40 en de 60. Dat verklaart meteen de waanzinnige populariteit van de klapstoeltjes, inclusief drankhouders, waarvoor een speciale zitruimte voor voorzien is. Iedereen blijft eveneens zo goed als droog als er een plotse wolkbreuk plaatsvindt: zowel het podium als een deel van de weide zijn door een megatent overdekt. Duidelijk: een festival dat met comfort rekening houdt. Het meest eigenaardige aan Peer zijn echter wel de kraampjes: van dromenvangers tot sigarendoosgitaren, u vindt er de meest uiteenlopende en boeiende artefacten. De strategisch gelegen sigarenwinkel doet er zelfs gouden zaken: waar men ook staat, in een straal van vijf meter is er steeds iemand met een vingerdikke sigaar te bespeuren. De ingrediënten die voor een unieke festivalmix zorgen: bier, sjofele kledij en sigaren.

De eerste muzikant van de dag, Philippe Ménard, lijkt aan dat profiel te voldoen, dankzij een grauw petje en een ziekenkasbrilletje. Een rasechte handy man die een systeem in elkaar heeft geknutseld waarmee hij tegelijk kan drummen, gitaar spelen en zingen. Naast pittig klinkende nummers als “Telephone Woman” en “Shanghai Blues” brengt Ménard tevens een ode aan Reverend Gary Davis. Zonder schroom waagt hij zich aan “Voodoo Chile” van Hendrix. De verdwaalde hippie klinkt uitgeput, maar het opzwepende geluid dat hij op slide guitar produceert, doet wel anders vermoeden. Eenmansmuziek die ons tot de wortels van de blues terugbrengt.

Op een naam valt niet af te gaan. Terwijl Lightnin’ Guy eerder met een stokoude zwarte Amerikaan valt te associëren, is het in realiteit een veertiger uit eigen contreien. Guy heeft zijn House Rockers meegebracht met de opdracht voor wat sfeer te zorgen. Bijgevolg beslaat de tracklist niet onmiddellijk de meest verfijnde muziek — veelal soortgelijke nummers met minieme variaties — wel een pak uptempo nummers dat het publiek moeten onderhouden. De groep gedraagt zich met momenten wat opzichtig, door steeds een aantal bluesclichés door de mangel te halen. “Freddy’s Blues” legt als love song eerder de klemtoon op gevoel en overtuiging, een uitzondering in een stevige maar nogal kleurloze sessie. Zelfs het bijhorende entertainment kan daar weinig aan veranderen.

Netjes gekleed en tot in de puntjes verzorgd: Hamilton Loomis ziet er vrij ongekreukt uit in vergelijking met de ongeschoren horde die voor hem staat. Wat doet zo’n brave jongen in het hol van de leeuw? Het antwoord is te vinden in de verschroeiende gitaarsolo’s van de Amerikaan — die overigens redelijk wat sterallures heeft. In tegenstelling tot zijn mentor Bo Diddley kiest hij voor songs met soul en funk doorspekt. De teksten van “A Woman Like You” en “No No No” zijn geen hoogvliegers, al compenseert hij dat gebrek ruimschoots met een stevige ritmische en melodische secties. Iedere keer opnieuw plankgas, alle registers geopend. Loomis loopt tussen het publiek en speelt vervolgens een gitaarsolo terwijl hij op de schouder van een security (een stevige kerel) wordt gedragen. Best spectaculair, die passage van Loomis.

In vergelijking laten de North Mississippi All Stars een ongenoemde indruk na. Aanvankelijk staan er twee heren op het podium — gitaar en drums — en wat later komt daar nog een derde bij. De frontman laat met anonieme stem weinig indruk na en slaagt er niet in om echt tot het publiek door te dringen. Wat lijkt op een grijze versie van The Black Keys, krijgt na een aantal nummers meer kleur door Alvin Youngblood, een beer van een vent en Grammy-winnaar die er ondertussen is bijgekomen. De drie muzikanten wisselen geregeld van rollen, met frontman Luther Dickinson zowel in de rol van bassist als drummer. Niet dat het plots allemaal feilloos is: de groep mist als geheel de nodige uitstraling om het showspektakel van ene Loomis te vergeten. Slechts een opvallend lichtpunt in de set: een charmante afsluiter op een conservenblikgitaar.

Dan is het tijd voor een eerste monument: Ten Years After is een van die weinige bands die kan uitpakken met het gegeven dat ze op Woodstock hebben gespeeld. Bijna vijftig jaar later schiet er van die status enkel nog een bende oude knakkers over. Of dat dacht u maar. Bluesrock van de bovenste plank, waarbij nummers als “King of the Blues” en “Angry Words” aan een strak tempo uitgevoerd worden. De oorspronkelijke frontman is er niet meer bij, maar een jongere versie — de vreemde eend in de bijt — vult die schaduw met een opvallende zelfzekerheid in. Een begenadigd gitarist ook, gezien hij moeiteloos de technische solo’s van het repertoire uit zijn mouw schudt. Uiteindelijk is het wachten tot “I’m Going Home” wordt aangedaan, een van die juweeltjes die op de pelicules van Woodstock zijn terug te vinden. Een meer dan behoorlijke versie, die echter een beetje de magie en onvoorspelbaarheid van het origineel mist. Na zoveel decennia is alles voor Ten Years After wat routine geworden, al kunnen ze dat op het podium nog uitstekend verbergen.

Tien jaar geen noemenswaardig optreden en nu opnieuw op de planken. El Fish heeft er een decennium van windstilte opzitten maar ter gelegenheid van Blues Peer is de band opnieuw springlevend verklaard. Weliswaar een nostalgische trip van korte duur, want op z’n zachtst gezegd pakt de muziek niet echt op het podium. Het geheel voelt in de eerste nummers wat rammelend en richtingloos aan, met een harmonicaspeler die voortdurend alles en nog wat probeert te overstijgen. Veel lawaai, weinig finesse. Uit de balans, slaagt El Fish er niet in om het publiek in zijn greep te houden. Zelfs op muzikaal vlak is het wat op de honger blijven zitten: de nummers zijn veelal op wat monotone bluesdeuntjes gebaseerd waar weinig variatie in terug is te vinden. Dezelfde voorgekauwde ritmes en akkoorden kunnen op dit uur van de dag al wat minder boeien: een tracklist zonder punch, waar zelfs een opvallende guest appearance van Roland weinig aan verandert. El Fish staat er alsof ze plots weer een grote leemte in het muzieklandschap invullen. Alleen hebben ze zichzelf met dit concert helemaal buitenspel gezet.

Het is op voorhand wat gissen of een 86-jarige wel degelijk nog in staat is om een volledig concert te geven. Wanneer B.B. King op het podium verschijnt, is het voor de fans duidelijk dat hij de voorbije jaren zowel gewicht als flexibiliteit heeft verloren. Een overigens goed geoliede bigband kan zelfs niet verhinderen dat hij meermaals volledig de mist in gaat. Twee keer “Rock Me Baby” en “One More Kiss” bijvoorbeeld. Geheugenverlies en het gebrek aan concentratie van zijne hoogheid zorgen ervoor dat er weinig vaart in een concert zit, dat slechts zelden door een hoogtepunt wordt gekenmerkt. “Someone” en “The Thrill Is Gone” schieten dynamisch in gang — z’n stem heeft hij nog niet verloren — om uiteindelijk telkens een stille dood te sterven, door het voortdurende gepalaver in de langgerekte intermezzo’s. Niemand durft het echt uit te spreken op het moment, maar B.B.King is allesbehalve de muzikant van weleer — en eigenlijk hoeft dat niet te verrassen op die leeftijd. Het gitaarspel blijft beperkt tot een wat los aaneenhangende noten, ver van de originele versies. Een oude, afgeleefde man die onomwonden zegt waar het op slaat: “I’m getting tired. Aren’t you?”. Een grote naam die niet langer een imposante indruk nalaat.

Een domper op de feestvreugde: wat de bekroning van het programma moet zijn, blijkt uiteindelijk helemaal in het water te vallen. De zondag van Blues Peer 2012 was op papier ongetwijfeld veelbelovend maar bleek in praktijk vooral wisselende resultaten te boeken. De gezellige sfeer stond in contrast met een pak artiesten dat het lieten afweten. Volgende keer minder nadrukkelijk in het verleden graven en eerder naar het heden voor inspiratie kijken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × vier =