Sonny Simmons + The Cosmosamatics :: 14 mei 2011, KC BELGIE

De Hasseltse cultuurtempel KC BELGIE heeft een jarenlange traditie in ere te houden als het gaat om het in huis halen van jazz- en improvisatielegendes. Noah Howard, Evan Parker, Peter Brötzmann, Rashied Ali en Joe McPhee kwamen er al concerteren, meestal met uitstekende resultaten. Het was dus uitkijken naar de komst van Sonny Simmons (°1933), een van de laatste actieve muzikanten van z’n generatie. Het werd op z’n zachtst gezegd een merkwaardige avond.

Dat kan ook gezegd worden van Simmons, die begin jaren zestig speelde met Charles Mingus en Eric Dolphy. In de tweede helft van het decennium en in het begin van de 70’s werkte hij aan een imposante discografie, maar dan leek hij een kleine twee decennia van de rader verdwenen (een groot deel van die tijd bracht hij door in Frankrijk). Einde jaren negentig keerde hij terug op het voorplan en het voorbije decennium was hij productiever dan ooit tevoren, met een hele resem diverse en vaak goed onthaalde platen op z’n credo. De enige constante van de voorbije jaren is The Cosmosamatics, de vaak van bezetting wisselend band die naast Simmons alleen rietblazer Michael Marcus als vast lid heeft. De ritmesectie bestaat intussen uit de jonge(re) Taru Alexander (drums) en Rashaan Carter (bas).

Het concert ging erg moeizaam van start. Simmons leek de leiding volledig in handen van Marcus te laten, die zich zo goed mogelijk probeerde in te zetten maar het concert niet van de grond kreeg. De opener was een langgerekte lap melodieuze free jazz met meanderende solo’s, maar zonder overkoepelend verhaal – de muzikanten kregen stuk voor stuk een platform om hun ding te laten horen, maar zowel collectief als individueel bleef het bij ter plekke trappelen. Vooral de solo’s van Alexander en Carter waren vermoeiende struikelblokken die het boeltje niet op gang hielpen. Een tweede stuk, waarvoor Marcus overschakelde op de basklarinet, bracht iets meer focus in het concert, maar het was pas vanaf “Dance Of The Zetrons”, met Simmons op althobo, dat het concert eindelijk wat gevoel voor richting kreeg.

Na twee dergelijke sets zou het verdict onvermijdelijk geweest zijn dat Simmons het moet afleggen tegen z’n generatiegenoten die we al in Hasselt aan het werk zagen, maar de pauze had de band blijkbaar wakker geschud. Simmons, die in de eerste set enkel wat aanmoedigingen bromde en het woord liet aan Marcus, verscheen nu alleen en begon met jongensachtige baldadigheid het publiek aan te spreken, vragen te stellen over de woonplaats van Jean-Claude Van Damme en speelde vervolgens een solostuk (“The Gypsy”) dat al het voorgaande deed vergeten. Die melancholische woeligheid, breekbaarheid en toch ook die immense kracht van die zingende altsax, dat was waar we op gehoopt hadden. Op vijf minuten onderging het concert een complete transformatie.

Het leek wel alsof Simmons’ kompanen ook beseften dat er nog wat goed te maken viel, want ook hun spel werd veel aardser en expressiever. Vanuit het “Greensleeves”-thema werd een bluesy samenspel op gang getrokken dat herhaaldelijk, en dan vooral door Marcus’ indrukwekkende gesoleer, richting New Orleans neigde. Misschien omdat het kwartet zich veel meer entte op de traditie, ging ook de ritmesectie een heel andere rol spelen: Carter en Alexander leken hun draai gevonden te hebben, begonnen te stuwen als tandem en Simmons perste een paar verrekt mooie solo’s uit z’n instrument, schipperend tussen de vingervlugheid van een Charlie Parker (met een omweg via Ornette Coleman) en de zuivere lyriek van een McPhee. Ook afsluiter “Coltrane in Paradise”, dat intussen al meer dan veertig jaar mee gaat, was imposant over de volledige lijn, koppelde gedrevenheid aan inventiviteit en traditie aan pure free jazz.

Simmons’ gedaanteverwisseling was dan nog het opmerkelijkst van al: afzijdig in de eerste set, en goedlachs lullend en spelend in de tweede set. Een paar keer begon hij à la Archie Shepp een stukje blues te zingen en z’n muzikanten luidkeels aan te moedigen. En veel “Yo!”, met de vuist in de lucht. Het was twijfelen of de man tijdens z’n vele bezoeken aan de coulissen niet aan de sterke drank zat, maar het bracht ook animo in een concert dat erg vlak van start ging. En dan een vreemd moment: terwijl Simmons plots naar de bar wandelde kondigde Marcus aan dat de band na een korte pauze nog een stuk zou spelen, maar die plannen werden even later opgeborgen zonder commentaar. Blijkbaar volstond het zo voor Simmons, die erin geslaagd was om een concert dat op weg was om af te lopen met een sisser toch nog te redden met die afwisselend mooie, grappige en vreemde tweede set.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × een =